Op de grens van alfa en bèta

Loes' opening

HOVO Limburg

WILPF

e-mail

Home

     

Taal om mens te worden?

Het woord dat brein werd

De rol van de taal in de menselijke evolutie

door drs. L.E. Pihlajamaa-Glimmerveen

S inds Darwin wordt er veel gepraat over de plaats van de mens in de natuur, over het hoe en waarom van de evolutie.

In dit verhaal wil ik laten zien hoe een aantal populaire opvattingen over de menselijke evolutie niet blijken te kloppen. Het gaat vooral om de taal. De meest voor de hand liggende veronderstelling is dat onze voorouders op een gegeven moment steeds meer hersenen kregen en vervolgens zo intelligent waren geworden dat ze de menselijke taal konden gaan ontwikkelen.

Volgens een nieuwe hypothese is het andersom gegaan: eerst kwam de taal en daardoor werden onze hersenen steeds groter.

Dit lijkt onlogisch, maar het zou best eens kunnen kloppen. Een filosoof heeft eens gezegd dat de beste hypothesen diegene zijn die tegen onze intuïtie ingaan...

Kroon van de schepping?

De westerse mens ziet zichzelf graag als de kroon van de schepping. In sommige kringen is de moderne biologie niet populair omdat die aantoonde dat we van apen afstammen. Dat gaf in de negentiende eeuw al heel wat ongenoegen en dat duurt nog steeds voort.

Het recente DNA-onderzoek heeft bovendien aangetoond, dat we voor 99 procent dezelfde genen bezitten als de chimpansee - ook weer zo’n gegeven waar men liever niet aan wil.

Homo erectus.
Klik voor een groot beeld van deze plaat en een toelichting op de afbeelding.

Anders dan men vaak (en ook weer graag) denkt, zit er geen lijn in de evolutie. Voorbeelden:
  • De evolutie zou lopen van klein naar steeds groter – maar: verreweg de meeste organismen zijn nog steeds klein. Wij behoren tot de zeldzame grote soorten.
  • De evolutie zou van eenvoudig naar steeds complexer en/of intelligenter verlopen – maar de meeste soorten zijn nog steeds wat wij primitief plegen te noemen (“biodiversiteit bestaat uit wormen en insecten”). Overigens: eenvoudig gebouwde dieren kunnen ook zeer complex gedrag vertonen!>

Binnen groepen zijn deze ontwikkelingen vaak wel te zien, maar niet in het geheel.

Er blijft als troost de gedachte dat de hele evolutie naar een climax toe heeft gewerkt en dat wij dan toch maar die climax zijn; weliswaar niet meer de kroon van de schepping, maar dan toch wel de kroon van de evolutie.

Auteurs als  Stephen Jay Gould en Richard Dawkins maken zich niet populair door met nadruk te stellen dat ook dit niet klopt en dat de evolutie ‘blind’ is (‘The Blind Watchmaker’, Dawkins); dat de mens door een ‘schitterend ongeluk’ (Gould) is ontstaan. Als het even anders was gelopen, waren wij er nooit geweest. De kans dat er bij eventueel leven op planeten elders in het universum ook mensachtige wezens zijn ontstaan, is dan ook uiterst klein.

(Maar omdat het universum zo groot is en er misschien miljarden zonnen met planetenstelsels bestaan, zou het wel mogelijk zijn; we zullen het alleen nooit weten, want een boodschap naar een zonnestelsel, dat hier een paar honderd lichtjaren vandaan is, kan pas over tweemaal die paar honderd jaar een eventueel antwoord opleveren, en wie weet hier dan nog van die boodschap?)

Maar binnen de primaten zijn wij dan toch door een toename van grootte en vooral hersengewicht ontstaan?

Ook die illusie is ons nu ontnomen. Zomer ‘99 verscheen in Nature een artikel waaruit blijkt dat ook die mythe doorgeprikt is.

