Op de grens van alfa en bèta

Loes' opening

HOVO Limburg

WILPF

e-mail

Home

     

Voedsel voor de toekomst

Vóór de geschiedenis

Historici zullen er anders over denken, maar eigenlijk weten we van de lange geschiedenis van de mensheid vrijwel niets.

Onze soort moet tussen 150 000 en 120 000 jaar geleden zijn ontstaan; - in elk geval leefde rond die tijd de laatste gezamenlijke voormoeder van de hele mensheid (de laatste gezamenlijke voorvader iets later).

Mensen, die wel mens maar nog geen echte Homo sapiens waren, leefden al een tijd daarvoor. (Misschien ook al met een taal, in elk geval met werktuiggebruik en vuur).

De overgang zal min of meer geleidelijk hebben plaatsgevonden, dus waar zou je de geschiedenis van de mensheid moeten laten beginnen? In elk geval: die paar duizend jaar waarover de historici zich druk maken, stellen erg weinig voor in verhouding tot de tijd waarin mensen op aarde geleefd hebben.

GEZOND OP DE BON

De Tweede Wereldoorlog bracht een drastische verandering van de Nederlandse landbouw teweeg en daarmee een verandering van het dieet. Dit dieet, dat tot aan de winter '44-'45 in kwantitatieve zin voldoende was, was aanzienlijk magerder en vooral plantaardiger dan men tot dan toe gewend was. Nederland ging op dieet en menigeen voer daar, zowel volgens tijdgenoten als historici, wel bij.

Voor de tijd die het werkterrein van historici is, werd er nog geen geschiedenis gemaakt, zullen we maar zeggen. Mensen die in kleine groepjes rondtrokken, groepjes die af en toe een conflict met een andere clan hadden, groepjes die soms gedecimeerd werden door honger of ziekte, maar die wel ongemerkt in de loop van vele generaties de basis legden voor het begin van cultuur, zijn misschien nog niet zo interessant. (In elk geval kunnen we over hen niet veel te weten komen, al zullen palaeo-archeologen daar anders over denken.)

Dat de ijstijden, die wij kennen, onderdeel waren van een reeks heftige klimaatschommelingen waardoor het leven voor die mensen veel ongewisser was dan we ons nu kunnen voorstellen, wordt vaak vergeten.

Na de IJstijden

Pas de laatste tienduizend jaar is het klimaat op aarde redelijk constant. Mede daardoor heeft de menselijke cultuur zich kunnen ontwikkelen. Nu er mogelijk weer een onbestendige periode aankomt, maken velen zich bezorgd.

Natuurlijk ziet het ernaar uit dat onze soort zich voorlopig wel weet te redden. Al zal dat voor bepaalde bevolkingsgroepen niet gelden (denk aan de mensen in Bangladesh).

Anders dan vaak gedacht wordt, hadden de jager-verzamelaars meestal een redelijk gemakkelijk leven. Een jager-verzamelaar hoeft gemiddeld per dag hooguit twee à drie uur actief te zijn om voldoende voedsel bij elkaar te scharrelen voor zichzelf en zijn/haar gezin.

Volgens onderzoekers moet er in bepaalde gebieden onder hen een soort voedselcrisis (of een overbevolking) zijn ontstaan die mensen ertoe bracht om aan landbouw te beginnen. Dit gebeurde in verschillende gebieden en op verschillende momenten met verschillende gewassen.

Voor zover bekend is die landbouw een vrouwenuitvinding geweest. Mannen joegen en vochten, vrouwen verzamelden knollen, vruchten, zaden, bladeren, ook dierlijk voedsel zoals eieren en kleine dieren en brachten het meeste voedsel in. Vanuit het verzamelen van vruchten en knollen is de overstap naar het kweken van de gewassen een logische stap.

Het bedrijven van landbouw en veeteelt maakte het leven aan de ene kant gemakkelijker: men was zekerder van beschikbaar voedsel, maar het dieet werd eenzijdiger en er moest veel harder gewerkt worden. De gemiddelde lengte nam aanzienlijk af. Heel langzaam werd daarna de volle lengte weer bereikt.  Hetzelfde deed zich voor tijdens de industriële revolutie. De voeding was blijkbaar niet erg uitgebalanceerd, maar er was meestal wel voldoende. Vanaf het begin van de landbouw ging de bevolkingstoename sneller.

178 cm.

160 cm.

175 cm.

170 cm.

173 cm.

Voor de landbouw, 30 000 - 9 000 jaar geleden

Vroege landbouw, 5 000 tot 3 000 jaar geleden

Late landbouw, 1350 - 1150 jaar geleden

Vroege industriële revolutie, 125 jaar geleden

Industriële periode, nu

Met het begin van de landbouw werd de gemiddelde mens een stuk kleiner. Geleidelijk werd hij daarna weer langer, tot de industriële revolutie opnieuw zorgde voor verminderde lengtegroei. In onze tijd wordt de biologisch bepaalde lengte weer bereikt.

Bevolkingstoename

Hoeveel mensen er in die prehistorische tijden waren is niet bekend. Naar schatting leefden er aan het eind van de laatste ijstijd (10 000 jaar geleden, dus voor het begin van de landbouw) ongeveer 3 miljoen mensen; 8 000 jaar later, bij het begin van onze jaartelling, ongeveer 300 miljoen.

Dit aantal verdubbelde in de volgende 1 600 jaar tot 600 miljoen, De volgende verdubbeling kostte ongeveer 200 jaar, de daarop volgende een eeuw, daarna 40 jaar. In het jaar 1999 werd de 6 miljard gepasseerd.

Als dit zo verder zou gaan zouden er over 30 of 35 jaar 12 miljard mensen op aarde zijn, maar gelukkig is de groei nu duidelijk aan het vertragen, De meeste onderzoekers denken dat er in 2050 tussen de 10 en 11 miljard mensen zullen zijn, en dat het aantal daarna min of meer constant zal blijven, een generatie later zelfs zal afnemen.  

