Op de grens van alfa en bèta

Loes' opening

HOVO Limburg

WILPF

e-mail

Home

     

Bacteriën waren machtiger dan keizers

 
door Loes Pihlajamaa-Glimmerveen

Tot voor kort bestond 'geschiedenis' vooral uit de beschrijving van politieke geschiedenis. We leerden over koningen en generaals, veroveringen en veldslagen; daarnaast ook wel over de culturele aspecten, maar heel weinig over hoe de gewone mensen leefden in de Romeinse tijd of in de Middeleeuwen. Voor biologische en medische aspecten van het leven was al helemaal geen belangstelling. Ten onrechte.

Grensverleggers

We zijn gewend strikt onderscheid te maken tussen de natuurwetenschappen (de ‘bètavakken’) en de menswetenschappen (de ‘alfavakken’). Alfa’s en bèta’s zijn vaak mensen die veel van hun vak weten, maar weinig van andere onderwerpen en vrijwel niets van de andere kant van de 'scheidslijn'. Maar vaak is die grens niet zo scherp getrokken. Het artikel op deze pagina is daarvan een voorbeeld.

Gelukkig zijn er in alle takken van wetenschap ook mensen die de muurtjes weten te slechten en de samenhang van alle menselijke kennis zichtbaar maken. Lees daarover hier.

Parasieten en 'natuurlijke vijanden' spelen een belangrijke rol in het handhaven van populaties en daarmee ook in het handhaven van ecosystemen; bij overbevolking treedt voedselgebrek op of er breekt een besmettelijke ziekte uit en het evenwicht wordt weer hersteld.

De mens vormt hierop geen uitzondering, ook al kunnen we die ziekten nu veelal goed bestrijden. Het ontstaan van AIDS en andere nieuwe ziekten toont aan dat we ook nu nog niet immuun zijn voor deze processen.

Het is interessant om eens te kijken naar de rol van ziekten en plagen, die in elk geval tot voor kort de menselijke populatie in hoge mate reguleerden. De menselijke populatie verdubbelde  grofweg in de periode van het jaar 1 tot 1600, daarna in ongeveer 200 jaar, en vervolgens steeds sneller, nu in 35 tot 40 jaar. Toch waren in vroegere eeuwen de geboortecijfers hoog; veel hoger dan nu. Men zegt dan onmiddellijk, "ja, maar de sterftecijfers ook". Dat is natuurlijk zo, maar die waren niet gelijkmatig over de tijd verdeeld; er waren perioden van grote bevolkingstoename en perioden met enorme sterfte. Tot 50 procent van de bevolking stierf soms tijdens één epidemie! Tot voor kort waren het de ziekteverwekkers en parasieten die de menselijke populatie redelijk constant hielden.

Geschiedenis is biologie
en
biologie is geschiedenis

De ecologische crisis waarin we heden verkeren is op zijn minst deels te verklaren door het feit dat we dit evenwicht verbroken hebben.

Nog een misverstand: de gemiddelde leeftijd van de mens was lange tijd 35 tot 40 jaar. Men trekt daaruit vaak de conclusie dat mensen van zestig jaar of ouder vroeger uiterst zeldzaam waren. Zo was het niet: wie toen de vijftig had gehaald, had een bijna even grote levensverwachting als iemand die nu vijftig wordt. De sterfte zat vooral in de vroege jeugd en bij vrouwen rond het kraambed, maar zeer oude mensen kwamen in alle gemeenschappen voor.

De pokken, niet de Spanjaarden

Azteken in de zestiende eeuw, als slachtoffers van een pokkeninfectie.

Uit: Historia de Las Casas de Nueva Espana, in het archeologisch museum van de Harvard Universiteit.

Iedereen kent het verhaal van de verovering van Amerika: Cortez kwam met een klein legertje (nog geen zeshonderd man) te paard en de Azteken waren zo verbijsterd over deze vreemde wezens op vier poten en met twee hoofden waarvan het ene menselijk dat ze hen voor goden hielden en zich direct aan hen onderwierpen.

Dit is de populaire versie, goed voor het Europese superioriteitsgevoel, maar niet echt waar. Montezuma en de zijnen zagen de Spanjaarden weliswaar aanvankelijk aan voor goden, maar al gauw wisten ze beter en ontdekten ze ook dat paarden wel degelijk kwetsbaar zijn en dat de primitieve geweren niet al te gevaarlijk waren. Weliswaar wist Cortez de hulp te krijgen van Montezuma's vijanden, maar het Aztekenrijk was machtig en sterk.