Drie onderzoekers (Ruff, Trinkaus en Holliday) onderzochten hominiden-botten en -schedels en laten nu zien dat er geen mooie geleidelijk opgaande ontwikkeling is geweest, zelfs dat ons brein gekrompen is in de loop van de tijd.

 
Afdaling van het strottenhoofd
hersen-herstructurering voor spraak en symbolen
maken van stenen werktuigen en jagen in groepen.
mannen zorgen voor paarvorming.
  

Miljoenen jaren voor heden

 
De ontwikkelingen die de evolutie van de mens in samenhang met die van de taal waarschijnlijk maken. Al bij de oudste mensensoort zouden de eerste stappen in de ontwikkeling van de taal gezet zijn. De hersenstructuren (in de afdrukken zichtbaar ) wijzen daarop. Bij de homo erectus moet de ontwikkeling naar de echte gesproken taal gebeurd zijn.

(Aus = Australopithecus (voorloper van de mens);
Hh = Homo habilis (de oudste bekende mensensoort);
He = Homo erectus (de mensensoort die ook al in Azië voorkwam, o.a. de Javamens en de Pekingmens;
Hs = Homo sapiens, onze mensensoort.

De hersenen van de hominiden - de voorlopers van de mens - zijn lange tijd ongeveer even groot gebleven; van 1,8 miljoen jaar geleden tot ongeveer 600 000 jaar geleden veranderde er weinig. Tijdens het Midden-Pleistoceen (600 000 tot 150 000 jaar geleden  werden de breinen in hoog tempo groter, tot de top bereikt werd rond 75 000 jaar geleden bij Homo sapiens, maar  wel het ‘archaïsche’ type, waartoe ook de Neandertaler behoorde. Deze hadden een brein van circa 1440 gram (wij gemiddeld 1300 gram).

Nu gaat het natuurlijk niet alleen om de hersenmassa, maar om de verhouding hersenen/lichaam. (grote dieren hebben veel hersenen nodig om dat lichaam te besturen). Ook daarnaar hebben de onderzoekers gekeken

In de  bijna twee miljoen jaar voorafgaand aan de moderne mens, waren de hominiden gemiddeld 10 procent zwaarder dan wij tegenwoordig zijn. De top werd rond 50 000 jaar geleden bereikt door de Neandertaler. Deze was wel een kwart zwaarder dan wij nu. Daarna is het alleen maar bergafwaarts gegaan zowel met het lichaamsgewicht als met de hersenmassa. (In de laatste eeuw zijn we, onder andere door goede voeding, weer groter geworden, maar niet groter dan de mens in het steentijdperk). De verhouding hersen-/lichaams-gewicht is daardoor wel boven die van de Neandertaler terechtgekomen.

Natuurlijk is men direct gaan nadenken over mogelijke verklaringen.

Het is mogelijk dat er lange tijd grote concurrentie tussen mannen bestond om toegang tot de vrouwen, waardoor de mannen groter werden (dit zien we bij veel soorten, ook bij de mensapen, met name gorilla’s en orang-oetangs). Toen de mensen beter leerden samenwerken, werd de concurrentiedruk tussen de mannen minder en  werd het vermogen tot communicatie en samenwerking uitgeselecteerd. Daardoor werd het gunstiger om niet zo zwaar te zijn en werd het verschil tussen mannen en vrouwen kleiner (dat neemt overigens momenteel weer toe!). Bovendien werd de voedselvoorziening constanter, waardoor de luxe van een groot brein mogelijk werd. (Hersenen gebruiken heel veel voedsel: bij jonge kinderen de helft, bij volwassenen toch nog steeds 20% van wat we eten. Hersenen vormen  dus echt een luxeorgaan...)

Ook in andere opzichten wordt het gebruikelijke beeld, waarin de moderne mens als (bedoeld) eindpunt van een lange weg wordt gezien en alle voorgangers nauwelijks als ‘echte’ mensen werden beschouwd, onderuit gehaald.

