|
Grassen de basis van onze beschaving D e band van de mensheid met grassen is hecht en duurzaam. Geen enkele plantenfamilie heeft zo’n grote rol gespeeld in de ontwikkeling van de menselijke soort. Sterker nog, zonder gras had de mensheid zich nooit kunnen ontwikkelen tot de dominante soort die ze nu is.
Grassen leveren vrijwel alle basisvoedsel van mensen in de vorm van rijst, tarwe en maïs (en in vroeger tijden - maar in veel gebieden nog steeds - rogge, gierst, haver) en niet te vergeten suikerriet. Verder voeden we ons met vlees en zuivel, producten van dieren die zich hoofdzakelijk voeden met grassen en grasproducten. Daarnaast leveren grassen bouwmaterialen (bamboe, riet). De ontwikkeling van de menselijke soort begon op de grasvlakten van de Afrikaanse savannen en beschavingen bloeiden op steppen en prairies. En waar mensen verschenen werd het landschap onveranderlijk met gras bedekt. Terwijl de natuurlijke begroeiing van ons deel van de wereld bos was, betekende de komst van de mens al heel snel het verdwijnen van die bossen en het ontstaan van graanakkers en weidegronden, Het sociale leven van de dorpen en steden speelde zich voor een belangrijk deel af op een dorpsweide tijdens markten en kermissen. Nog steeds is een grasveld een plek voor ontspanning. Toen de industrialisatie de groei van steden versnelde en steeds meer mensen opeengepakt in grauwe buurten moesten leven (18de eeuw) werden al snel de eerste stadsparken aangelegd; elk park een soort schaalmodel van een weids landschap met grazige weiden en bossen, waar de mensen tot rust konden komen en weer een beetje ademen… Onze soort ontstond en ontwikkelde zich op gras. Nu onze omgeving steeds kunstmatiger wordt, blijft gras een symbool voor vrijheid en natuur. De meeste mensen bedekken nog altijd een deel van hun tuin met gras. We begonnen ons bestaan als soort op gras, en we voelen ons nog er altijd het beste bij. Zoals de psalm zegt: “Hij zal mij leiden naar grazige weiden”. Bij verhalen over bijna-dood-ervaringen spreken mensen van groene velden. In elk geval eindigen we onder groene zoden, of worden we erover uitgestrooid.
De biologie van grassen Waarom zijn grassen zo speciaal en zo belangrijk voor ons? Grassen lijken soms wel mensen. Grotere opportunisten zijn er niet onder de planten. Geen wonder dat we er zo goed mee overweg kunnen. Toen de Dinosauriërs over de aarde heersten waren de open terreinen nog niet met grassen begroeid. De grassenfamilie ( de Poaceae) ontstond vermoedelijk ongeveer 70 miljoen jaar geleden (dus nog in het Krijt en tijdens de nadagen van de Dino’s), maar pas in het Tertiair kwam de familie tot grote bloei. Samen met de Composieten en de Orchideeën worden de grassen gezien als de hoogst ontwikkelde plantenfamilies. We kennen tegen de 10 000 soorten. De grassen zijn grote kolonisators die profiteren van vrijgekomen en verstoorde bodems, ook wel eens de ‘eerste-hulp’ van de natuur genoemd: waar de aarde beschadigd is, zorgen grassen vrijwel direct voor een beschermende begroeiing. Mensen zorgen vaak voor die beschadiging: ze kappen bossen en slepen de stammen weg, ze spitten, ploegen, harken en schoffelen in de aarde, ze graven en plaveien. Daarmee scheppen ze overal en voortdurend ruimte voor de bescheiden plantjes die moeder aarde haar groene kleed geven. In de evolutie van families van dieren en planten is het vaak een keuze voor een bepaalde specialisatie die ervoor zorgt dat zo’n familie in vrij korte tijd tot enorme diversiteit uitgroeit. De orchideeën specialiseerden zich in uiterste aanpassing aan bestuiving door specifieke insecten, die leidde tot bizarre bloemvormen, terwijl de plant zelf als regel heel eenvoudig bleef. De composieten zijn ook zeer soortenrijk (20 000 soorten), ook met zeer gespecialiseerde bestuivingsmechanismen, maar daar is ook de vorm van de plant divers, van de bescheiden madeliefjes tot zonnebloemen, tot bomen en heesters in de tropen. Grassen hebben zich gespecialiseerd in een grote mobiliteit, een grote variatie in aanpassingen aan verschillende milieus. Ze hebben afgezien van het vormen van hout (waarmee bomen hun plaats in ecosystemen handhaven) om snel te kunnen groeien en snel nieuwe bodems te kunnen bezetten. Een grasplant kan heel snel overgaan tot voortplanting, zodat de soort in korte tijd een nieuw verworven terrein kan bezetten. Ze overleven niet door massa en kracht, zoals bomen dat doen, maar door het vermogen snel met grote aantallen vrijgekomen grond te bezetten. Ze maken hierbij ook nog gebruik van wat schijnbaar hun natuurlijke vijanden zijn: de grazers. (Een uitzondering hierop zijn de bamboes, een apart type grassen, dat deels wel houtachtig weefsel vormt en soms juist lang wacht met voortplanten. Daar komen we nog op terug.)
De evolutie van de grassen is gekoppeld aan die van de hoefdieren, de grazers: een voorbeeld van co-evolutie Een jonge grasplant vormt een of meer scheuten, die elk bestaan uit een paar lijnvormige blaadjes die vanaf de basis groeien. De groeipunten en de stengeltop liggen binnen die opgerolde bladeren in of net boven de grond veilig voor vraat en hoeven. Bij andere plantentypen zitten de groeipunten aan de top. Dit betekent dat een grasplant na afgrazen van de bladeren van onderaf direct nieuwe bladeren kan vormen. Veel soorten vormen tegelijk ook horizontale uitlopers onder- of bovengronds. Als er een kudde grazers langs is gekomen kunnen de grasplanten zich snel herstellen en vaak ruimte overnemen van planten van andere typen die meer tijd nodig hebben om zich te herstellen. Dit systeem betekent een goede samenwerking met de grazende hoefdieren: de kudden zwerven rond; als ze na een tijdje terug komen is het gras weer aanwezig. Naarmate hoefdieren zich toelegden op gras (dit vergt veel van de darm, want de meeste grassen bevatten silicaten, waardoor ze voor veel andere dieren onverteerbaar zijn) en de grassen deze aanpassing ontwikkelden, konden zich in vrij droge klimaten natuurlijke graslanden met de bijbehorende hoefdierenfauna ontwikkelen: de steppe, poesta, prairie, pampa, allemaal ecosystemen die horen bij een tamelijk droog klimaat. Bovendien hebben grassen zich aan uiteenlopende milieus aangepast. Op de zuidpool groeien twee soorten hogere planten, één daarvan is een gras. Hoog in de bergen komen grassen voor, zelfs het alledaagse schapengras is op 5500 meter hoogte in de Himalaya aangetroffen. Een Brits botanicus (Chaloner) beschrijft het als een soort sprookje, ongeveer zo: De grote grasvlakten van de savanne en de prairie hadden zich al gevormd. Ze waren bevolkt door grote aantallen hoefdieren en andere zoogdieren, maar het wachten was nog op een weldoende fee, die de grassen zou zegenen, die de bossen zou kappen en de bodem vrij zou maken van concurrenten en van struikgewas en die de zaden over de wereld zou dragen. Toen verscheen Homo sapiens, precies op tijd. De glorietijd was aangebroken. De agressieve mensen begonnen direct de bossen te verwijderen en grote vlakten vrij te maken voor de grassen, waarop ze hun vee lieten grazen. Sommige grassen kozen ze uit tot hun hoofdvoedsel en die plantten ze op de meest vruchtbare gronden. De sappige soorten plantten ze in hun steden en in hun tuinen. De familie der grassen met 10 000 soorten en die van de Hominiden met maar één soort waren wederzijds afhankelijk geworden. De mensen zeggen in de taal van hun geschiedenis dat ze de grassen gedomesticeerd hebben, maar in de taal van de ecologie zouden de grassen met evenveel recht kunnen zeggen dat ze de ‘naakte aap’ gedomesticeerd hebben. Over de voortplanting van grassen