Het blijft wonderlijk dat de inheemse religies van de inwoners van Amerika zo snel plaats moesten maken voor het christendom. Lange tijd hebben Europeanen dit verklaard uit de superioriteit van onze beschaving of uit een goddelijke bestiering. Maar hier is geen godswonder voor nodig geweest, slechts een minuscule microbeweging.

Een Vlaamse versie van het zeilschip waarmee de marinheiros de wereld veranderden.

(Uit: Graphic Worlds of Peter Bruegel the Elder)

In de nacht waarin de Azteken met succes Cortez en de zijnen verdreven, brak een pokkenepidemie uit in Mexico. Daaraan bezweken veel soldaten. De verdedigers van de stad konden de Spanjaarden daardoor niet achtervolgen en dezen keerden korte tijd later toch als overwinnaars terug in de stad. Waarschijnlijk was er vooral sprake van een psychologisch effect: de Spanjaarden werden niet ziek, dus die moesten wel goddelijke bescherming genieten, dachten de Azteken. Hun god moest wel erg machtig zijn. (In werkelijkheid waren de Spanjaarden in hun jeugd allemaal al besmet door en dus immuun geworden tegen het pokkenvirus).

De bewoners van de Nieuwe Wereld hadden tot de komst van de Europeanen verbazend weinig last van ziekten, maar daardoor ook geen weerstand tegen de ziekten van de nieuwkomers van de andere kant van de oceaan. De geschiedenis herhaalde zich meerdere malen met diverse ziekten en elke keer was de les: de god van de christenen is veel sterker. Die kun je dus maar beter vereren.

Nezahualpilli (1460 - 1515), vorst van Texcoco toen de Spanjaarden Mexico veroverden.

Uit: Bibliothèque Nationale in Parijs.

Het culturele niveau van de beschavingen van de Azteken en de Inca's was heel goed vergelijkbaar met dat van Europa in die tijd. Culturele superioriteit van de Europeanen kan de snelle verovering van Amerika niet verklaren. Het feit, dat in Europa een hele reeks besmettelijke ziekten voorkwam, waartegen volwassen mensen hier dus veelal immuun waren en de mensen daar niet, kan dat wel. De Indianen moesten als het ware in enkele decennia een strijd tegen ziekten inhalen die de Europeanen in een paar duizend jaar hadden doorgemaakt.

De Zwarte Dood

 

Patiënten, lijdend aan de pest (klik op de afbeelding)

Het verhaal van de Zwarte Dood in de veertiende eeuw is algemeen bekend, maar historici hebben nooit veel belangstelling gehad voor de invloed ervan op de menselijke geschiedenis. Nu men zich daarin verdiept, blijkt die invloed heel groot te zijn geweest.

Omdat in de laatste twee eeuwen zeer grote epidemieën niet meer voorkwamen, beschouwden historici in de negentiende en twintigste eeuw de verhalen in oude geschriften vaak als zware overdrijvingen - maar dat waren ze niet. Onze voorouders hebben door de eeuwen heen te maken gehad met steeds weer nieuwe ziekten waartegen niemand immuun was en telkens moest er een nieuw evenwicht worden opgebouwd, ten koste van veel doden.

Een stabiele relatie tussen gastheer en parasiet betekent dat beide in leven blijven en zich voortplanten. Dat houdt in dat de parasiet zijn gastheer liever niet (snel) moet doden. Een levende gastheer geeft hem immers de kans zich verder te verspreiden.

De verspreiding van de Zwarte Dood in Europa tussen december 1347 en december 1350. Eind 1347 had de ziekte Turkije en gebieden om de Zwarte Zee alsmede Sicilië, Sardinië en Marseille in haar greep. Drie jaar later had de Zwarte Dood in nagenoeg heel Europa toegeslagen. Alleen Finland en een deel van Schotland was er nog vrij van.

Een nieuwe parasiet kan dat vaak nog niet, doodt zijn gastheer en verdwijnt. Dit zal vaak genoeg gebeurd zijn, maar zelden vastgesteld: er sterven wat mensen aan een onbekende ziekte en die verdwijnt dan - zoals nog recent gebeurde met de Lassa-koorts in Nigeria en de O'nyong nyong-koorts in Oeganda.

