De Curaçaose schrijfster Susan Glimmerveen (1963) portretteert in haar debuutroman Kaf het pubermeisje Roos. Ze komt van een Caraïbisch eiland en kan niet aarden op een huishoudschool in een Nederlandse plattelandsgemeente. Ze heeft een rijke fantasie, een kinderlijke geest en intellectuele ouders. Hierdoor voelt ze zich niet thuis tussen de gereformeerde trutjes die sparen voor hun uitzet en een roestvrij stalen pan voor hun verjaardag krijgen. ........ De botsing tussen de dwarse oorspronkelijkheid van Roos en de domme truttigheid van de huishoudschool levert hilarische scènes op. Vooral de kooklessen en de godsdienstlessen weet Glimmerveen goed uit te buiten. ......... Glimmerveen laat haar hoofdpersoon vertellen in korte, eenvoudige zinnen die afwisselend direct en nuchter en dan weer dromerig zijn. De zinnen bevatten weinig leestekens. Gedachten, citaten en beschrijvingen lopen dwars door elkaar, wat de indruk versterkt dat je naar een kind luistert. ....... Een belangrijke rol in de droomwereld is weggelegd voor de passaatwind, waarover ze een scriptie maakt die 'Het Weer' heet. Vroeger geloofden de zwarte slaven op het eiland dat de passaat hen zou terugbrengen naar Afrika. Daarom wierpen ze zich 's nachts van de rotsen. Het boek opent met dit verhaal, dat later steeds terugkeert. Deze passages, en vooral het huiveringwekkende en verrassend dichterlijke slot, tillen het verder zo grappige en nuchtere boek boven zichzelf uit.
Terug naar het begin van deze pagina
|
|