De voortplanting van grassen gebeurt onopvallend, maar zeer efficiënt. Hier geen felle kleuren of verleidelijke geuren, zoals bij veel zaadplanten. De bloemknop ontstaat veilig binnen de omhulling van de bladeren, de stengel (halm) kan vervolgens in hoog tempo opschieten en de bloempjes aan de lucht blootstellen. Miljoenen stuifmeelkorrels zweven in de wind (tot verdriet van hooikoortspatiënten). Zij komen uit de drie meeldraden en worden als het goed is opgevangen op de veervormige stempel van een soortgenoot. Dit gebeurt willekeurig, maar bij veel grassoorten heeft de plant een middel om direct op de stempel te onderscheiden tussen eigen en andermans stuifmeel. Alleen andermans stuifmeel wordt geaccepteerd, zodat zelfbestuiving niet kan plaatsvinden. Bij andere soorten, zoals tarwe, gaat de bloem nooit open zodat er alleen zelfbestuiving kan plaatsvinden. Veel grassen hebben ook systemen van ongeslachtelijk voortplanting, vooral door onder of boven de grond horizontale uitlopers te vormen. Onze gazons zijn het product van zo’n systeem: een samenhangend stevig tapijt, waarin andere planten nauwelijks een kans krijgen. Er zijn zelfs levendbarende grassen: zij vormen aan hun top geen zaden maar miniatuur-kloontjes die loslaten en op de grond verder groeien. Grassen zorgen ervoor dat hun zaden op het juiste moment ontkiemen. Meestal gebeurt dat niet direct, maar nadat aan een ‘voorgeschreven programma’ is voldaan: sommige soorten kiemen in koel weer, maar alleen als er een periode van hoge temperatuur aan vooraf is gegaan (dus in de herfst). Andere juist na een koude periode, dus in het voorjaar. Er zijn soorten die alleen in het donker kiemen, maar pas bij een bepaalde afwisseling van warmte en koude. Deze zullen meestal kiemen als de plek waar ze onder de grond terecht gekomen zijn kaal is geworden (een plantendek houdt de temperatuur vrij constant). Dit zijn soorten die opkomen waar een kaal stuk grond is ontstaan. Dergelijke zaden kunnen vaak vele jaren kiemkrachtig blijven. Graszaden zijn vaak licht, ze zweven gemakkelijk en tot grote hoogte, waardoor ze grote afstanden kunnen afleggen. Andere soorten reizen in de vacht of maag en darm van dieren. Toen de Europeanen in de 16de eeuw de wereld veroverden brachten ze Europese grassen overal waar ze kwamen. Niet alleen de mensen koloniseerden de wereld, de grassen deden hetzelfde. De oudste aanwijzingen dat er reguliere landbouw werd bedreven zijn gevonden in de ‘vruchtbare halvemaan’ in het huidige Irak. Er zijn resten gevonden van gekweekte soorten, gerst, emmer en eenkoren (primitieve tarwesoorten), peulvruchten (erwten, linzen en kekererwten) en vlas. Deze stammen uit de tijd tussen 10 000 en 8 500 jaar voor Christus. Vondsten van tamme geiten en schapen stammen uit niet veel later tijd. Het lijkt erop dat in zeer korte tijd gemengde landbouw (met granen, vlas en kleinvee, maar mogelijk ook al snel runderen) is ontwikkeld en over Europa en centraal Azië verspreid. Men spreekt wel van de Neolithische revolutie maar het is waarschijnlijker dat de overgang geleidelijk heeft plaatsgevonden zoals we verderop zullen zien.
Door het droge klimaat blijft in het oorspronggebied van de landbouw veel bewaard; vooral waar huizen afgebrand zijn vindt men nogal eens verkoolde graankorrels terug die nog gedetermineerd kunnen worden. Waarom mensen aan landbouw begonnen is niet duidelijk. De oorzaak zou kunnen liggen in een sterke bevolkingsgroei, maar die kan ook juist een gevolg zijn geweest. In elk geval staat het vast dat in de voorafgaande tijd het klimaat op aarde grillig was; dat toen de laatste IJstijd juist voorbij was; en dat het de afgelopen 10 000 jaar op aarde erg rustig en zacht is geweest qua klimaat. Niemand weet of er niet al eerder kleine pogingen zijn geweest die door grillen van het klimaat en daardoor sterfte onder de mensen weer snel de kop werden ingedrukt. In het gebied waar de eerste landbouw zich ontwikkelde werd het klimaat na 11 000 jaar geleden gunstiger: warmer en minder droog, mogelijk de oorzaak van die bevolkingstoename. De landbouw verbreidde zich in de volgende millennia en bereikte rond 5 500 jaar geleden ons land, en niet veel later ook de Britse eilanden en Zuid-Scandinavië. Waarom een volk van jagers-verzamelaars zich in korte tijd ‘bekeerde’ tot het boerenleven is niet duidelijk. Het beeld is dat jagers-verzamelaars een hard en onzeker leven leidden, maar dat is veel minder waar dan tot voor kort gedacht werd. Ons deel van Europa was nog bedekt met bos waarin veel wild rondliep en waar ook ander voedsel te vinden was: hazelaars en eiken groeiden overal. Door stukken bos af te branden werden open velden gecreëerd die wilde zwijnen, herten en oerossen lokten. Hazelaars overleven die branden gemakkelijk door nieuwe spruiten. Ook heesters als meidoorn, sleedoorn en braam groeiden op die plekken naast planten als melde, varkensgras, muur en hardbloem, die we nu als onkruid beschouwen maar toen voedsel waren. Het lijkt zo romantisch, een klein boerderijtje met strooien dak, omgeven door wat veldjes en een weitje. Maar de werkelijkheid is anders. Het leven van een zelfvoorzienende boer is hard. Terwijl een jager-verzamelaar niet meer dan twee of drie uur per dag hoeft te werken voor de kost, is dat voor een stenen-tijdperk-boer zeker tien uur of meer. Nu we dit weten, kan niemand meer volhouden dat de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw een abrupte was: de jagers en verzamelaars hadden misschien al duizenden jaren de gewoonte om te zorgen dat er voedselplanten groeiden op de plekken waar ze regelmatig langs kwamen, en de vroege boeren haalden nog heel wat uit het omringende landschap. Het is bekend dat de aboriginals van Australië, die volgens het gangbare beeld geen landbouw kenden en dus ‘erg primitief’ waren, langs