Een parasiet die zich weet te handhaven, wordt dus minder virulent. We zien dit vandaag de dag gebeuren met AIDS. In het begin stierven mensen er snel aan, nu zijn de overlevingsperioden al een stuk langer - niet alleen dank zij medicijnen lijkt het - en er zijn al mensen die heel lang seropositief zijn maar nog steeds niet ziek.

Verkoudheid is dus ongetwijfeld een heel oude bekende van de mens!

Voor het begin van de geschiedenis

Lange tijd leefden onze voorouders te midden van de wilde dieren. Ze moesten zich handhaven ondanks leeuwen, sabeltandtijgers en dergelijke. (McNeill spreekt hier van macroparasieten). Ook hier zal zich een evenwicht hebben ingesteld zodat de menselijke populatie min of meer constant bleef.

Toen mensen hun eigen voedsel gingen produceren, veranderde het patroon en kreeg men te maken met een ander type macroparasiet: medemensen, die het land veroverden en voedsel van de boeren roofden. In wezen is de hele beschaving gebaseerd op dit soort macroparasitisme: heersers, koningen en priesters, tempels en steden, allen leefden ze van wat de boeren hen moesten leveren. Dit gebeurde vaak invasiegewijs, maar er ontstond evenwicht als de heersers de boeren voldoende voedsel lieten houden om er zelf redelijk van te kunnen leven.

Beschavingen konden zich pas ontwikkelen nadat men geleerd had slechts een deel van de oogst van de boeren op te eisen zodat boeren onbegrensd konden blijven leveren. Er ontstond zo geleidelijk een soort symbiose tussen stad en land: de boeren leverden voedsel en de heersers (ridders) boden in ruil een zekere mate van bescherming tegen indringers.

In wezen imiteert de maatschappij in zekere zin een biologisch systeem, een organisme. Het vergelijken van witte bloedcellen met soldaten is niet helemaal onzin; alleen is het biologische systeem veel ouder en werkt het in het algemeen beter...

Het lijkt misschien vergezocht om in dit verband ook over militaire systemen te spreken, maar we zullen zien dat soms ziekten en legers - oftewel micro- en macroparasieten - vergelijkbare en elkaar versterkende effecten hadden op populaties.

Prehistorie

De vroege mens had vermoedelijk te maken met een groot aantal parasieten, zoals we nu nog zien bij de verschillende soorten (mens)apen. Hij leefde tenslotte in de tropen en daar wemelt het van de parasieten. (Men kent bijvoorbeeld ongeveer twintig typen malaria bij Primaten, waarvan vier bij de huidige mens). Zolang onze voorouders in het regenwoud verbleven, was er waarschijnlijk een redelijk evenwicht met de verschillende parasieten, zoals het hele regenwoud een ecosysteem vertegenwoordigt dat zich in 60 miljoen jaar geëvolueerd heeft tot een uiterst uitgebalanceerd systeem. De parasieten zullen dus niet al te virulent zijn geweest en de primaten leefden in redelijke gezondheid.

Toen de mens door zijn grotere intelligentie en zijn taal aan een versnelde evolutie begon (als het ware een culturele evolutie bovenop de biologische ging volgen) moet ook het ziektepatroon veranderd zijn. De mens heeft zich sinds die tijd zo snel ontwikkeld dat zich daarna nergens meer een evenwichtige situatie heeft kunnen ontwikkelen.

Echte moderne mensen van onze soort bestaan sinds een paar honderdduizend jaar, maar pas enkele duizenden jaren geleden ontwikkelden zich de diverse beschavingen. Een voor ons zeer lange (maar evolutionair korte) tijd leefde de mens in kleine groepjes zonder vaste woon- of verblijfplaats, dieren jagend en vruchten verzamelend, in tropisch Afrika. Deze mensen hadden ongetwijfeld last van wormen en andere tropische parasieten, maar ook droogtes, grasbranden en andere problemen hielden de populatie klein. De mens was een zeldzame soort.

Zo'n 50.000 tot 40.000 jaar geleden (misschien na de uitvinding van kleding) begonnen mensen ook koelere klimaten te bewonen. Ze verschenen in Europa, Azië, Amerika, Australië, kortom, overal, behalve op Antarctica. Dit betekende enerzijds aanpassen aan koudere klimaten, maar vooral ook een bevrijding van tropische ziekten. Bovendien leefden er geen andere primaten waarvan de mensen ziekten zouden kunnen overnemen. Het ontbreken van ziekten veroorzaakte een bevolkingsexplosie, een plaag. Zo'n plaag verdwijnt meestal weer vanzelf, maar wij mensen zijn in staat om ons daar met culturele aanpassingen tegen te verzetten (of dat op evolutionaire schaal ook zo zal zijn, zal nog moeten blijken).

