|
Op de grens van alfa en bèta |
||||
De sprekende slangMenselijk gedrag wordt bepaald door de cultuur waarin iemand opgroeit, maar ook door de biologie van de soort. Dit zijn niet twee gescheiden terreinen; beide invloeden zijn er tegelijk en altijd, vaak zonder dat we ze precies kunnen onderscheiden. Zolang de mens bestaat –
en al lang daarvoor – vormen gifslangen een belangrijke doodsoorzaak. In
vrijwel alle culturen spelen slangen een belangrijke rol.
Soms worden zij beschouwd als goden of als boodschappers van goden of van de duivel, soms
zijn het demonen. In het paradijsverhaal uit de bijbel is het een (sprekende)
slang die Eva verleidt tot het kwaad. Daarmee is de slang blijvend het symbool
van de zonde(val) geworden in de joodse en later ook in de christelijke cultuur. In hoeverre zit onze angst voor slangen in de genen (‘instinct’) en in hoeverre is het een cultureel verschijnsel? Heeft er natuurlijke selectie plaats gevonden op mensen die voldoende op hun hoede waren voor slangen of op culturen waar deze angst werd gecultiveerd? Trek hieruit niet de conclusie dat er een ‘gen
voor slangenangst’ zou bestaan. Dat er een genetische basis voor gedrag
bestaat is inmiddels wel duidelijk, maar op welke manier de genen gedrag beïnvloeden nog niet.
MemenDat biologische soorten zich hebben ontwikkeld door natuurlijke selectie op spontaan ontstane varianten is inmiddels voldoende aangetoond. Onderzoekers raken er steeds meer van overtuigd dat vergelijkbare processen ook plaats vinden met ‘memes’ (een Engelse term, afgeleid van ‘memory’, naar analogie van genes). Memen zijn onderdelen van onze culturen, bijvoorbeeld ideeën, melodieën, uitvindingen. Ook deze ontstaan spontaan en kunnen in korte tijd weer verdwijnen, of zich juist snel verbreiden. Onze huidige cultuur is opgebouwd uit de succesrijke memen die we van onze voorouders hebben geërfd. De minder geslaagde zijn verdwenen en vergeten. De memen-evolutie gaat veel sneller dan de biologische evolutie, maar is er niet geheel onafhankelijk van. Omgekeerd kan het zijn dat onze biologische evolutie versneld is door de culturele evolutie, bijvoorbeeld van de taal, of van altruïstisch gedrag: clans die goed konden communiceren, of die een sterke sociale samenhang hadden door hun altruïsme hadden grotere overlevingskansen, maar deze kenmerken waren gekoppeld aan kenmerken van het brein. Er zijn nu zelfs aanwijzingen dat er een centrum in de hersenen is voor spiritualiteit (zie Trouw van 8 juni 2000). Dat de menselijke cultuur op de een of andere manier in onze structuur zit blijkt ook uit het ‘experiment’ van de Nieuwe Wereld. Toen de eerste mensen via Alaska Amerika betraden, waren zij nog nomadische jagers en verzamelaars die zich vervolgens over het hele westelijke halfrond verspreidden en zich aanpasten aan het plaatselijk milieu. Toen de Europeanen na Columbus kennis maakten met de verschillende culturen daar bleken er hoog ontwikkelde culturen te bestaan die enerzijds vreemd waren, maar anderzijds veel bekende elementen bevatten: er werd graan (maïs) en groenten geteeld, er werden aardewerken potten, metalen sieraden en wapens vervaardigd, men kleedde zich in geweven stoffen en er was een erfelijke adel; koningen en priesters beheersten het leven van het gewone volk. Archeologisch onderzoek in onze tijd bevestigt dit. Het lijkt erop dat er in onze hersenen een basispatroon zit waardoor mensen de neiging hebben om bepaalde sociale en technische ontwikkelingen door te maken. Terug naar het begin van deze pagina
|
English version: read here. |
|