hun routes bijvoorbeeld meloenen zaaiden en daar op het moment dat de vruchten rijp waren, weer langs kwamen om ze te oogsten, en ook rivieren afdamden om in de afgesloten delen vissen te ‘kweken’. In hun omgeving werd de bevolkingsdichtheid nooit zo groot dat er een noodzaak ontstond om landbouw te gaan bedrijven. Bovendien groeiden er waarschijnlijk ook minder soorten die zich daarvoor zouden lenen. Volgens Harvey was het ook niet zo dat het inzaaien van tarwe en gerst en het houden van vee het einde betekende van een nomadische levenswijze. De overgangsfase zou aangeduid kunnen worden als ‘gebonden mobiliteit’: de mensen zouden in die tijd in groepjes als nomaden zijn rondgetrokken en op gezette tijden in de seizoenen op bepaalde plaatsen zijn geweest, bijvoorbeeld als het graan rijp was of als er veel jong gras was voor het vee. Men kan zich voorstellen dat er op vaste tijden feesten werden gehouden, waarbij verwanten bijeenkwamen en hun rituelen uitvoerden. In Engeland zijn op sommige plekken grote hoeveelheden dierlijke botten gevonden, bij neolithische aardconstructies. Hier vindt men ook menselijke beenderen, potscherven, gereedschappen, enz. De dierlijke beenderen op die plekken waren alle afkomstig van vrouwelijk rundvee, wat het vermoeden wekt dat de koeien vooral om de melk werden gehouden, terwijl alleen bij feesten ook rundvlees werd gegeten. Waarschijnlijk kenden ze manieren om melk te verwerken (zoals tot kaas, yoghurt etc) wat ook bij tegenwoordige nomadische rundveehouders (Masai) het geval is. Daarnaast moet toen de natuurlijke selectie hebben plaats gevonden waardoor een groot deel van de mensen in Noordwest-Europa melk kan verdragen. De rest van de wereldbevolking verdraagt melk alleen tijdens de eerste levensjaren. Het enzym dat melksuiker afbreekt (lactase) wordt daarna niet meer gevormd. Alleen in culturen waar mensen melk drinken blijft dit enzym bij 90 procent levenslang aanwezig. Met name op de Britse eilanden lijkt de halfnomadische levenswijze lang voortgezet zijn. Daarvan getuigen ook de vele aarden constructies die daar nog steeds te vinden zijn. Boeren die een stuk grond in eigendom hebben hechten aan eigendom en familie; voor de neolithische half-nomaden was juist het landschap belangrijk: hun identiteit hing af van landschap en niet van een plek. We kunnen ons voorstellen dat zij tijdens de jaarlijkse clanbijeenkomsten gezamenlijk aan het werk gingen om een grafmonument voor een gestorven leider op te richten, dat meteen een rituele plek voor de clan werd. Uit vondsten blijkt dat een dode eerst door blootstelling aan de natuur ontvleesd werd en dat pas daarna over de beenderen een grafheuvel werd opgericht (dit blijkt uit het feit dat de kleine botjes verdwenen zijn).
Onze voorouders in het Stenen Tijdperk, gebonden aan graslanden en grazige open plekken in de eindeloze wouden - eerst voor het jagen op grazers en later voor het houden van gedomesticeerde grazers - leefden in grote vrijheid, kenden rituelen en feesten, speelgoed voor hun kinderen, vermoedelijk druggebruik (er zijn sporen gevonden van gebruik van bilzekruid (Hyoscymanus niger, een giftige plant, die in lage dosis hallucinerend werkt)). Ze kenden geen privé-eigendom, het land was van wie er leefde. Vanaf ongeveer 6 000 jaar geleden waren onze voorouders meestal boeren met een heel andere leefstijl, maar onze genetische opmaak stamt van de vele tienduizenden jaren daarvoor. Nog altijd voelen we de drang om van huis te gaan om echte vrijheid te voelen, om door het groene landschap te zwerven en dat aan te duiden als de “vrije natuur”. Hoe weten we waar het gras groeide? Pollenanalyse Stuifmeelkorrels
(pollen), vooral de soorten die door de wind verspreid worden, hebben een harde
huid die vrijwel niet vergaat, met een voor elke soort karakteristiek patroon.
Naaldbomen als den en spar, loofbomen als eik en els, en grassen kunnen goed
onderscheiden worden. Windbestuivers produceren enorme hoeveelheden pollen, die
dus overal terecht komen. Vooral in veenbodems en op de bodem van meren kunnen
stuifmeelkorrels duizenden jaren bewaard blijven. Door uit de lagen van een dergelijke bodem de percentages naaldbomen, loofbomen en grassen vast te stellen heeft men bijvoorbeeld exact de afwisseling van ijstijden en interglacialen kunnen vaststellen.
Hoe weten we hoe oud een laag is? Dendrochronologie of jaarringenonderzoek. Dit is de wetenschap die zich bezighoudt met het dateren aan de hand van in de houten voorwerpen herkenbare jaarringen.
Bomen, vooral die in een gematigd klimaat, hebben een wisselende groeisnelheid van de buitenste laag van de stam (de diktegroei gebeurt alleen aan de buitenkant). Onder gunstige omstandigheden groeit de boom snel en zijn de houtvaten groot en wijd; is het weer slechter dan worden ook de vaten kleiner en de laag dichter en donkerder van kleur. In de winter vindt er vrijwel geen groei plaats. Op de doorsnee van een stam zijn deze verschillen zichtbaar als lijnpatronen die concentrische ringen vormen. Hierdoor kan men aan een omgezaagde boom zien op welke leeftijd deze is geveld door het aantal ringen van de rand naar het centrum te tellen. Er kan echter verder onderzoek worden gedaan. In droge en natte jaren, of in koude en warme, zullen bomen jaarringen van verschillende dikte vormen. Hierdoor ontstaan bij bomen in hetzelfde gebied sequenties van dikke en dunne jaarringen die, omdat die bomen aan dezelfde klimaatomstandigheden zijn blootgesteld, van boom tot boom vergelijkbaar zijn. Deze patronen kunnen worden vastgelegd door een doorsnee van het hout onder de microscoop te leggen en de breedte van iedere jaarring nauwkeurig op te meten. Door nu een stuk oud hout van onbekende leeftijd te leggen naast een jaarringensequentie van een oude boom van bekende leeftijd (bijvoorbeeld verkregen door een boorkernmonster uit een zeer oude, nog levende boom) is het vaak mogelijk het patroon van het monster van onbekende datering te passen op dat van bekende datum. Daarmee is dan het tijdvak bekend waarin het onbekende stuk hout is gegroeid. Als het onbekende stuk hout (bijvoorbeeld een in een veenmoeras opgegraven stam) daarnaast ook nog jaarringen vertoont die ouder zijn dan het bekende stuk, is de dateringskalender daarmee meteen weer een stuk uitgebreid. Voor sommige streken zijn op deze wijze sequenties geconstrueerd die dateringen van meer dan 10 000 jaar geleden mogelijk maken. In prehistorische nederzettingen worden vaak paalgaten gevonden waarin balken hebben gestaan die de huizen overeind hielden. Als hierin nog jaarringen herkenbaar zijn is de nederzetting daarmee zeer nauwkeurig te dateren. Grasland als natuurlijk ecosysteem De
prairie