De groei van de mensheid vanaf 1500. (Op de Y-as: de wereldbevolking in miljarden).
Hoe de groei in de 21ste eeuw zal verlopen wordt door verschillende onderzoekers verschillend ingeschat. De meest algemene verwachting is dat rond 2050 een aantal van 10 -11 miljard mensen
wordt bereikt, waarna de groei zal stoppen.

Dit zijn bekende gegevens, maar waar men meestal niet bij stil staat is het feit dat deze steeds snellere bevolkingsgroei een geweldige prestatie betekent voor de voedselproductie. Juist de voedselproductie moest in een steeds sneller tempo toenemen om de bevolkingsgroei bij te houden. Hoewel miljoenen mensen in meerdere of mindere mate ondervoed zijn (en altijd zijn geweest) is het globaal gezien steeds gelukt om die groeiende bevolking te voeden.

Pessimisten

Zoals bekend maakte Malthus (1766 – 1834) zich druk om de vraag of dat zou blijven lukken: omdat volgens hem de menselijke bevolking toenam met een meetkundige reeks en de hulpbronnen (o.a. voedsel) met een rekenkundige reeks zou volgens hem honger en armoede onontkoombaar zijn.

Blijkbaar wisten de mensen sindsdien de voedselproductie echter nog steeds voldoende op te voeren, terwijl de groei van de mensheid inderdaad steeds sneller ging (en nu pas begint te vertragen). Niet alleen de mensheid groeide, in grote delen van de wereld nam ook de welvaart toe voor een groot deel van de mensen.

Ook in onze tijd zijn de zorgen niet verdwenen.

In 1968 verscheen The population bomb van Paul Ehrlich,  (in 1990 gevolgd door The population explosion van Paul en Anne Ehrlich).

Ehrlich voorzag een wereldwijde catastrofe, en verwachtte (in 1968) dat in 1979 al het leven in de oceanen zou zijn verdwenen door overbevissing.  “De meeste mensen die zullen sterven tijdens de grootste ramp van de mensheid zijn nu al geboren” (1968). Volgens zijn berekening kan de wereld 3,7 miljard mensen voeden.

Lester Brown van het World Watch Institute was even pessimistisch. Deze pessimisten voorzagen ook enorme prijsstijgingen voor de belangrijkste voedingsmiddelen en daling van de levensverwachting. Al deze voorspellingen zijn niet uitgekomen. Voedselprijzen zijn zelfs gedaald. Landen met traditionele voedseltekorten (China) hebben nu een redelijke voedselvoorziening.

Optimisten

Maar er zijn ook optimisten die de groei van de mensheid en van de techniek met vreugde begroeten: Julian Simon ( The ultimate resource, 1981) ziet voedselschaarste en milieuproblemen als voorbijgaande zaken en verwacht dat de graanproductie onbeperkt kan toenemen. Dat dit onzin is, blijkt uit het volgende sommetje: als de groei zou doorgaan met het tempo dat in de jaren ’80 werd gehaald (2% per jaar) (zoals hij verwachtte) zou over 1500 jaar de oogst een massa hebben gelijk aan de massa van de aarde.

Realisten

Een van die verontrustende grafieken uit het rapport van de 'Club van Rome'. Vroeg in de 21ste eeuw zou er een geweldig voedseltekort ontstaan.

Beide visies zijn dus onzinnig – of niet.

Beiden hebben in zekere zin gelijk, alleen niet op het punt van de tijdschaal en het tempo.

De groei van de mensheid vereist steeds meer voedsel, en vroeg of laat raken natuurlijke hulpbronnen uitgeput. Technische en wetenschappelijke verbeteringen zijn mogelijk, maar er zijn ‘grenzen aan de groei’  (titel van de Club van Rome, die deze grenzen ook al vóór de 21ste eeuw zag dagen). De toename van de graanproductie vertraagt nu, maar de groei van de mensheid ook.

Er zijn op dit moment (winter 2003/2004) ruim 6,3 miljard mensen op aarde. De afgelopen eeuw verdubbelde de mensheid elke ruim 40 jaar. Momenteel wordt verwacht dat er rond het jaar 2050 ruim 10 miljard zullen zijn en dat er dan mogelijk zelfs een afname zal beginnen (aangenomen, dat er geen grote oorlogen en/of mondiale rampen optreden). Verdubbeling wordt niet meer verwacht.

Volgens de wereldvoedselorganisatie FAO lijden momenteel 840 miljoen mensen honger (of beter gezegd: die mensen zijn ondervoed, ze kunnen misschien hun maag wel vullen, maar komen essentiële nutriënten tekort).

Er wordt voldoende voedsel geproduceerd voor alle nu levende mensen. Die 840 miljoen hongerlijders  zijn het slachtoffer van verspilling en armoede, niet van werkelijke tekorten.

Bij een eerlijke voedselverdeling zijn per wereldbewoner de volgende hoeveelheden voedsel per dag beschikbaar:

267

gram tarwe

27

gram peulvruchten

273

gram rijst

288

gram groenten

275

gram maïs

204

gram fruit

60

gram gerst

254

gram ruwe suiker

95

gram overige granen

258

gram melk

135

gram aardappelen

60

gram vis

164

gram wortel- en knolgewassen

49

gram (keuken)olie.

Als al het beschikbare voedsel eerlijk zou worden verdeeld over alle wereldburgers en als niemand meer zou consumeren dan zijn rechtmatig deel, zou geen mens meer honger hoeven te lijden of hoeven te sterven van de honger.

Wat er per persoon dagelijks beschikbaar is.

Duurzame ontwikkeling

De voedselproductie, die nu mogelijk is, zou 10 miljard mensen kunnen voeden, maar niet als we willen leven en eten als de gemiddelde Amerikaan.

Willen onze kleinkinderen en hun kleinkinderen nog een redelijk aangenaam leven kunnen lijden, dan moeten we in onze tijd overstappen naar een duurzamer maatschappij en een duurzamere voedselvoorziening. De groei van de aantallen mensen moet afvlakken (dat gebeurt al in de rijke landen en begint nu ook in de ontwikkelingslanden zichtbaar te worden).