In elk geval stierven veel soorten grote zoogdieren uit in die tijd, vrijwel zeker door overmatige jacht. De biodiversiteit neemt af waar de mens verschijnt - dit gaat nog steeds door en steeds sneller...

Lange tijd hadden we dus twee systemen: in de tropen werd de menselijke populatie in toom gehouden door allerlei ziekten en parasieten; in gematigde en koude klimaten vooral door de aan-/afwezigheid van wild en vis. De jagers/verzamelaars in gematigde klimaatgordels waren vermoedelijk zelden ziek. Dat geldt nog steeds voor stammen die zonder contact met de moderne wereld een zogenaamd primitief leven leiden. Parasieten krijgen geen kans zich te verspreiden doordat men in kleine groepjes leeft zonder veel contact met anderen.

Het begin van de geschiedenis

Door het uitsterven van groot wild moest de mens een andere niche opzoeken en werden landbouw en veeteelt noodzaak en daarmee werd de toekomst opengelegd voor ziekten en plagen. De opkomst van landbouw betekende opnieuw een bevolkingsexplosie en het begin van een eeuwige strijd tegen bepaalde soorten planten (onkruid) en dieren (ongedierte) die de oogst bedreigden.

Mensen met vaste woonplaatsen hebben meer kans op parasieten, maar de gemeenschappen waren lange tijd te klein voor grote problemen. Wel zullen in de gebieden met natte landbouw worminfecties al snel algemeen zijn geworden (dit is bevestigd door vondsten in mummies). Door deze infecties waren de boeren traag en sloom en een gemakkelijke prooi voor de macroparasiet par excellence: soldaten. Het zou wel eens kunnen zijn dat de verminderde weerstand van boeren mede een verklaring is voor de opkomst van despotische rijken.

Tot honderd jaar geleden wist men niets van de werkelijke oorzaak van ziekten. Toch zien we in allerlei beschavingen leefregels ontstaan die verspreiding van ziekten beperkten: rituele wassingen in diverse religies, het isoleren van melaatsen, het verbod op varkensvlees bij joden en moslims (varkens zijn alleseters die ook kadavers en stront eten, waardoor ze allerlei ziekten, met name lintwormen, kunnen overbrengen). Waarschijnlijk zijn deze taboes overigens eerder ontstaan door afkeer, maar leerde men door ervaring dat ze ook zinnig waren.

De andere kant van de medaille is dat gebieden, waar inheemse parasieten zeer ernstige ziekten veroorzaken (malaria, slaapziekte) nooit tot echte landbouwgebieden zijn ontwikkeld. Ook in de afgelopen eeuw mislukten pogingen tot kolonisatie daar (in Centraal Afrika). Dit is waarschijnlijk de belangrijkste reden waarom een groot deel van Afrika is achtergebleven in ontwikkeling.

Pas toen de menselijke gemeenschappen groter werden en het verkeer ertussen intensiever, kregen ziekten die zonder tussenkomst van muggen en dergelijke nieuwe gastheren kunnen bereiken, een kans. Deze wekken immuniteit op en moeten dus zorgen, dat ze snel genoeg op een ander worden overgebracht. De patiënt, die besmet is gaat dood of wordt in enkele weken immuun.

Besmettelijke ziekten kunnen alleen overleven binnen vrij grote gemeenschappen. Anders is op een gegeven moment iedereen immuun; alleen als er, voordat het zover is, weer een nieuwe generatie kinderen aanwezig is, kan de ziekte voortbestaan. Alleen gemeenschappen van duizenden mensen, die ook nog eens zo dicht op elkaar leven dat de ziekte voortdurend overgedragen wordt, kunnen bacteriën en virussen, die direct van mens op mens gaan, overlevingskansen bieden. Met andere woorden: ziekten als mazelen, pokken en kinkhoest  zijn gebonden aan wat we beschaving plegen te noemen, met steden en omliggende gebieden met veel onderling contact. Deze ziekten komen tegenwoordig dan ook overal voor (voor zover niet inmiddels door vaccinatie voorkomen).