Waar een klimaat te droog is voor bos en te vochtig voor woestijn hebben zich graslanden ontwikkeld, (prairies, steppen, pampa’s). Deze vormden rijke ecosystemen met een hoge mate van aanpassing aan een vrij droog klimaat en een geweldige productiviteit. Deze zijn tegenwoordig voor een groot deel omgezet in landbouwgronden. Het bekendst is de geschiedenis van de prairie. Deze nam ooit een belangrijk deel van de huidige VS in beslag. Nu zijn er slechts resten van over. De landbouw op die bodem levert een belangrijk deel van de wereldgraanproductie, maar wel met gebruikmaking van grote hoeveelheden fossiele brandstoffen en dankzij een hoog ontwikkeld irrigatiesysteem, dat de ondergrondse waterreservoirs in hoog tempo uitput. Toen de Europese kolonisten in Noord Amerika de oostkust bevolkt hadden en langzamerhand het westen begonnen in te nemen hielden ze stil bij de grens van de eindeloze grasvlakte, het prairiegebied dat het hart van de huidige VS vormt. Volgens hun ervaring en cultuur was een dergelijk landschap onbewoonbaar. Ze hadden al twee eeuwen bossen open gekapt, natuurlijke weiden langs de rivieren gebruikt en kleinere prairies ontgonnen, maar de echte prairie werd gezien als een woestijn, waar weinig mogelijk was. Hout was immers onmisbaar voor het bouwen van huizen en meubels en bomen waren noodzakelijk als bescherming tegen de winterstormen. Hoe zou iemand kunnen leven op land dat te arm en te droog is voor bomen? Op kaarten uit die tijd staat dan ook: “The Great American Desert”. Maar dit was geen woestijn. Zon, wind en vuur hadden hier in miljoenen jaren een ecosysteem geschapen met een productiviteit die moderne landbouw niet bereikt. De evolutie had een vegetatie opgeleverd die de zonne-energie uiteindelijk wist om te zetten in voldoende voedsel voor grote aantallen dieren, zoals de ondergronds levende ‘prairiedog’, en grazers waarvan de bizon de belangrijkste was. Naar schatting leefden er in 1860 ongeveer zestig miljoen bizons in enorme kuddes. Reizigers hadden soms te paard vijf dagen nodig om een enkele kudde tijdens de voorjaarstrek te passeren. Toen de kolonisten hun angst overwonnen, zich in plaggenhutten op de prairie vestigden en met hun moderne stalen ploegen de prairie te lijf gingen werd het gras vervangen door maïs en tarwe. In een halve eeuw was het gebeurd: de vruchtbare bodem die door het gras in duizenden jaren ontwikkeld was verdween in een gigantische stofwolk die zelfs Washington DC verduisterde, juist toen het Congres zich boog over een plan om de bodem te beschermen: de ‘dustbowl’ in de jaren ’30 van de 20ste eeuw betekende de ondergang voor duizenden boeren. Het prairielandschap is ontstaan door het oprijzen van de Rocky Mountains vanaf 60 miljoen jaar geleden. In die tijd was het centrale deel van Noord-Amerika een ondiepe zee.. De geologische krachten die de Rocky Mountains deden ontstaan tilden ook dit gebied op, zodat er een flauwe helling vanaf het gebergte tot aan de Mississipi ontstond, De zeebodem werd opgevuld van erosiemateriaal van het gebergte, gruis afkomstig van de gletsjers en löss, ook een ijstijdproduct dat in de ijstijd door wind werd aangevoerd. Door het gebergte in het westen werd het klimaat droog, vooral in het westelijk deel, waar een korte grassoort overheerste. Naar het oosten was het minder droog en groeiden vooral hogere grassen, tot manshoog ‘tallgrass’. Verder zorgden regelmatig optredende prairiebranden ook voor de ontwikkeling van de vegetatie: grassen profiteren daarvan omdat hun groeipunten in de grond zitten. Van andere soorten krijgen de zaden de kans om te ontkiemen na een brand. Struiken en andere grotere planten overleefden die branden niet. De prairie-indianen kenden die prairiebanden als de “red buffalo”, en maakten er ook wel gebruik van om het gras te verjongen voor de grazers waarvan ze leefden. Die grazers speelden ook hun rol in de ontwikkeling van het ecosysteem: door selectief te grazen zorgden ze ervoor dat de vegetatie gevarieerd bleef en het gras zich steeds kon verjongen. De grote bizonkuddes migreerden over grote afstanden, zodat de begroeiing alle tijd had om zich te herstellen.
Terwijl de grassen de grootste biomassa vormden, vormden de kruiden, die als struiken in een bos de ondergroei vormden, de grootste biodiversiteit Op een stuk prairie konden wel vierhonderd verschillende soorten planten groeien. De vele bloeiende planten gaven de prairie kleur van april tot september. Juist die grote diversiteit maakte de prairie zo productief. Verschillende bladvormen maken op verschillen manieren optimaal gebruik van het zonlicht. De verschillende bloeitijden en bloeiwijzen zorgen voor een rijk insectenleven. De grote variatie in wortelvormen maakt dat de bodem intensief wordt gebruikt en het plantentapijt de bodem optimaal beschermt: grassen vormen horizontaal vertakte netwerken, die een aaneengesloten tapijt vormen, andere soorten sturen hun wortels dieper de grond in (tot 10 meter!) om water omhoog te pompen, sommige reiken zelfs tot aan het grondwater. Bij langdurige droogte sterven de oppervlakkig wortelende planten af, maar die kunnen uit zaden, die in de grasmat blijven liggen, snel weer terugkeren. Intussen houden de diep wortelende soorten de bodem vast en de diepere lagen vochtig. Tweederde van de plantenbiomassa van de prairie zit onder de grond. De wortels in één vierkante meter kunnen samen een lengte hebben van dertig kilometer. Een rijke microfauna zorgt voor het recyclen van al het materiaal. Tussen al die wortels leven miljarden diertjes, wormen, duizendpoten, en verder eencelligen, schimmels en bacteriën. Die spelen een veel grotere rol dan men tot voor kort wist. Ook daar zijn soorten vaak kieskeurig in hun voedselkeuze. Over het ondergrondse deel van het ecosysteem is nog niet veel bekend. Wel wordt duidelijk dat dit niet vanzelf terugkomt als landbouwgrond weer ‘aan de natuur wordt teruggegeven’. Een eeuwenoud grasland, zoals een intacte prairie, bevat ondergronds een dikke laag rijke humus, die letterlijk de voedingsbodem vormt voor het rijke ecosysteem. Deze laag is onder gras veel rijker dan in een bos, waar een groter deel van de biomassa in het hout zit. In 1953 schreven S. Archer en C Bunch (in: The American Grass Book): Grasland is in vergelijking met andere vegetatietypen de belangrijkste producent van vruchtbare grond. Gras is de onmisbare levensvorm zonder welke de beschaving, zoals wij die kennen, niet zou bestaan.” Het gras van de prairie zorgde dat deze woestijn kon bloeien. De plaggenvormende grassen zorgen voor een humuslaag van 20 cm waarin de mineralen en het water werden vastgehouden. De weinige neerslag werd daar vastgehouden; de grond eronder bleef als regel kurkdroog.
De prairie werd bevolkt door vijf soorten ‘prairiedogs’ (grondeekhoorns, met een deels ondergrondse levenswijze) en meer dan 130 andere soorten gewervelden, die er op de een of andere manier mee samenleven (door er op te jagen of hun holen te gebruiken), Verder grote aantallen insecten. Sommige daarvan zijn in de landbouw bekend als plaagdier (sprinkhanen), maar in de natuurlijke prairie kunnen ze weinig kwaad: ze houden zich aan bepaalde soorten en kunnen de prairie niet kaal vreten. De meest opvallende bewoners was de bizon, waarvan er zoveel rondliepen dat hun gezamenlijke gewicht groter was dan dat van alle menselijke inwoners van de VS en Canada vandaag de dag. Daarnaast leefden er 50 miljoen gaffelantilopen (‘pronghorn’), herten, wolven, beren, enz. Ondergronds leefden er hoeveelheden ‘lagere dieren’ die samen nog een grotere massa vertegenwoordigden dan al die grote dieren. Zonder bemesting en in een klimaat met een geringe en onregelmatige neerslag produceerde dit gebied een hoeveelheid biomassa die groter was dan de moderne intensief beheerde landbouwgronden nu. De ‘founding fathers’ maakten al vroeg hun plannen om de binnenlanden van Noord-Amerika te ontginnen. Elke boer zou een lap grond krijgen van gelijke afmetingen en er zou vanzelf een democratisch volk ontstaan: ieder was immers even rijk. “Men hoefde maar vierkanten op de kaart te tekenen en zakken Europees zaad uit te delen om het land te ontwikkelen. Van verschillen in ecosysteem of neerslag had niemand enig idee. De inheemse bevolking leefde niet als nomaden wegens de droogte, maar uit domheid.” (aldus Richard Manning in GRASSLAND) De prairie stroomde vol met voormalige slaven, veteranen van de burgeroorlog en anderen. Zij vervingen de prairiegrassen door andere grassen: tarwe en maïs. Nadat de vruchtbaarheid die in duizenden jaren was opgebouwd, uitgeput raakte bleek de opbrengst in dertig jaar met driekwart terug te lopen en het gehalte organische stof in de bodem gehalveerd. De jaren van rijke oogsten hadden intussen wel de boeren in Europa aan de bedelstaf gebracht. Tegelijk werden op andere delen van de prairie grote kudden Europese runderen gehouden op land waar het juist uitgevonden prikkeldraad de dieren op hun plaats hield. Ze konden niet naar nieuwe weiden trekken als een stuk afgegraasd was, Ook hier werd het ecosysteem vernietigd, verdween de humuslaag grotendeels en< daarmee de vruchtbaarheid van het land. Toen rond 1930 wat er over was van de droge bovenlaag weggeblazen werd uit de ‘dustbowl’ gaf men de droogte de schuld – maar in deze gebieden was droogte normaal. De natuurlijke vegetatie was er perfect aan aangepast. Tegenwoordig worden er nog steeds grote hoeveelheden graan en vlees geproduceerd op de voormalige prairies - nu overbegraasde weiden en overbelaste akkers - , maar de regering moet wel jaarlijks miljoenen uitgeven voor irrigatie en zonder subsidie, grote hoeveelheden kunstmest en pesticiden lukt het ook niet. Manning: “De Amerikaanse landbouw houdt, met alle inspanning, technologie, subsidies 45 miljoen stuks rundvee in leven in hetzelfde gebied, waar ooit 50 miljoen bizons leefden zonder enige ondersteuning. In bepaalde opzichten betekent dit vee eigenlijk een manier om overtollig graan te onzichtbaar te maken. Er is geen enkele noodzaak om grazers met graan te voeden. Bizons die de basis van de oorspronkelijke economie van het Amerikaanse midden vormden, eten geen graan, evenmin als de Mexicaanse runderen die er driehonderd jaar lang werden gehouden. De gewoonte om vee vet te mesten is niet meer dan dat, een gewoonte. Het resultaat is vetter vlees met veel cholesterol. Zeventig procent van de graanopbrengst van de VS gaat naar een veestapel die de bizons verving – die nooit graan aten. Je vraagt je af waar landbouw eigenlijk toe dient.” De Europese kolonisten waren niet de enigen die van de rijkdom van de prairies profiteerden. Het continent was rond 12 000 jaar eerder in bezit genomen door de paleolithische jagers die via de Beringstraat Amerika binnen kwamen. Zij joegen op mammoeten, wilde paarden, kamelen, bizons, enz. Toen de Europeanen aan de rand van de prairies verschenen leefden er twee typen samenlevingen: langs de rivieren leefden stammen die in aarden huizen woonden en maïs, zonnebloemen, bonen en pompoenen verbouwden. Zij vulden hun dieet af en toe aan met jachtbuit. De open vlakten werden bewoond door nomaden, die in kleine groepen rond trokken en op bizons jaagden. Ze gebruikten alle delen van de dieren. Naast voedsel en huiden voor hun tenten en kleding gebruikten ze de botten, hoorns, haar enz. voor het vervaardigen van al hun benodigdheden. Deze twee culturen hadden sinds onheugelijke tijden naast elkaar geleefd. De komst van de Europeanen betekende voor beide het einde, maar de prairie-indianen beleefden nog een korte glorietijd voor ze het veld moesten ruimen: toen paarden vanuit midden Amerika op de prairie verschenen, (door verwildering, diefstal of handel) leek het of de indianen direct hun mogelijkheden zagen. Boerenstammen gaven hun leefwijze op en werden (weer) echte jagers, en de nomaden zagen hun mogelijkheden en pasten hun gewoonten aan het leven te paard aan. Maar dat duurde niet lang: tegen het eind van de 19de eeuw was de bizon vrijwel uitgeroeid en het land in bezit genomen door de kolonisten. Twee onderzoekers van de Rutgers Universiteit hebben vastgesteld dat een groot gebied in het westen (waar nu 400 000 mensen van allochtone afkomst wonen) altijd verlies hebben opgeleverd sinds het van de indianen werd afgenomen. Zij (en anderen) stellen vast dat dit gebied economische gezien altijd een verliespost zal blijven en stellen voor het – na een mislukt experiment van 150 jaar – nu terug te geven aan de grassen en de bizons. Graslanden in ons land Nadat het landijs zich in onze streken had teruggetrokken veranderde de toendra langzaam in gemengd bos, de natuurlijke vegetatie voor ons type klimaat. De geleerden zijn het er nog altijd niet over eens hoe open die bossen waren. Het traditionele beeld is dat dit deel van Europa tot de komst van de landbouw bedekt was met enorme wouden, waarin de jagende en verzamelende mens zich bezig hield met de jacht op herten en zwijnen en eventueel visvangst, naast het verzamelen van noten en bessen. Volgens ir. Vera klopt dat beeld niet. De grote grazers (oerossen, elanden, en dergelijke) hielden - doordat ze jonge boompjes opaten - open plekken in stand, waardoor de begroeiing veel gevarieerder zou zijn geweest. Op deze theorie berust het moderne beheer van natuurgebieden, waar konikpaarden, runderen als Schotse hooglanders en Heckrunderen (teruggefokte oerossen) en eventueel schapen door hun graaswerk voor open plekken in het bos zorgen.
Grassen, die in de IJstijd een belangrijk onderdeel vormden van de toendrabegroeiing, werden teruggedrongen door de ontwikkeling van de loofbossen. Langs de kust en de grotere rivieren zullen altijd wel graslanden zijn geweest. Door veel wind en regelmatige overstromingen kregen de bossen daar geen kans. Toen de mens in het Pleistoceen stukken land in gebruik nam als weidegrond zal door kappen, branden en begrazen een savanneachtig landschap zijn ontstaan: een mozaïek van grazige plekken en bomen. Op de hogere en arme gronden zal de grond door akkerbouw al gauw uitgeput zijn en een mengsel van heide en gras zijn ontwikkeld, waarop schapen werden geweid. Schapen hebben droge grond nodig, runderen kunnen goed tegen een natte bodem maar stellen wel hogere eisen aan de voedselkwaliteit. Beekdalen en uiterwaarden bleven door regelmatige slibafzetting vruchtbaar en werden gebruikt voor hooi dat nodig werd toen men mest ging gebruiken om de akkers vruchtbaar te houden. De koeien moesten daartoe ’s winters op stal staan. Schapen werden voor de mestwinning ’s nachts op stal gezet. Die stal was eeuwen lang een potstal: de bodem bedekt met een laag stro of heideplaggen, waarop de dieren rondliepen. Tijdens een seizoen werd die laag dus steeds dikker. In het voorjaar werd het mengsel van stro en mest afgevoerd naar de akkers, waarna de dieren het volgend najaar weer op de bodem kwamen te staan. Pas in de negentiende eeuw kwam de grupstal in zwang, waar de koeien vaststonden en de mest in een goot (de grup) werd verzameld en dagelijks afgevoerd. Zowel maaien als begrazing bevorderen de groei van grassen vanwege hun bijzondere ‘groeitechniek’: de groeipunt zit niet aan de top zoals bij andere planten maar aan de voet van de plant. Bovendien kunnen de bladeren van gras goed tegen betreding. Voor de instandhouding van grasland is bemesting nodig. Als een grasland beweid wordt gebeurt dit deels vanzelf door de grazers, maar natuurlijk wordt een deel van de mineralen afgevoed met het vlees of de melk. De gedeponeerde mest en de dode plantendelen worden in de grond gewerkt door grote aantallen bodemdieren, vooral regenwormen waarvan er in een goede wei vele honderden per vierkante meter voorkomen. Voordat de boeren bemesting kenden, verarmde de bodem en moesten ze na verloop van tijd een nieuw stuk in gebruik nemen. De variatie in bodemtoestand werd vergroot door meer en mindere uitputting van de grond. Graslanden waren nooit bedekt met alleen grassen. De moderne weiden worden door ecologen “ecologische woestijnen” genoemd. Tussen de grassen stonden bijvoorbeeld vlinderbloemigen (o.a. klaversoorten) die door hun wortelknolletjes de stikstofrijkdom van de bodem vergrootten (tegenwoordig in gebruik als groenbemester). Die zijn ook aantrekkelijk voor grazers, want voedzaam. Andere soorten werden juiste gemeden omdat ze stekelig zijn (distels), een sterke geur verspreiden (veel lipbloemen, zoals dovenetels en hondsdraf) of giftig (boterbloemen, kruiskruiden). Deze planten bleven dan staan en vormden haarden, waartussen ook sommige grassen kans zagen om zaden voort te brengen. (Terzijde: dit zijn ook de plekken waar in begraasde natuurgebieden boompjes een kans krijgen, bijvoorbeeld tussen meidoorns.) De uitvinding van kunstmest in de 19de eeuw maakte een enorme toename van de productiviteit mogelijk. Daarvoor was stikstof in de bodem meestal een beperkende factor. Ondanks het feit dat onze atmosfeer voor 80% uit stikstof bestaat. Geen enkel hoger organisme, dus ook geen plant, is in staat om gebruik te maken van die atmosferische stikstof. Daarvoor zijn alle levensvormen afhankelijk van bacteriën die het juiste enzym bezitten. (En van dat enzym is op de hele aarde naar schatting maar 12 kilo aanwezig!) Fosfaat, de tweede belangrijke meststofdie beperkend kan werken, wordt vooral gewonnen op plekken waar grote concentraties zijn ontstaan doordat (zee) vogels op bepaalde plaatsen duizenden of zelfs miljoenen jaren hun uitwerpselen hebben gedeponeerd. Die fosfaten worden over de wereld versleept en komen in bodems, in grondwater en oppervlaktewater terecht, waar ze grote problemen veroorzaken. Intussen wordt (vergelijkbaar met aardolie) de voorraad snel opgebruikt, zodat over enkele eeuwen of eerder een tekort zal ontstaan. Moderne weiden zijn bijna uitsluitend begroeid met Engels raaigras, dat koeien erg graag eten, maar waarvan ze wel levenslang diarree hebben. Waar runderen in natuurgebieden van een vezelrijkere en gevarieerdere vegetatie kunnen grazen zien de ‘koeienvlaaien’ er heel anders uit. Doordat weiden regelmatig gescheurd worden, krijgen diverse onkruiden (vogelmuur, ridderzuring, kweek e.d.) een kans. Moderne weiden hebben niets meer gemeen met de vroegere bloemrijke hooilanden. Het zijn eerder soortenarme raaigrasakkers. Slechts op enkele plaatsen in ons land zijn weiden behouden als ‘natuurgebieden’: enkele kalkgraslanden in Zuid-Limburg, blauwgraslanden in het Hollandse poldergebied, vochtige weilanden op Texel die beschermd worden als vogelbroedgebied. Bermen zijn in ons land nog vaak refugia (vluchtplaatsen) voor graslandvegetaties. Sinds men bermen niet meer bemest, maar juist verarmt door het maaisel af te voeren, zijn ze de laatste decennia steeds soortenrijker en fraaier geworden. Herstel van natuurlijk grasland Omdat door overbemesting veel wilde planten verdwijnen, is het gebruikelijk om bij ‘natuurherstel’ (of het ‘teruggeven van het land aan de natuur’) gebruikelijk om jaren lang te plaggen, maaien en verschralen. Als de grond dan maar weer arm genoeg wordt zou de oorspronkelijke diversiteit vanzelf terugkeren. Een bekende slagzin in de biologie is “Alles is overal, alleen het milieu selecteert”. Er wordt van uitgegaan dat zaden van wilde planten hun kiemkracht zeer lang behouden, en dat is ook het geval. Toch blijkt die ‘nieuwe natuur’ vaak erg armzalig te blijven. Grote grazers worden ingezet om een natuurlijker ecosysteem te krijgen, maar ook dat werkt blijkbaar niet. Recent onderzoek wijst uit dat de ondergrondse ‘grazers’ minstens even belangrijk zijn als de bovengrondse. Allerlei kleine diertjes, zoals miljoenpoten, wormen, mijten, springstaarten vormen een deel van het ecosysteem waar we nog weinig van weten, maar dat in elk geval onmisbaar is. Sommige soorten vreten bijvoorbeeld aan de wortels van bepaalde plantensoorten, waarmee ze voorkomen dat deze gaan woekeren. Uitbreiden van een blauwgrasland aan de rand verloopt als regel vlot, maar het ontwikkelen van een natuurlijk soortenrijk grasland op een nieuwe plek werkt niet, ook al brengt men met maaisel uit natuurgebieden de juiste zaden aan. Er is nog veel onderzoek nodig, maar het lijkt erop dat er ook zoden met levende bodemfauna verplaatst moeten worden. Verder zullen beheerders en bezoekers moeten leren om veel meer geduld te hebben: ecosystemen hebben duizenden jaren de tijd gehand om zich te ontwikkelen. Die kun je niet in een paar jaar opnieuw ‘maken’. Domesticatie
van grassen Grassen in de landbouw Bij domesticatie denkt men eerder aan dieren dan aan planten, maar de term wordt ook gebruikt voor de ontwikkeling van de landbouwgewassen. Tijdens het domesticatieproces wordt een soort beter geschikt voor gebruik door de mens – meestal zullen het planten geweest zijn dia al lang door de mensen werden verzameld. De veranderingen die samengaan met de domesticatie zijn o.a.:
Domesticatie is een evolutieproces waarbij de mens door zijn selectie een populatie dwingt tot snelle verandering. Bij de granen ontstond vaak polyploïdie (verdubbeling van het genoom, vaak ook nog eens herhaald, tarwe heeft vier of zelfs zes stel chromosomen in plaats van twee). Hierdoor wordt de plant forser en steviger. Na domesticatie volgt veredeling: doordat de mens verder kweekt en kruist met de beste exemplaren wordt de soort geleidelijk verbeterd.
Het meeste plantaardige voedsel van de mens komt van een twintigtal soorten, en dat is al eeuwen lang het geval. Mensen lijken al heel vroeg de meest geschikte soorten gevonden te hebben. Verreweg het meeste voedsel van de mensheid komt van grassen: tarwe, rijst en maïs vormen wereldwijd het hoofdvoedsel van onze soort. Lokaal spelen nog een paar andere grassen een hoofdrol (gierst in drogere gebieden, vroeger op armer gronden in noordwest Europa rogge). Grassen hebben een paar grote voordelen: ze zijn snelgroeiend en weinig eisend, leveren per plant veel zaden. Die zaden bevatten weinig vocht waardoor ze goed te bewaren zijn, en bevatten hoogwaardige voedingsstoffen. GRANEN De grote drie: Tarwe (Triticum) Oude tarwesoorten zijn Eenkoren (nu nog wel gekweekt als veevoer), Emmer, ontstaan door bastaardering van twee wilde soorten in Syrië/Palestina lange tijd de belangrijkste vorm in Europa, Harde Tarwe (Triticum durum) nog steeds veel gekweekt voor pastaproducten en Spelt (ook wel Dinkeltarwe genoemd). Spelt is hexaploïde (zes stel chromosomen). De belangrijkste soort tegenwoordig is Broodtarwe (Triticum aestivum), ook hexaploïde en door bastaardering ontstaan. Broodtarwe onderscheidt zich van de andere soorten door een hoog gehalte aan gluten, Dit zorgt voor een zekere mate van kleverigheid van het deeg, waardoor de belletjes CO2, die bij gisting ontstaan blijven zitten en het deeg kan rijzen. Rijst (Oryza) Bijna de helft van de wereldbevolking heeft rijst als hoofdvoedsel. Rijst is een tropische plant die in de groeiperiode veel water nodig heeft. In zuidoost Azië wordt de meeste rijst in het water gekweekt (sawa’s). Dit heeft het voordeel dat er nauwelijks onkruiden tussen het graan groeien en ook dieren die de oogst zouden kunnen opeten, wegblijven. Het is een zeer arbeidsintensieve kweekmethode: de planten worden op een zaaibedje voorgekweekt en dan met de hand in de sawa uitgeplant, dat betekent 10 tot 12 mensdagen per hectare. Maar rijst groeit snel; er kunnen twee, soms drie oogsten per jaar worden behaald, waarmee per hectare 10 mensen gevoed kunnen worden. Het kweken op sawa’s, vaak op terrassen op de berghellingen vereist een intensieve samenwerking voor bevloeiing en waterbeheersing. Gebieden waar men rijst nat teelt kennen een hechte sociale structuur. Ongetwijfeld heeft de rijstcultuur veel bijgedragen aan het ontstaan van hoog ontwikkelde beschavingen in zuidoost Azië. 'Wilde rijst’ (Zizania aquatica) is helemaal geen rijst. Het is een moerasgras dat door de Indianen in Noord-Amerika in het wild werd verzameld. Het heet dan ook wel ‘Indianenrijst’. Maïs (Zea mays) Maïs is het enige graan dat afkomstig is van het westelijk halfrond. Toen Amerika ontdekt werd door de Europeanen was de maïsteelt daar al hoog ontwikkeld. De wilde vorm is onbekend. De soort moet ontstaan zijn door kruising en domesticatie van wilde soorten, waarop de huidige vorm niet meer lijkt. De maïsplant heeft mannelijke bloemen aan de top en de vrouwelijke bloem opzij aan de stengel, goed verborgen; alleen de stempels zijn zichtbaar tijdens de bloei. De korrels zitten stevig vast en onder een laag schutbladen. Een dergelijke plant zou in het wild nooit zijn zaden verspreid krijgen. Maïs laat zich niet tot brood verwerken. De traditionele vorm waarin men maïs eet in Latijns Amerika is tortilla’s, een soort platte koeken. De maïs die we in ons land op de akkers zien is allemaal bestemd voor veevoer. De ‘oude granen’ Haver (Avena) ziet er met zijn losse pluim heel anders uit dan tarwe, gerst en rogge. Haver is niet in het wild bekend. Het is ook een hexaploïd, ontstaan door bastaardering, hoogst waarschijnlijk ergens in Midden-Europa. Haver kan in koude streken en op arme grond groeien, maar de opbrengst is niet zo hoog. De teelt is de afgelopen decennia sterk achteruitgegaan (ook van gerst en rogge). Haver bevat veel meer eiwitten en vetten dan de andere granen, wordt daardoor tegenwoordig weer gewaardeerd als gezondheidsvoedsel. Gerst (Hordeum) is afkomstig uit dezelfde streek als tarwe (Zuidwest-Azië) en was lange tijd het belangrijkste graan. Pas rond het begin van onze jaartelling werd tarwe belangrijker. Gerst stelt minder eisen aan de bodem, is daardoor vaak het graan van de arme boer geweest. Een derde deel van de wereldoogst is voor bier, jenever en whisky. Verder is het bij ons vooral veevoer.
Rogge (Secale) is waarschijnlijk niet opzettelijk gedomesticeerd, maar als onkruidgraan tussen de gerst gaan groeien. Voor de boer was dat wel gunstig, want als de gerstoogst mislukte had hij tenminste nog een oogst van rogge. Rogge is nog minder veeleisend dan gerst, gedijt goed in arme en koude gebieden. Het bevat veel minder gluten dan tarwe, waardoor roggebrood veel vaster blijft. Gierst Er zijn verschillende grassoorten die gierst worden genoemd (vingergierst uit Oost-Afrika (Eleusine coracana), pluimgierst uit Azië en vroeger Europa (Panicum< miliaceum), parelgierst uit West-Afrika Pennisetum glaucum), sorghum uit Afrika (Sorghum bicolor) en nog een paar soorten). Het zijn granen die plaatselijk nog van belang zijn. Vaak worden ze verdreven door rijst, dat ‘moderner’ is, maar bijvoorbeeld in Oost-Afrika minder goed geteeld kan worden omdat er te weinig regen valt. Inheemse gierstsoorten zouden daar beter gehandhaafd kunnen worden, maar als mensen in contact komen met de moderne wereld willen ze de lokale granen niet meer. Suikerriet (Saccharum officinarum)
Suikers zijn de stoffen waarin alle levende wezens hun energie opslaan en waaruit ze naar behoefte hun energie halen. Daarbij gaat het bijna altijd om glucose, een eenvoudig, klein molecule. Opslag gebeurt als regel in de vorm van grotere moleculen, zoals zetmeel (vooral bij planten) of vetten (vooral bij dieren). Onze gewone suiker, sacharose, bestaat uit een glucose- en een fructose-molecule. Het wordt gewonnen uit twee zeer verschillende planten: suikerriet en suikerbiet. Wereldwijd levert suikerriet 60% van de productie, suikerbiet, groeiend in koeler klimaat, de overige 40%. Suikerriet is het eerst verbouwd in Nieuw-Guinea, waar de wilde oervorm inheems is. Dit is een zeer groot gras dat wel tien meter hoog kan worden. Waarschijnlijk is door kruising met verwante vormen de suikerproducerende soort ontstaan. Al voor onze jaartelling werd in China en India suiker uit suikerriet geproduceerd. Van daaruit verbreidde de teelt zich langzaam naar het westen. In de vroege Middeleeuwen werd de soort als geneeskrachtig beschouwd – vandaar de naam Saccharum officinarum (=apotheeksuiker). Pas vanaf de 15de eeuw werd suiker gebruikt om voedsel smakelijker te maken. Na de ontdekking van Amerika begon men al snel op de Cariben en andere warme gebieden op grote schaal suikerriet te kweken. Dit droeg sterk bij aan de uitbreiding van het slavensysteem: er was niet genoeg inheemse werkkracht voor de suikerplantages. Tegenwoordig wordt vooral in Brazilië een aanzienlijk deel van de suiker omgezet in ethanol voor autobrandstof. Toen tijdens de Napoleontische oorlogen rond 1800 de toevoer van suiker in Europa stagneerde, werd de suikerproductie vanuit suikerbieten in onze streken ontwikkeld. Door protectionistische maatregelen kan de suikerbietenteelt zich tot nu toe handhaven, hoewel suiker uit suikerriet veel efficiënter is. In de tropen is immers veel meer zonlicht, en daardoor intensievere fotosynthese. Het valt dus te verwachten dat door de mondialisering onze suiker in de toekomst weer vooral uit suikerriet zal komen. Grassen als (bouw)materiaal Bamboe (o.a Bambusa)
Bamboe is een gras met een vaak houtachtige holle stengel Er zijn circa 1000 soorten van bekend, oorspronkelijk thuishorend in tropisch of gematigd Azië, tropisch Amerika en enkele soorten in Afrika en Australië. De stengels kunnen bij sommige soorten tot 20 cm dik zijn en 15 meter hoog, van onder tot boven ongeveer even dik. De plant heeft ondergrondse horizontale wortelstokken, waaruit op regelmatige afstanden stengels omhoog groeien. Een stengel begint als een spruit aan de wortelstok die omhoog begint te groeien en in enkele maanden zijn definitieve hoogte kan bereiken. De stengel kan bovengronds vertakken, zodat de plant een boomvorm krijgt. De jonge bamboescheuten zijn goed eetbaar, maar de plant is vooral belangrijk voor ander gebruik. De houtige sterke holle en rechte stengels lenen zich goed voor bouwwerk (steigers), meubels, en kleinere delen voor meubels, muziekinstrumenten, weefwerk, enz. Bekend is dat bamboes eens in de 100 jaar bloeien en dan afsterven, waardoor de reuzenpanda bedreigd wordt in zijn bestaan. Dit verhaal is wat overdreven, Er zijn soorten die elk jaar bloeien of in een cyclus van 20 – 65 jaar. Eén soort in Japan en China bloeit slechts eenmaal per 120 jaar. De meeste soorten kennen wel een massabloei: alle individuen bloeien ongeveer gelijktijdig onafhankelijk van de weersomstandigheden. De bovengrondse delen sterven daarna af, maar meestal lopen de wortelstokken daarna weer gewoon uit. De massabloei betekent dus niet het einde van de populatie. Riet en biezen
In tropische streken levert de plaatselijke flora veel bouwmateriaal: naast bamboe ook palmbladeren en rotans. In het gematigde klimaat is veel minder materiaal te vinden (afgezien van hout). Riet (Phragmites) is een kosmopolitische plant van de (zoet)waterkant. De stengels worden in het najaar of de winter geoogst en in bundels gebruikt voor het dakdekken. Riet werd voorheen speciaal aangeplant, nu wordt het alleen nog geoogst in natuurgebieden. Vroeger was het een goedkoop alternatief voor dakpannen. In andere delen van de wereld worden andere grassen voor hetzelfde doel gebruikt. Biezen behoren tot de cypergrassen. Het zijn strikt genomen geen grassen, maar wel verwant met de grassenfamilie. De mattenbies (Scirpus) heeft taaie sterke stengels die gebruikt worden voor matten, manden en stoelzittingen. De Biesbosch dankt zijn naam aan de aanplant van de mattenbies langs de rivieren. Papyrus (Cyperus papyrus) is ook een cypergras. Zoals bekend waren de oude Egyptenaren de uitvinders van papier, dat ze van de stengels van papyrus maakten Het oudst gevonden materiaal is 5000 jaar oud. Het binnenste merg van de papyrusstengel werd overlangs gespleten, een volgende laag er kruiselings opgelegd en met een houten hamer beklopt. Het materiaal bevat gom dat als plakmiddel dient. Vanaf de 8ste eeuw werd het gebruik van papyrus vervangen door perkament dat van dierenvellen wordt gemaakt – en aan twee kanten beschrijfbaar is. Echt papier bestaat uit losse plantenvezels die van allerlei soorten afkomstig kunnen zijn en vervilt worden. Dit is een Chinese uitvinding van enkele eeuwen voor onze jaartelling. Graseters Onze beschaving zou nooit geworden zijn wat ze nu is zonder de inbreng van een aantal dieren. Onze landbouwhuisdieren zijn vooral graseters (runderen, schapen, geiten) Vooral het paard heeft een grote rol gespeeld, niet alleen als voedsel maar vooral als rijdier, trekdier, en statussymbool. Paarden Al in de steentijd begonnen mensen op het paard te jagen om zich te voeden. Als de jagers een kudde paarden zagen, werd ze naar een moeras of een rots gedreven. Daar wachtten ze tot de dieren in het moeras bleven steken, in de diepte stortten of gevangen werden genomen in een smalle kloof. Eenmaal binnen het bereik van de jachtwapens werden ze gedood. Aan de voet van de rots van Solutré, in Frankrijk, heeft men een grote hoop paardenbeenderen teruggevonden, daterend van ongeveer 18 000 jaar geleden. Ook op andere plaatsen zijn dergelijke verzamelingen paardenbotten gevonden. Toen de vroege landbouwers zich realiseerden dat paarden goed te gebruiken zijn als trek- en rijdier werd de soort gedomesticeerd – en veranderde het leven van de mensen sterk. Plotseling kon men gemakkelijk grote afstanden overbruggen en al gauw werden paarden ook ingeschakeld bij de oorlogvoering. Dat er overal genoeg gras te vinden was voor de paarden, maakte het universele gebruik van dit dier mogelijk. Eeuwenlang speelden paarden een grote rol in de oorlogvoering. Het paard was een belangrijk statussymbool van ridders, koningen e.d. Nog altijd worden we geacht om over hoofd en benen van paarden te spreken, terwijl andere dieren een kop en poten hebben. Paarden werden in de Middeleeuwen beschouwd als hoger dan lijfeigenen en andere laag geplaatste mensen. Voor arme immigranten in Amerika was het dan ook een hele schok, dat daar paarden rondliepen die je gratis kon vangen en houden. De fascinatie voor cowboys heeft ongetwijfeld ook te maken met die oude rol van het paard, nu opeens in gebruik bij gewone mensen. Maar de rol van paarden in onze geschiedenis, dat is weer een ander verhaal… Banholt, mei 2006 Loes Pihlajamaa-Glimmerveen APPENDIX Domesticatie van huisdieren en landbouwgewassen Veel van onze huisdieren zijn al duizenden jaren geleden voor het eerst gedomesticeerd. Mensen hebben overal ter wereld veel soorten uitgeprobeerd. Bij de onderstaande soorten is de domesticatie daadwerkelijk gelukt:
Literatuur Juliet Clutton-Brock A NATURAL HISTORY OF DOMESTICATED ANIMALS (Cambridge
University press 1999) Alfred W. Crosby: ECOLOGICAL IMPERIALISM The Biological Expansion of Europe 900-1900 (Cambridge University
Press 1986) Jared Diamond: GUNS, GERMS AND STEEL A
short history of everybody for the last 13 000 years ( Vintage 1998). Nederlandse
titel: PAARDEN, ZWAARDEN EN ZIEKTEKIEMEN (Spectrum 1999) Graham Harvey: THE FORGIVENESS OF NATURE The
story of grass. (Jonathan Cape 2001) C. Kalkman: PLANTEN VOOR
DAGELIJKS GEBRUIK Botanische achtergronden
en toepassingen (KNNV Uitgeverij 2003
|
|
|