We moeten ook af van de gedachte dat groei van de consumptie noodzakelijk is. Bij de discussie over de fossiele brandstoffen die op zullen raken, denken we vooral aan mobiliteit, maar weinigen realiseren zich dat de moderne landbouw zwaar rust op gebruik van fossiele brandstoffen. Wanneer die erg duur worden, wordt voedsel onbetaalbaar, tenzij er tijdig wordt overgeschakeld op duurzamere methoden  natuurlijk. (En dat gebeurt niet zolang de boeren met subsidies aan het werk worden gehouden – maar daarover hebben we het hier maar niet).

Ons economisch systeem wordt aangeduid als een dienstenmaatschappij, omdat verreweg de meeste mensen werkzaam zijn in de dienstverlening. Desondanks zijn we nog even afhankelijk van de voedselproductie als we altijd zijn geweest. Als er plotseling geen Internet meer zou zijn, zou dat lastig zijn, maar de maatschappij zou niet instorten. Als de landbouw zou stoppen zou de maatschappij (juist in de rijke landen) snel zijn ingestort. Globaal voedt een moderne boer tachtig mensen.

Reden tot zorg

Met het ontwikkelen van de landbouw nam de draagkracht van de aarde toe: voor jagers-verzamelaars geldt, dat er één persoon per vierkante kilometer kan leven. Met gebruik van moderne landbouw kan een vierkante kilometer wel duizend mensen voeden.

De wereldgraanproductie stijgt nog, maar gerekend per persoon niet meer.
(Gt: de totale graanproductie; kg/capita: de beschikbare hoeveelheid graan per hoofd van de wereldbevolking.)  

De laatste eeuw nam het landbouwareaal toe met een derde, maar de productie per oppervlak werd viermaal zo groot zodat er nu zes maal zoveel wordt geproduceerd – maar dat kon alleen doordat de energieconsumptie van de landbouw (vooral fossiele brandstof) tachtig maal zo groot werd.

Als de welvaart toeneemt, veranderen de eetgewoonten. Tot enkele eeuwen geleden was (in onze ogen) bijna iedereen arm. Het voedsel bestond voor een groot deel uit graan, met wat peulvruchten en een beetje groente, af en toe misschien een stukje vlees. Alleen een zeer kleine bovenlaag voedde zich anders.

Als de welvaart begint toe te nemen (zoals bij ons in de 19de eeuw gebeurde), neemt eerst de graanconsumptie toe. Daarna gaan de mensen ook meer vlees en fruit eten. De graanbehoefte neemt dan geweldig toe – vooral voor veevoer. (Landen als India en Vietnam zijn nu in de fase van vermeerderde graanconsumptie). Taiwan en Zuid- Korea hebben in twee generaties deze overgang doorlopen.

Tot nu toe is de graanproductie blijven stijgen in absolute aantallen. Netto per hoofd van de bevolking (per capita) neemt deze sinds 1985 iets af.  

Als ook de nu arme landen overgaan op een ‘modern’ dieet, komen de rampen van Ehrlich erg dichtbij.

Maar als we de zaak eens ‘biologisch bezien?

De basis van alle voedsel

1 Fotosynthese

Alle beschikbare voedsel op aarde is het product van fotosynthese. De productie van dit proces is niet in alle planten gelijk en hangt af van omstandigheden: (maximaal in gram/meter²/dag)

  • maïs                           50,
  • suikerriet                   40,
  • aardappels en rijst   35
  • tarwe                          20

Het deel daarvan dat uiteindelijk in de eetbare delen komt varieert ook per soort. Dit is door veredeling wel toegenomen: 100 jaar geleden was 20-30% van de tarweplant eetbaar, nu is dat bij de beste rassen 50%  (door kortere stengels). Dit heeft wel het nadeel dat er meer aan mineralen wordt afgevoerd zodat er veel meer mest nodig is.

Hoewel het fotosyntheseproces nu vrij goed bekend is, is er geen enkel zicht op verbetering van dat proces. Door een paar miljard jaar evolutie is het proces blijkbaar maximaal geperfectioneerd.

 Daar is dus geen mogelijkheid de productie op te voeren.

2. Grond

Er wordt vaak beweerd dat alle goede grond op aarde al in gebruik is als landbouwgrond, dus dat uitbreiding van het landbouwareaal weinig zal helpen. De werkelijkheid is dat veel goede grond al ‘gedegradeerd ‘ is (door verzilting, erosie en bebouwing). Arme grond kan door goede behandeling nu ook veel opbrengen. Maar eigenlijk is uitbreiding niet eens nodig. Het huidige landbouwareaal zou 10 miljard mensen kunnen voeden - mits het juiste dieet algemeen wordt.

3.Water

Water en bodem vormen de twee belangrijkste beperkende factoren voor de voedselproductie.

Van al het water dat mensen gebruiken gaat het grootste deel naar de landbouw en dat deel neemt sterk toe – ook door het moderne dieet. Een grotendeels vegetarisch dieet van graan en peulvruchten, zoals in armere landen normaal is, vergt weinig water; een vleesrijk dieet minstens het dubbele.

Als de wereldbevolking over 50 jaar 10 miljard mensen bedraagt, is daarvoor 20 000 kubieke kilometer zoet water nodig. Alle rivieren samen voeren 40 000 km³ per jaar af, waarvan echter een groot deel onbereikbaar is.

Dit betekent dat er in drogere gebieden een enorme schaarste aan water zal ontstaan. Nu al verbruiken veel landen meer dan de neerslag.

In 2025 zullen 30 landen met 900 miljoen mensen te kampen hebben met ernstige watertekorten

4. Mineralen

In de bodem zitten de mineralen die de planten opnemen, maar niet altijd voldoende. Die mineralen worden met de producten afgevoerd, dus er moet bemest worden.

Tot het eind van de 19de eeuw was organische mest voldoende. Binnen het boerenbedrijf werd veevoer geteeld en de mest ging op het eigen land. Voor extra mineralen werd o.a. mest vanuit de steden gebruikt (de ‘boldootkar’!) dus de kringloop bleef lang min of meer in stand.

De groei van de populatie in de 19de eeuw door industrie maakte kunstmest noodzakelijk.