De beschaafde mens

Uit onderzoek is gebleken dat mazelen alleen blijft voorkomen als er constant minstens 7.000 gevoelige personen beschikbaar zijn; dit zijn veelal kinderen, die net naar school gaan. Een populatie van 300.000 tot 400.000 mensen blijkt het minimum te zijn waarbij de ziekte blijft circuleren. (Op IJsland treedt om de zoveel tijd een epidemie op, de lokale populatie is te klein, maar steeds als er een nieuwe generatie kinderen is, komt het wel weer met een reiziger mee).

Interessant is dat de oudst bekende stedelijke beschaving uit ongeveer dat aantal mensen bestond (de Sumeriërs). We mogen dan ook aannemen dat de "beschavings"-ziekten vanaf ongeveer 3000 v.C hun opmars zijn begonnen.

Beschavingen hadden hun centrum in steden, maar in die steden heersten ziekten. Tot vrij kort geleden was het sterftecijfer in de steden zo hoog dat een stedelijke bevolking voortdurend vanuit het omliggende platteland aangevuld moest worden. De steden hadden de boeren dus niet alleen nodig voor hun voedsel, maar ook voor hun demografie - ook al omdat oorlogen en belegeringen vaak een hoge tol eisten van de stedelijke bevolking (ook hier weer micro- en macroparasieten met een gelijke rol). Dat een stedelijke bevolking soms na een epidemie snel werd vervangen door mensen van het platteland blijkt ook uit taalkundige ontwikkelingen. In Mesopotamië werd de spreektaal van Sumerisch in vrij korte tijd Semitisch; de oorspronkelijke taal bleef de taal van wetenschap en religie. Iets dergelijks deed zich veel later nog eens voor in het Habsburgse rijk: Tsjechisch en Hongaars sprekende plattelanders stroomden al altijd de steden binnen, maar zij leerden dan Duits en waren na een generatie niet meer te onderscheiden van de anderen - tot in de vorige eeuw deze migratie zo sterk werd dat ze hun eigen taal bleven spreken en Praag een Tsjechische en Boedapest een Hongaarse stad werd. Migratie van het platteland naar de stad is dus zo oud als de beschaving en altijd op gang gehouden door ziekten in de stad en geboorte-overschotten op het land.

Een andere kant van de medaille was wel dat boerenzonen veelal minder immuun waren en in de legers en na migratie in de steden veel vaker bezweken aan ziekten waar de stedelingen wel immuun voor waren.

De herkomst van ziekten

De meeste besmettelijke ziekten hebben we van onze huisdieren overgenomen: mazelen is waarschijnlijk verwant aan runderpest of hondenziekte, pokken aan koepokken, griep komt van varkens, enzovoort. Wilde dieren leverden ook het een en ander: builenpest komt van de rat, gele koorts van apen en hondsdolheid van vleermuizen.

Ongetwijfeld zijn er vaak ziekten opgedoken die hetzij een hele plaatselijke bevolking uitroeiden, hetzij zo snel immuniteit opwekten dat ze weer even snel verdwenen. Ook recent zijn hier gevallen van bekend.

Een aantal bacteriën en virussen is eigenlijk even succesvol gebleken als de gastheersoort mens.

(De parallel met menselijke parasieten gaat heel ver: ook pas nadat er redelijk grote welvarende steden waren, werd het lonend om deze te veroveren. Een gemeenschap die groot genoeg is, wordt immuun, d.w.z. kan zelf een leger op de been houden om de parasieten buiten de grenzen te houden. Dat leger kost ook voedsel, maar dat is veiliger dan niets doen en de vijand afwachten.)

Ons vee stamt af van soorten die in grote kudden over de steppen zwierven en die ongetwijfeld allerlei ziekten droegen. Zelf hadden ze daar in een lange evolutie een eigen evenwicht mee opgebouwd, zodat ze niet meer ziek werden. Bij deze dieren geven ze dan slechts zwakke symptomen, maar als ze op de mens overgaan, zijn ze aanvankelijk zeer virulent. Velen stierven, maar de overlevenden waren immuun en geleidelijk werd de ziekte minder heftig, vaak werd het dan een kinderziekte.

De geschiedenis van ziekten

Oude geschriften, zowel die uit China, Egypte, Babylon als het Oude Testament, alle vermelden ze verschrikkelijke epidemieën (denk aan de plagen van Egypte). