Er zijn meer romanpersonages van dit type, maar of ze nu Frits, Werther of Paddy heten, het zijn altijd jongens. Aardige jongens. Daar niet van, maar het zijn nooit meisjes, terwijl ook zij door dat niemandsland moeten, zich evenzeer ontheemd kunnen voelen. De vraag of het achterwege blijven van dergelijke vrouwenfiguren samenhangt met de algehele vertraging waarmee vrouwen aan het arbeidsproces en dus ook aan de schrijverij begonnen, is niet een twee drie te beantwoorden. Immers schrijfsters waren er ondanks die vertragende beweging altijd al. En bovendien hoeven vrouwelijke auteurs niet noodzakelijk een vrouw als personage te kiezen, zoals mannen niet automatisch uitsluitend de lotgevallen van jongens beschrijven. Het kan evengoed anders, wat dit onderwerp betreft. Het gebeurt alleen niet. J.D. Sallingers' Caulfield heeft geen vrouwelijke tegenhanger. Of had. Want het personage Roos, uit het debuut van Susan Glimmerveen, komt aardig in de buurt. Of haar roman, Kaf, eenzelfde, groot leespubliek zal weten te boeken is een tweede, maar het type is in ieder geval gemaakt. Roos. Roos zit op de huishoudschool, wat een even wezenloze als onwerkelijke omgeving is. Niet alleen voor Roos, ook voor een lezer. Hoeveel romans spelen zich af op de spinazieacademie? Hoeveel romans daarentegen op hbs of gymnasium? Exact. De verbijstering is dan ook groot wanneer we lezen dat leerlingen op het lbo tot in de jaren tachtig werden beziggehouden met het vouwen van varkentjes, het naaien van hansopjes, het haken van pannenlappen, het produceren van custardpudding en karamelvla. Ze moeten herfstbladeren verzamelen in een multomap, werkstukken maken over het weer, wiegjes fabriceren van een schoenendoos, geraniums kweken en krijgen bij Nederlands het even beruchte als zinloze schrijfadvies om een tekst te voorzien van een inleiding, een kern en een slot. Misdadig gewoon. Vooral als bij navraag blijkt dat Glimmerveen met haar beschrijvingen zeer dicht op de werkelijkheid zit. Roos verlangt ernaar om net als haar zus naar het lyceum te gaan. Ze wil best leren en zou dolgraag indruk maken op haar erudiete vader. Maar een 'Falend Verstand en een Gebrek aan Ruimtelijk Inzicht' brengen haar vooralsnog niet verder dan de lokalen van het lhno. Het gros van de leerlingen heeft een streng gereformeerde achtergrond waardoor het voor Roos moeilijk wordt aansluiting te vinden: "God schiep de mens naar zijn beeltenis, zegt de bijbel, de mens stamt af van de aap, zegt Darwin en mijn vader zegt dat het allemaal samengaat. Niemand denkt eraan, maar het is zo logisch als wat. God is een aap." Alleen het meisje Jacqueline, een potentiële drop-out die al van verschillende scholen is afgestuurd en het nu eens bij haar oom en tante in de provincie mag proberen, lijkt aanvankelijk vriendschappelijke neigingen te ontwikkelen. Ze komt uit de randstad, wat voor Roos aanleiding is er stevig op los te fantaseren: in de randstad is alles anders, beter. In de randstad is avontuur, hoewel de mensen er dicht op elkaar wonen en van het balkon afspringen als ze het niet meer zien zitten. Dat Jacqueline misbruikt wordt door haar oom en op een goed moment zelfs van school gaat omdat ze zwanger is, ontgaat Roos. Ze droomt verder. Over het tropische eiland waar ze geboren werd en waar ze een aantal jaren leefde. Ze verzint het verhaal van een jongen, Ford, de nobele, eenbenige wilde, die zonder dat hij kan spreken de mooiste verhalen vertelt. Deze Ford is een Kaspar Hauser-achtige figuur. Een wild talent, net als Roos, want haar ruimtelijk inzicht mag dan niet groot zijn, dom is ze zeker niet. Het probleem is alleen dat haar talent op school niet wordt getoetst. Niemand geeft er wat om, waarmee Glimmerveen commentaar levert op de eenzijdigheid van het onderwijs waarin bepaalde cognitieve vaardigheden nog altijd de doorslag geven. Maar er zijn er meer zoals Roos; wilde eenlingen, en zij kan zich met hen verstaan : de verrotte Jacqueline, de wereldvreemde en overspannen leraar Jo, met wie Roos een verhouding aanknoopt om haar emotionele intelligentie te toetsen, en Jo's dementerende depressieve moeder die met niemand spreekt, behalve met Roos. Maar helaas verbreekt Jo de verhouding en laat ook Jaqueline niets meer van zich horen. Roos is opnieuw overgeleverd aan zichzelf en dan slaat haar talent om in zelfdestructie. Ongelooflijk sneu. Je zou willen dat er een apart klasje was op het lyceum voor kinderen zoals Roos. Een klasje waar ze geen wiskunde hoeven te volgen, maar waar ze geschiedenis krijgen, maatschappijleer, literatuur en mythologische verhalen horen. Roos' alfaknobbel is namelijk uitstekend ontwikkeld, wat blijkt uit de cijfers die ze haalt voor het vak Nederlands. Glimmerveens alfaknobbel functioneert evenzeer als die van haar schepping: het naïeve taaltje van Roos, de kinderlijke logica in combinatie met volwassen verlangens naar wat meer levensdiepte, de geloofwaardigheid van Roos' dilemma; het is allemaal erg overtuigend. En humoristisch op z'n tijd. En om te laten zien dat wij vooral niet moeten denken dat de schrijfster uitsluitend een naïef soort stijl beheerst, verwerkte Glimmerveen een aantal literair-derig geschreven stukken in het boek. Het zijn de passages die zich afspelen op het eiland. Dat is leuk voor de afwisseling, maar echt nodig was het niet. De ontwikkeling van Caulfields zusje fascineert zo ook wel. Uit Het Parool, 28 december 2000
Terug naar het begin van deze pagina
|
|