Naar schatting leven 2 miljard mensen nu dankzij kunstmest.

Als we over 50 jaar 10 miljard mensen zouden willen voeden met gebruik van alleen organische mest, zou dat betekenen dat het landbouwareaal 2 tot 3 maal zo groot moet worden als nu. En dat zou betekenen dat alle wouden, steppen, savannen enz. ontgonnen zouden moeten worden. Het is dus niet wenselijk overal over te schakelen op biologische landbouw, of ‘biologische landbouw’ moet afstappen van het idee dat kunstmest alleen maar verderfelijk is.

De ingewikkelde kringloop van stikstof  

Het element stikstof is vooral een probleem.

Er is een enorme hoeveelheid van in de vorm van N2 in de lucht, maar daar kunnen organismen niets mee – behalve een paar bacteriën o.a. in wortelknolletjes

Andere planten zijn afhankelijk van die bacteriën in de grond en die zijn er niet zo veel (wereldwijd is minder dan 12 kilo van het benodigde enzym aanwezig!).

In 1830 was bekend dat nitraten noodzakelijke meststoffen zijn, maar pas vanaf 1950 worden ze wereldwijd op grote schaal gebruikt.

NB.

De productie van kunstmest kost veel energie (N uit de lucht wordt gekoppeld aan methaan uit aardgas).

De landbouw is afhankelijk van fossiele brandstof, naast de afhankelijkheid van aardgas. Als alle tractoren van de VS vervangen zouden worden door paarden (zoals romantici soms zouden wensen) zouden er 250 miljoen paarden nodig zijn om de huidige landbouw te bedienen. Tweemaal het huidige areaal landbouwgrond zou nodig zijn om die dieren te voeden… En toch gebruiken de landbouwwerktuigen in de VS slechts 1% van de landelijke consumptie aan vloeibare fossiele brandstoffen…

  5 Diversiteit

E r zijn nu circa 250 000 soorten planten beschreven. Daarvan zijn naar schatting

  • 30 000 eetbaar.
  • 7 000 soorten ooit ergens gebruikt als voedselbron.
  • 150 soorten tegenwoordig op enige schaal gekweekt als voedsel, waarvan
  • 15 soorten 90% van al het menselijke voedsel uitmaken waarvan
  • 3 soorten (rijst, maïs en tarwe ) 2/3 van de menselijke voeding vormen.

 De beperking van het aantal soorten, en daarbinnen van het aantal rassen, maakt de productie kwetsbaar voor ziekten en plagen.

Veranderingen in ecosystemen

Enkele gebieden kennen al meer dan 7000 jaar continue landbouw (China, het tweestromen land Mesopotamie).

In andere gebieden is dat duizend of een paar duizend jaar het geval. Milieuproblemen heeft dat altijd opgeleverd. Maar de intensiteit daarvan in onze tijd is wel nieuw. Ook nieuw zijn effecten als de verhoogde ozonconcentratie door smog, die veel schade in de landbouw kan aanrichten.

Noch de achteruitgang van de bodemkwaliteit, noch de klimaatverandering hoeft een bedreiging te vormen voor de mensheid en de landbouw  -  maar wel het feit dat mensen zo vaak fout reageren op deze ontwikkelingen.

25 jaar geleden werd er veel geschreven over de groei van de Sahara naar het zuiden, waardoor langzaamaan een groot deel van Afrika woestijn zou worden. Nu lijkt het er meer op dat de uitbreiding van de woestijn destijds deel is van een cyclisch proces, waarbij de grens van de woestijn heen en weer schuift. Voor de lokale bevolking kan dat rampzalig zijn, voor de wereld heeft het nauwelijks effect.

Verzilting is een groot probleem in gebieden waar veel irrigatie plaats vindt, zoals India, maar ook in ons land.  Door het planten van de juiste gewassen en betere irrigatietechnieken lijken de gevolgen wel te beheersen .

Het in stand houden van de bodemvruchtbaarheid is met moderne en traditionele methoden redelijk goed mogelijk.

Kort geleden vermeldden de kranten dat de  afname van de biodiversiteit in gebieden waar gen-gewassen worden geteeld niet te verklaren is door effecten van die genetische veranderde maïs of soja maar door het royalere gebruik van herbiciden. Er groeien dus geen onkruiden op de akkers met gen-gewassen. Daardoor hebben insecten ook minder kans en vermindert de diversiteit ter plaatse.

Luchtvervuiling

De moderne landbouw leunt zwaar op pesticiden. Deze kunnen elke lente en zomer overal in de bewoonde wereld in de regen worden aangetoond. Afbraakproducten van DDT  komen nog steeds voor in drinkwater (in de VS), ook al is DDT sinds 1973 verboden.

Een belangrijk effect van contact met pesticiden is het verzwakken van het immuunsysteem, waardoor infectieziekten en kanker meer zouden kunnen voorkomen. Dit lijkt tot heden overigens weinig effect te hebben, gezien de nog steeds stijgende levensverwachting.

Ozon

Dankzij internationale verdragen vermindert de aantasting van de ozonlaag in de stratosfeer, maar in de troposfeer neemt het ozongehalte juist toe en bedreigt de gewassen.

Fotochemische smog ontstaat vooral door fossiele brandstoffen, maar ook boven bemeste grond uit NOx plus CO plus organische verbindingen, met als gevolg 10% oogstvermindering.

Klimaatverandering

Er is nog altijd onzekerheid over de effecten van de broeikasgassen. Dat het klimaat warmer wordt is duidelijk; dat die gassen effect hebben ook, maar niet zeker is hoeveel het aandeel van die gassen is en hoeveel natuurlijke klimaatschommeling betreft. Vanuit het voorzorgprincipe is het verstandig om te proberen de uitstoot van broeikasgassen te beperken. Het gaat daarbij niet alleen om verbanding van fossiele brandstoffen.

Als het wereldklimaat warmer wordt komt automatisch nog meer broeikasgas vrij. Met name als de noordelijke toendra’s warmer worden komen grote hoeveelheden methaan (CH4)  vrij die een zeer groot effect hebben De klimaatverandering heeft dus de neiging om zichzelf te versterken als eenmaal een evenwicht verbroken is (positieve terugkoppeling). (Ook uit de oceanen kan door opwarming veel methaan beginnen te ontsnappen).