Algemeen wordt er tot nu toe vanuit gegaan dat de menselijk taal zich pas de laatste 40 000 jaar heeft ontwikkeld en dat de Neandertaler bijvoorbeeld niet of nauwelijks heeft kunnen praten. Natuurlijk laat spraak geen fossielen na. Maar  nu blijkt dat de nervus hypoglossus, de zenuw die de fijne bewegingen van de tong mogelijk maakt en die dus van wezenlijk belang is voor het spraakvermogen, al veel eerder een moderne omvang had. De gang, waardoor deze zenuw loopt, is in fossiele schedels vaak goed terug te vinden. Bij mensen is deze gang veel breder dan bij mensapen en Australopithecus. Bij fossiele hominiden vanaf 400 000 jaar oud  blijkt deze al de menselijke maat te hebben. De mogelijkheid om te spreken was dus aanwezig lang voor de moderne mens bestond.

In dit verband is het ook interessant, dat men niet lang geleden in Duitsland houten speren heeft gevonden, die 400 000 jaar oud bleken te zijn (die een uitgebalanceerd ‘design’ hebben, niet gewoon aangepunte stokken, en die wijzen op een behoorlijk technisch inzicht).

Nog interessanter is de vondst van werktuigen op Flores (Indonesië). Men kende al lang fossielen van Homo erectus op Java, maar dat is niet zo verbazingwekkend. De zeespiegel lag vroeger een stuk lager en de Indonesische eilanden behoorden in die tijd tot het Aziatische vasteland - tot aan de straat van Flores. Hier ligt een diepe zeestraat, 19 kilometer breed, die ook toen zee was. Als er honderdduizenden jaren geleden al hominiden  op dat eiland waren, zou dat moeten wijzen op het vermogen boten te bouwen - en dat is nauwelijks voor te stellen van wezens die niet met elkaar kunnen praten.

Dit alles zou dus kunnen betekenen dat de allereerste Homo, de Homo habilis waarschijnlijk (misschien?) nog niet, maar de Homo erectus wel al een spraak had - en de Homo (sapiens) neandertaliensis zeker.

De menselijke taal is dus vermoedelijk veel ouder dat we dachten. De taal is ouder dan onze soort. Wat hier ook op zou kunnen wijzen is het verschijnsel dat er geen eenvoudige talen bestaan. Ook in onze ogen primitieve samenlevingen hebben een hoog ontwikkelde taal.

 

Taal als motor van onze evolutie

Blijft de vraag, waarom onze voorouders die taal hebben ontwikkeld. Geen enkele diersoort heeft een dergelijk systeem, maar alle sociale soorten hebben wel een vorm van communicatie waarmee ze zich blijkbaar uitstekend kunnen redden.

Terence Deacon ontwikkelt in zijn boek ‘The symbolic species’ een revolutionaire theorie die een verklaring biedt voor ons grote brein en voor het ontstaan van taal.

Men heeft allerlei verklaringen bedacht voor ons grote brein:

  • Bij apen hebben vruchteneters twee keer zo grote hersenen als (even grote) bladeters.
  • De jacht en de daarmee samenhangende noodzaak tot samenwerking. (Waarschijnlijk kwam de echte jacht overigens pas laat en waren onze voorouders daarvoor lange tijd aaseters, maar ook dat vergt veel intelligentie.)
  • ·Een ingewikkeld sociaal systeem vergt ook het nodige van hersenen, dus ook dat kan een factor van belang zijn geweest.
  • Ook heeft men ons grote brein verklaard als een koelsysteem dat we nodig hadden toen de  Oost-Afrikaanse savannen steeds heter en droger werden. (Dean Falk).

Geen enkele verklaring kan echter het enorme verschil met onze naaste verwanten verklaren.

Onze taal verschilt van de zogenaamde taal der dieren in het gebruik van symbolen. We gebruiken ook een taal die vergelijkbaar is met de dierentaal, dat is onze lichaamstaal en mimiek (non-verbale communicatie). Die is belangrijker dan men vaak denkt. Onze indruk van medemensen wordt vaak meer bepaald door hun lichaamstaal dan door wat ze zeggen. Daarin verschillen we niet van dieren.

Wat uniek is in onze taal, is het feit dat wij daarmee niet alleen onze eigen ervaringen kunnen opslaan en gebruiken, maar bijvoorbeeld ook gebeurtenissen die nog moeten plaatsvinden of die nooit hebben plaatsgevonden en dat ook nooit zullen doen, evenals  ervaringen (reëel of virtueel) van anderen. We leven met een groot aantal eigen en andermans verhalen als het ware in een gezamenlijke virtuele wereld. We gebruiken symbolen waarmee we eindeloos kunnen variëren. In principe is een vrijwel oneindig aantal talen mogelijk en binnen elke taal een oneindige variatie aan .zinnen/informatie. Denken bestaat, simpel gezegd, uit het jezelf met behulp van die taal ‘verhalen vertellen’ of volgens Wilson ‘scenario’s ontwerpen’.

Aan de hand van fossielen kan men niet nagaan wanneer de ‘menselijke geest’, gebaseerd op dit denkvermogen, is ontstaan. Hoogstens kunnen we zaken vinden die wijzen op samenwerking en vermoedelijk taal (de bovengenoemde speren, boten en later natuurlijk grotschilderingen).

Deacon vergelijkt de rol van de taal  in onze evolutie met die van een soort parasiet. Tussen parasiet en gastheersoort  - en tussen predator en prooidier - ontwikkelt zich vaak een samenhang, waarin ze elkaars evolutie stimuleren (vergelijk ‘the Red Queen’-theorie: prooi en predator lopen steeds harder, beiden evolueren daardoor, zonder dat één van beide de overhand krijgt, want dan zouden beiden uitsterven). De taal leidt als het ware een eigen leven als een virtueel organisme en heeft zijn eigen evolutie (net als andere onderdelen van de menselijke cultuur hun eigen evolutie vertonen). Dawkins noemt deze cultuuraspecten die een eigen evolutie ondergaan memes (in The selfish gene). Memes zijn culturele factoren die gebaseerd zijn op de vermogens van de menselijke hersenen, maar die als het ware een eigen leven leiden en zich in de loop van de geschiedenis ontwikkelen. Die evolutie vertoont grote overeenkomst met de biologische evolutie maar gaat veel sneller.

De taalevolutie  heeft als een soort parasiet steeds hogere eisen gesteld aan het menselijk brein. Dus niet: de mens had steeds grotere hersenen, waardoor zich op een gegeven moment taal kon ontwikkelen, maar: de taal die, eenmaal ontstaan, ervoor zorgde, dat de grootste hersenen de beste overlevingskansen boden, dus de evolutie naar steeds grotere hersenen. Tot ze groot genoeg waren. 

Als dat klopt zou de snelle groei van het menselijke brein dus gevolgd zijn op - ja zelfs het gevolg zijn van het ontwikkelen van de taal.

De symbolische soort

Dan moet er natuurlijk ook een antwoord gegeven worden op de vraag, waarom onze voorouders dan die unieke taal ‘uitvonden’ en ontwikkelden. Van wezenlijk belang is in te zien dat onze taal niet gelijk is aan een verbeterde versie van ‘dierentaal’; nee het is een principieel ander systeem van communiceren. Er moet een unieke factor in het leven van de vroege hominiden zijn geweest die het gebruik van symbolen noodzakelijk maakte.

Om dit te verklaren moeten we eerst  een uitstapje maken naar de  sociobiologie, de studie van het (dier)gedrag. Volgens de huidige opvattingen streeft elk dier ernaar om zoveel mogelijk van zijn genen door te geven aan de volgende generatie en die zoveel mogelijk overlevingskansen mee te geven.

Vrouwen investeren veel meer dan mannen in hun nageslacht, maar zij kunnen tijdens hun leven maar een beperkt aantal nakomelingen voort- en grootbrengen. Mannen investeren slechts de minimale spermacel en een beetje energie, maar hebben verder weinig invloed op de overlevingskansen van hun nageslacht. Het gevolg is dat in het dierenrijk vrouwtjes als regel zeer kieskeurig zijn, terwijl mannetjes proberen zoveel mogelijk vrouwtjes te bevruchten.

Het verschil in grootte tussen mannen en vrouwen is veel groter bij de vroege hominiden dan bij de moderne mens en dat kan op zijn beurt een verschil in sociaal stelsel weerspiegelen. Bij de australopithecinen kan dit systeem geleken hebben op dat van de chimpansees, met een kern van verwante mannen die een territorium verdedigden en seksueel volwassen vrouwen die binnentrokken vanuit andere groepen. De mannen concurreren met elkaar om toenadering te krijgen tot de vrouwen, maar vormen er geen lange-termijnbanden mee. De menselijke sociale stelsels variëren enorm, maar ze worden alle gekenmerkt door lange-termijnbanden tussen mannen en vrouwen en minder openlijke seksuele concurrentie tussen de mannen.

Bij de meeste zoogdiersoorten is het regel dat een mannetje meerdere vrouwtjes bevrucht (polygynie) maar zich verder weinig of niet om zijn kroost bekommert. Er is dus grote concurrentie tussen de mannen. Vaak uit zich dit in gevechten, in de populaire pers heet het ‘om het bezit’ van de vrouwtjes, maar het is ook omgekeerd: de vrouw weet dat, als ze de winnaar neemt, deze ook de sterkste is, dus  de beste kwaliteit zaad levert. Bij deze soorten is er weinig communicatie tussen de geslachten, maar des te meer tussen de mannen. Het is voor ieder van belang om gevechten te vermijden, dus om op andere manieren je fitness te demonstreren. De zwakke loopt zo geen onnodig risico en de sterke hoeft zijn energie niet te verspillen. Vechten gebeurt dus alleen tussen dieren die ongeveer even sterk zijn. De fitness wordt gedemonstreerd door lichaamsgrootte, geweigrootte, brullen, enzovoort. De aan ons verwante mensapen, chimpansees, gorilla’s en orang-oetans kennen dit systeem. Deze soorten leven meestal samen in grotere verbanden, soms gemengd, soms mannen en vrouwen apart buiten de paartijd.

Er zijn ook soorten, waar ouders samen voor het kroost zorgen. Hier vindt dan vooral communicatie plaats tussen de partners en weinig met andere soortgenoten. Beide geslachten zijn ongeveer even groot. Men noemt dit ‘pair-bonding’. De partners zijn in principe trouw aan elkaar, maar men heeft bij allerlei soorten ‘stiekeme’ ontrouw waargenomen: een mannetje dat andermans wijfje weet te bevruchten, heeft extra nakomelingen die hem verder geen energie kosten. Een vrouwtje dat ook door een andere man wordt bevrucht, spreidt het risico op minder goed nageslacht.(dit is uitgebreid onderzocht bij spreeuwen en koolmezen). Onder de mensapen zijn het alleen de gibbons die pair-bonding kennen.

De mens behoort duidelijk tot het pair-bonding-type.  De basisregel is trouw, de litteratuur is - van Sophocles tot Shakespeare tot .... - voor een groot deel gevuld met gevallen waar variaties in het gedrag optreden...

Alle culturen kennen een set regels die als volgt samengevat kunnen worden;

  1. Man en vrouw dragen beiden bij aan verzorging en opvoeding, zij het meestal op verschillende manieren.
  2. Mannen en vrouwen zijn volgens bepaalde regels aan elkaar gekoppeld. Deze regels verschillen per cultuur.
  3. Ze handhaven deze exclusieve seksuele relaties binnen vrij grote sociale groepen die uit zowel mannen als vrouwen bestaan.

Met andere woorden: alle culturen kennen het huwelijk, monogaam of polygaam, met precieze regels wie met wie kan trouwen. Toch is ons systeem niet het gewone pair-bonding-systeem. In de dierenwereld gaat pair-bonding nooit samen met leven in sociale groepen.

Vrouwen, die hoogzwanger of zogend zijn, kunnen niet zo goed mee op zoek naar aas of op jacht. Toch hebben zij juist eiwitrijk voedsel nodig. De energierijke voeding die mannen nodig hebben wordt vooral door de vrouwen verzameld (zaden, knollen - dat is in de meeste culturen altijd het hoofdvoedsel geweest)  Er is dus een wederkerige afhankelijkheid.

Het samenleven in grotere groepen komt ook bij andere primaten voor, maar is altijd gekoppeld aan polygynie. Een soort als de gibbon met een sterke paarbinding leeft in paren met hun onvolwassen jongen.

Mensen combineren dus twee systemen die eigenlijk niet samen kunnen gaan: binnen de sociale gemengde groep is het wel erg gemakkelijk om vreemd te gaan. Mannen willen er zeker van zijn dat de kinderen waar ze voor helpen zorgen, hun eigen kinderen zijn, vrouwen dat hun man ook terugkomt. Mannen zijn in wezen altijd elkaars concurrenten, maar moeten nu hecht samenwerken. Als regel kan mannelijke zorg voor kinderen niet samengaan met grotere sociale groepen en samenwerking. En dat is nu juist wat in de menselijke samenleving gebeurt.

Tussen haakjes: chimpansees jagen af en toe ook, maar niet met werktuigen, gewoon met hun handen en meestal niet samen en ze eten de prooi ter plaatse op, brengen nooit een stukje naar vrouw en kinderen.

De menselijke maatschappijvorm was dus in wezen onmogelijk,  zou allang uitgestorven zijn, wanneer onze voorouders niet iets hadden uitgevonden om het dilemma te doorbreken. En dat deden ze: symbolen vormden de oplossing.

De meest urgente problemen:

  1. Er moest aan de rest van de groep duidelijk worden gemaakt dat er tussen een bepaald paar een exclusieve seksuele relatie bestaat, ook als de twee niet samen zijn. Dit moest voor ieder blijvend duidelijk zijn.
  2. De partners moeten van elkaar op aan kunnen en kunnen toch niet alle seksegenoten uit de buurt houden zoals bijvoorbeeld bij vogels vaak gebeurt.

Ontrouw roept in menselijke gemeenschappen vaak heftige emotionele reacties op, niet alleen bij de partner. Vaak straft de gemeenschap ook. Het huwelijk is niet alleen een zaak tussen de partners, maar van de hele gemeenschap. Om dit systeem in stand te houden heeft men rituelen nodig, de eerste vorm van symbolisch communiceren.

Niet voor niets zien we ongeveer gelijktijdig een aantal veranderingen optreden die waarschijnlijk samenhangen met het gebruik van symbolen/taal door onze voorouders:

  • De seksuele dimorfie (het grootte-verschil tussen mannen en vrouwen) verminderde;
  • De hersens werden groter;
  • Het eerste gebruik van (stenen) gereedschap, vermoedelijk (ook) voor het bewerken van kadavers (beenmerg uit botten!).
  • Het gebruik van symbolen - en onze taal is natuurlijk een heel stelsel van symbolen - maakte een levenswijze mogelijk die  anders onherroepelijk snel weer verdwenen was.

Toen het gebruik van symbolische geluiden = taal eenmaal was ontstaan begon een co-evolutie die vele malen sneller kon gaan dan de gewone evolutie door een soort  ‘extrabiologische overerving’. Taal evolueert snel en heeft de menselijke evolutie gebracht tot het punt waar we nu zijn. De ‘uitvinding’ van taal - en van het huwelijk! - heeft ons tot echte mensen gemaakt en dat gebeurde misschien al veel vroeger dan  men tot voor kort meende.

Terug naar het begin van deze pagina

 

Literatuur:
Terence Deacon: THE SYMBOLIC SPECIES The co-evolution of language and the human brain
(uitgave: Allem Lane, The Penguin Press) 1997.

 

 

door

drs. L.E. Pihlajamaa-
Glimmerveen