Voor de landbouw kan een warmer klimaat en hoger CO2-gehalte  gunstig zijn: veel planten groeien sneller en er kan noordelijker landbouw worden gepleegd.. Nu al is vastgesteld dat in Australië door de hogere temperaturen de graanoogsten met 10 tot 20% is gestegen vergeleken bij 50 jaar geleden (voor de helft door nieuwe rassen - voor de helft door klimaat). Maar andere processen kunnen juist vertraagd worden als de temperatuur regelmatig boven het optimum komt.

De voorspellingen zijn nog steeds erg uiteenlopend. Aannemelijk lijkt dat Canada en Rusland zullen profiteren van een warm klimaat en de (sub)tropische gebieden vooral last zullen hebben (woestijnvorming, overstromingen enz.)

Kunnen we de “wereld redden”?

Mogelijkheden voor hogere productie

Als we de komende decennia 4 miljard meer mensen moeten voeden, zal dat vooral moeten gebeuren door intensivering van de bestaande landbouw op bestaande landbouwgronden. Veel meer grond in productie nemen is niet eens nodig.

Na de oliecrisis van 1973 bleek het plotseling mogelijk om veel efficiënter met olieproducten om te gaan. Toen de olieprijzen in 1985 weer zakten, was de belangstelling voor meer efficiency snel weggezakt, maar dat er veel mogelijk is, is in elk geval aangetoond.

Er is niet één maatregel aan te wijzen die de “wereld kan redden” maar een combinatie van goede maatregelen kan dat wel. De energieconsumptie van de voedselproductie kan een heel stuk lager.

De totale voedselproductie kan 20-30% toenemen. De rijke landen kunnen met een gelijk landbouwareaal zichzelf voeden plus exporteren, de arme landen met hun groeiende bevolking en toenemende welvaart kunnen door beter waterbeheer en kunstmestgebruik de productie sterk opvoeren.

In sub-Sahara–Afrika is het kunstmestgebruik zo laag dat de bodemvruchtbaarheid continu afneemt, terwijl jaarlijks 20% groei nodig zou zijn. Bij inefficiënt gebruik gaat tot wel 50% van de toegediende N de lucht in of dieper de bodem in. Afrika blijft problematisch. In Azië is de graanproductie wel enorm toegenomen.

Door goed bodemonderzoek kan de boeren geleerd worden om op het juiste moment de juiste bemesting toe te passen.

Het aanplanten van vlinderbloemigen is een goede methode om het stikstofgehalte in de grond te verhogen, maar dit geeft geen direct effect.

Traditionele landbouwmethoden kunnen veel mensen voeden: China en Mexico  bereikten vijfhonderd jaar geleden al een productiviteit die vergelijkbaar is met die van nu. De landbouwproductiviteit in Europa liep daarbij ver achter - en de extensieve graanteelt in de Verenigde Staten van de negentiende eeuw bleef ver achter bij die van de laagvlakte van Mexico.

In China was wisselteelt met dergelijke soorten gebruikelijk, maar daarvoor ontbreekt nu de ruimte - er zou minder graanopbrengst zijn, een hoeveelheid die 75 miljoen mensen zou kunnen voeden. Ze zijn daar dus aangewezen op kunstmest. Dit geldt ook voor andere gebieden. Voor Afrika zou wisselteelt met peulvruchten het rendement enorm kunnen verhogen: zowel de kwaliteit van het dieet als de bodemvruchtbaarheid kan zo verbeterd worden.

Productie van soja kan geheel zonder N-mest dankzij N-bindende bacteriën.

Maar recent is gebleken dat ook andere gewassen symbiose met N-bindende bacteriën kennen, suikerriet bijvoorbeeld (ook rijst, banaan, ananas en oliepalm).

Brazilië maakt daar al uitbundig gebruik van voor biobrandstof. (met kunstmest zou dat veel te duur worden, zoals ook bij ons biodiesel te duur is). Ook vrijlevende N-bindende bacteriën kunnen geënt worden, bijvoorbeeld bepaalde cyanobacteriën in natte rijstvelden.

Door efficiënt gebruik van al dit soort zaken kan de productie de komende decennia met 25-30% toenemen, in de rijke landen zelfs met 70%!

Terzijde: het idee dat biologische landbouw, zonder kunstmest, de wereld zou kunnen redden klopt niet. Organische mest is duurder, want arbeidsintensief, en zou in het algemeen in combinatie met kunstmest moeten worden gebruikt om optimale verhoudingen van de mineralen in de bodem te krijgen.

Tarwe in de woestijn

Een van de problemen in onze tijd is dat men de verkeerde gewassen op de verkeerde plaatsen teelt.

Tarwe in de woestijn, rijst in droge delen van China.

Dit heeft ook te maken met de mondialisering.

Bijvoorbeeld: in Afrika zijn veel gebieden in de afgelopen decennia aangewezen geweest op voedselhulp. Daar kreeg men dan rijst of tarwe. Daarna werden deze granen vooral  in de steden meer gewild dan de gierst die in eigen droge omgeving goed groeit..

Sorghum in plaats van maïs, zonnebloemen in plaats van soja voor olie kan 20-25% water besparen.

Droge gebieden zouden zelfs beter kunnen afzien van graanteelt. Graan kan beter geïmporteerd worden in die landen. Landen als Libië en Saoedi-Arabië telen graan in de woestijn, met gebruik van water uit de ondergrondse aquifers die op deze manier vroeg of laat leeg zullen raken (met gevolgen ook voor de oases in de woestijn).

Rationele productie van dierlijk voedsel

Op basis van voedselketens zou vegetarische voeding verreweg de voorkeur verdienen: hoe “dichter bij de zon” men eet, hoe meer mensen kunnen eten van een gegeven landoppervlak. Voor zover het vee dingen eet die wij ook zouden kunnen eten geldt dit zeker.

Maar er zijn ook veel plekken waar men de grond nooit zou moeten omploegen (hellingen) of waar niet veel anders dan gras wil groeien (natte polders, alpenweiden) . Als daar koeien, schapen en geiten grazen, ‘concurreren’ ze niet met de mens. Ook als het vee gevoerd wordt met afvalproducten zoals sojaresten, citruspulp en stro speelt dit geen rol.

Wat aten onze voorouders?

Onze verre voorouders waren ongetwijfeld (net als chimpansees) hoofdzakelijk vegetariërs, die af en toe hun dieet aanvulden met vlees. Volgens sommige onderzoekers kon het grote brein zich pas ontwikkelen toen men meer vlees ging eten. Hersenweefsel is erg ‘duur’. (Strikt vegetarisme is een cultureel verschijnsel en zeker niet aangeboren.)

Met de ontwikkeling van het grote brein werd het noodzakelijk te beperken op andere organen. Omdat lever en nieren  niet kleiner kunnen, was de enige mogelijkheid een kortere darm (onze darm is eigenlijk 40% te klein voor onze afmetingen, vergeleken met andere mensapen) . Dit dwong onze voorouders om voedzamer voedsel te zoeken. Waar veel noten en zaden te vinden waren zou een vegetarisch dieet kunnen voldoen, maar elders niet.

Als we alleen bladeren en vruchten zouden eten zouden we dagelijks meer dan 3 kg. fruit  en 10 kg. bladeren nodig hebben.

Ook archeologische vondsten geven aanwijzingen dat de vroege mens vlees at, dat hij waarschijnlijk vooral in eerste instantie aaseter was. Hij was te klein om op groot wild te jagen.

Duurzaam eten

Bij de vraag hoe we de toekomstige 10 – 11 miljard mensen kunnen voeden doet zich dus ook de vraag voor hoeveel vlees en andere dierlijke producten we dan eigenlijk nodig hebben. Uit vergelijking met chimpansees zou een consumptie van  6 – 17 kg vlees per jaar noodzakelijk zijn.

Dit komt overeen met de vleesconsumptie in de meeste preïndustriële maatschappijen. In boerengemeenschappen was 5 -10 kg/jaar gebruikelijk (eenmaal per week een stukje vlees, of bij feesten).  Alleen herdersvolken en rijken aten meer vlees.

Op evolutionaire gronden zou een consumptie van 10 - 20 kg/jaar wenselijk zijn.  Naar schatting is het gemiddelde nu 35 kg/jaar (plus 80 l/jaar melk)

In de rijke landen is de vleesconsumptie circa  70 – 110 kg/jaar (plus meer dan 300 liter/jaar melk).

Als de mensen in de nu arme landen ook een dergelijke vleesconsumptie willen bereiken zou de veeteelt enorm moeten groeien, onder andere door verdere ontbossing.

In 1910 werd 10% van de wereldgraanoogst aan het vee gevoerd, nu meer dan 45% (in de VS 60%, in India 5%).

Een veel efficiëntere manier van dieren voederen zal dringend nodig zijn. Mogelijkheden om efficiënter te produceren hebben al gezorgd dat dieren met minder voer meer vlees produceren. Maar er kan nog veel verbeterd worden.

De gunstigste verhouding tussen voer en product is er bij melk, gevolgd door eieren, kip en varken. Rundvlees eten is het minst efficiënt. Maar als runderen gras eten dat voor ons onverteerbaar is, geldt dat niet,  dus rundvlees hoeft niet helemaal afgeschaft te worden.

Vis

In 1996 waren de oceanen volledig bevist, wat betekent dat ca. 60% van de ‘grote ‘ soorten overbevist wordt, of aan het maximum zit.

De vraag is of visteelt dat zou kunnen opvangen.

In China is viskweken al eeuwenlang in zwang, maar met een vrij lage opbrengst.

Een fraai voorbeeld van gecombineerde teelt in Zuid-China is het systeem van ‘dike- ponds’ waar in hetzelfde bedrijf aqua- en agricultuur wordt gecombineerd en geïntegreerd: op het land koeien, varkens, groente, suikerriet en moerbei, in het water eenden en vis. Bijna alles kan worden gerecycled. Dit systeem is het meest productieve van alle traditionele systemen. Er is in zo’n klein bedrijf  (0,2 -0,5 ha) werk voor drie mensen, maar het kan 50 mensen per hectare voeden.  Het geheim zit vooral in het feit dat er verschillende vissen in de vijvers verschillende niches hebben (planktoneters, alleseters, afvaleters).

Intensieve rijstteelt in hetzelfde gebied voedt slechts 11 mensen/hectare

Visteelt (inclusief garnalen, etc.) groeit snel  Alleen de kweek van herbivoren (karper, tilapia) is echt duurzaam. Voor zalm wordt vooral vismeel gebruikt, zodat deze vissoort ook voor de oceanen erg ongunstig is (hiervoor worden juist kleine en jonge vissen gevangen wat de voedselketen ernstig verstoort). Bovendien levert kweken in open water problemen met watervervuiling en antibiotica in zee.

Tussen oogst en tafel

Mogelijkheden om de productie op te voeren zijn er dus genoeg om heel veel meer mensen te voeden.

Wat er daarna gebeurt is veel minder onderzocht.

De FAO publiceert jaarlijks cijfers over de productie maar deze zijn niet betrouwbaar,

Naar schatting gaat na de oogst 1 – 40% van het voedsel verloren. Bovendien gaat het gehalte aan bijv. essentiële aminozuren (lysine) met tientallen procenten achteruit tijdens transport en opslag.

Koelen en invriezen vernietigt niet alleen vitamine C maar ook  de vitamines A, D en E en sommige onverzadigde vetzuren.

Niet alleen de landbouwproductie, ook wat de mensen echt bereikt is moeilijk te schatten.

We weten dus op geen stukken na wat mensen eigenlijk aan voedsel bereikt.

Bovendien is niets bekend over wat mensen in het wild vangen en verzamelen. Bij ons mogelijk wel ongeveer, maar in de tropen eten ze rupsen en mieren en hagedissen en slangen en dat wordt nergens genoteerd. Het gaat niet over grote hoeveelheden, maar waarschijnlijk net over de nodige aanvulling van eiwitten. Het kan plaatselijk gaan om 25-50% van de vleesconsumptie!

Dit geldt ook voor planten: in Afrika worden meer dan 500 soorten wilde planten gegeten.

De gemiddelde consumptie van mensen in de 19de eeuw (2200kcal/dag) is ongeveer gelijk aan het gemiddelde nu – maar de fysieke arbeid is nu veel minder!)

Wanneer vergeleken wordt hoeveel voedsel er beschikbaar is en hoeveel er echt gegeten wordt, blijkt, dat er heel veel verloren gaat/ c.q. wordt weggegooid (in VS 40%, in Japan 30%).

Dit kan aan foute schattingen liggen maar waarschijnlijk gaat er inderdaad veel verloren.

Uit onderzoek aan huishoudens bleek: 27% wordt weggegooid, in China 15%, in  India 10% en in echt arme landen niets

Als de verliezen in de rijke landen beperkt zouden worden tot 20%, zou een hoeveelheid gelijk aan de helft van de wereldgraanproductie extra beschikbaar zijn.

Hoeveel heeft een mens eigenlijk nodig?

In teksten over voedsel en voedseltekorten wordt om te beginnen meestal uitgegaan van een soort standaard, gebaseerd op de jonge, westerse man.

Als mensen gevraagd wordt hoeveel iemand eigenlijk nodig heeft, schat men dat bijna altijd te hoog.

Het basaal metabolisme is afhankelijk van leeftijd, lengte, gewicht en sekse, maar varieert daarboven individueel. De verschillen zijn groot. Bovendien blijken sommige groepen erfelijk bepaald andere behoeften te hebben (mannen en vrouwen van Sri Lanka bijvoorbeeld kunnen met veel minder toe dan Europanen).

De mens is een variabele soort ook wat de voedselbehoefte betreft. Enkele voorbeelden:

In Papua houdt men vanouds varkens. Deze worden geslacht maar vooral door de mannen gegeten. Zwangere en zogende vrouwen en kinderen kregen traditioneel weinig of niets, terwijl hun eiwitbehoefte het grootst is. Bij onderzoek bleek dat zij via microben in het darmkanaal toch voldoende eiwit produceren uit hun eiwitarm voedsel.

Siberiers blijken een duidelijk hogere stofwisseling te hebben, waardoor ze zich in hun koude klimaat goed kunnen handhaven.

Zo zijn er waarschijnlijk veel meer aanpassingen bij diverse groepen die al duizenden jaren in een bepaald klimaat leven.

Bij zuigelingen is 50% van de energiebehoefte nodig voor het brein, op latere leeftijd rond 20%. Door een geleidelijk toenemend vetgehalte wordt de energiebehoefte met de leeftijd lager en wordt het verschil tussen mannen en vrouwen ook groter.

Doordat de mensen in Azië en Afrika gemiddeld langer worden (wat in Amerika en Europa in de 20ste eeuw gebeurde), neemt de gemiddelde behoefte aan calorieën toe.

Om de voedselbehoefte van een hele populatie te kunnen schatten moet de samenstelling bekend zijn (met het vergrijzen van de bevolking gaat het gemiddelde omlaag!).

De werkelijke eiwitbehoefte is ook niet goed bekend.  (Hier in Nederland volgen de adviezen de consumptiestijging).  Deze blijkt lager dan lang gedacht werd.

(In Duitsland werd tijdens de eerste wereldoorlog (1914 - 1918) door de overheid gesteld dat een soldaat 340 gram vlees / dag nodig heeft, waardoor de voedseltekorten enorm waren (leken te zijn))

De werkelijke behoefte is niet bekend. Deze kan met mensen ook niet goed onderzocht worden (onderzoeksresultaten bij andere soorten zoogdieren zijn niet zomaar voor mensen te gebruiken).

Volgens de FAO is gemiddeld 2000 kcal/dag noodzakelijk.

Wereldwijd is 2700-2800 kcal/dag beschikbaar. Maar als alle mensen zouden uitgroeien tot hun genetische bepaalde lengte zou er 10% meer voedsel nodig zijn.

Het kort blijven van mensen bij een  matige tot geringe voeding, kan als een handicap worden gezien, maar je kunt het ook bekijken als een zinvolle aanpassing: wie klein blijft kan levenslang met minder voedsel toe en dus overleven waar een lang mens zou verhongeren.

Ondervoeding in onze tijd heeft niets te maken met en tekort aan voedsel op deze wereld, maar met een foute verdeling. Er is geen voedselprobleem, er is alleen een armoede probleem.

Een vreemd feit:

Volgens de FAO zou een volwassen vrouw van 65 kg  1840 kcal/dag nodig hebben, maar uit alle onderzoeken in de VS en Canada blijkt de gemiddelde consumptie van vrouwen nooit hoger komt dan  1550 kcal/dag.  Dit ondanks het hoge percentage veel te zware vrouwen in die landen. Waaraan dit ligt is niet duidelijk. Geven de vrouwen sociaal gewenste antwoorden in interviews, vergeten ze een deel of is de aanbevolen waarde veel te hoog?

Ook in arme landen liggen de consumpties van vrouwen vaak erg laag, maar daar heeft het waarschijnlijk wel met verborgen ondervoeding te maken

Uit veel onderzoeken blijkt dat vrouwen, die volgens de FAO-normen ondervoed zouden zijn, toch gezonde baby’s krijgen. De aanbevolen waarde is dus vermoedelijk gewoon te hoog.

Schattingen van het aantal mensen dat ondervoed is, zijn daarom onbetrouwbaar. Toen de WHO een jaar of twintig geleden de aanbevolen eiwitwaarde omlaag bijstelde was het wereldvoedselprobleem plots de helft kleiner.

De mens is blijkbaar een zeer flexibele soort, die zich ook lang kan handhaven bij een schraler dieet, die zijn energiehuishouding kan aanpassen.

FAO-schattingen van ondervoede mensen zijn vermoedelijk 5-10% en zelfs mogelijk 25% te hoog. Het in het najaar van 2003 genoemde aantal van 840 miljoen is dus misschien 600 miljoen. Dit is nog schandalig veel natuurlijk.

Waarschijnlijk krijgt men betrouwbaarder informatie door te kijken naar de levensverwachting. Volgens de FAO is in Sri Lanka 38% van de kinderen ondervoed en 25% van de volwassenen, toch is de levensverwachting in dat land 72 jaar, ongeveer gelijk aan die in de meeste Europese landen dus.

Het ideale dieet

Zoals gezegd veranderen diëten met toenemende welvaart volgens een vast patroon – meestal naar minder gewenste voedingsgewoonten. Grote multinationals hebben hierin grote belangen. Er wordt nu veel meer vlees gegeten en veel minder graan dan wenselijk is.

In traditionele diëten speelden peulvruchten vaak een belangrijke rol als eiwitleverancier.

De combinatie van graan met peulvruchten levert een even goede eiwitsamenstelling als vlees. Dat was in veel gevallen de gebruikelijke voeding:

  • sojabonen en andere bonen met graan in Oost-Azië,
  • linzen en bonen met rijst of ander graan in India en het Midden-Oosten,
  • pinda’s en graan in Afrika en
  • bonen plus maïs in Amerika.

Peulvruchten leveren daarnaast ijzer en andere noodzakelijke stoffen.

De consumptie daarvan is overal sterk afgenomen (behalve in India).

Terwijl peulvruchten destijds tot 15% van de energie en tot 30% van de eiwitten leverden, zijn ze nu uit de meeste voedselpakketten bijna verdwenen, terwijl nu suiker wel 20% van de energie levert

Jagers-verzamelaars voedden zich met wat hun omgeving bood en dat was zeer uiteenlopend, Eskimo’s kregen veel vet binnen (met 300 gram eiwit/dag), maar de meeste anderen weinig (wilde dieren zijn mager). In de Afrikaanse savanne at men minder dan 20 gram eiwit per dag.

In Europa begon de vleesconsumptie pas te stijgen na de tweede wereldoorlog, honderd jaar later dan in de VS!.

Recent is de vetconsumptie behoorlijk aan het dalen in de rijke landen (maar nog steeds veel te hoog).

Als de Aziatische landen vooral de westerse eetgewoonten gaan overnemen (wat in Japan en Taiwan nu gebeurt) zou dit een slechte ontwikkeling zijn. Als het westen juist meer Mediterrane en Aziatische patronen (minder calorieën en minder dierlijke producten) gaat volgen, zou dat voor de toekomstige voedselvoorziening veel beter uitpakken.

Voedingsgewoonten veranderen aan de ene kant soms sterk, terwijl populaties in andere opzichten heel conservatief zijn in hun voorkeuren: in Japan at men geen zuivel en geen suiker, maar na de oorlog is de zuivelconsumptie in dat land populair geworden (tot 40% van die van de VS), terwijl de suikerconsumptie er nog altijd laag is.

Er valt niet te voorspellen hoe de eetgewoonten zich zullen ontwikkelen, Aan de ene kant zijn traditionele patronen vaak heel sterk, aan de andere kant spelen modes een grote rol en heeft voedsel ook een statusverhogend effect

Onder Amerikaanse studenten is wat je eet sterk aan mode onderhevig: magere melk is nu populair, evenals bloemkool, druiven, aardbeien en kip terwijl tomatensap, spruitjes, volle melk en sorbet ‘uit’  zijn.

Stokbrood, garnalen en appels bleven even populair tijdens een longitudinaal onderzoek van 15 jaar, varkensvlees haring en limabonen bleven al die tijd impopulair.

Voor de toekomst zou het volgende dieet noodzakelijk zijn om die 10 miljard behoorlijk te kunnen voeden:

  • Vleesproducten kleine hoeveelheden, hoofdzakelijk varkensvlees en kip (wegens de gunstige omzetting) – voor een kwart van de mensheid is varkensvlees echter niet acceptabel);
  • Vis afkomstig van een duurzame visserij of visteelt vooral van herbivore vissen (karper, tilapia).
  • Paddestoelen en schimmels ( waaronder de zgn NPF, ‘New Protein Food’,  zoals quorn). Wat minder bekend is is het feit dat ook paddestoelen een gunstig eiwitgehalte hebben (30-50% van de droge stof). Deze kunnen bovendien duurzaam gekweekt worden op afvalstoffen (stro, zaagsel, mest e.d.) die daarna nog eens goede mest vormen. Voor producten van fungi (schimmels) geldt hetzelfde (quorn).
  • Verder lijkt er voor granen, fruit en groenten geen probleem te hoeven ontstaan, wanneer er efficiënt wordt gewerkt, zodat de productie omhoog gaat en de verspilling sterk omlaag.  

De FAO en andere organisaties moeten hun aanbevelingen bovendien niet meer opstellen op basis van de gemiddelde westerse jonge man (dat is veel te hoog)  maar op gezonde mensen (met een Q-index tussen 19 en 27), waarin alle nutriënten aanwezig zijn.

Al in de jaren dertig werd vastgesteld dat mensen met een lagere energie-inname (maar wel met alle nutriënten) langer en gezonder leven . Recent onderzoek laat bij allerlei dieren zelfs een extreme levensverlenging zien. Dit geldt niet voor kinderen: 40% van de kinderen van de wereld is nu te licht!

December 2003

L.E. Pihlajamaa-Glimmerveen

 

Literatuur

Vaclav Smil: FEEDING THE WORLD A challenge for the twenty-first century (The MIT Press, 2000)

Vaclav Smil: CYCLES OF LIFE Civilisation and the biosphere (Scientific American Library, 1996) (Nederlandse versie: ELEMENTAIRE KRINGLOPEN,  (Natuur en Techniek, 1999)

Dennis Meadows RAPPORT VAN DE CLUB VAN ROME (Uitg het Spectrum 1972)

Terug naar het begin van deze pagina


  Je wilt meer artikelen met een biologische inslag van drs. Loes E. Pihlajamaa-Glimmerveen lezen? Klik hier.


 

door

drs. L.E. Pihlajamaa-
Glimmerveen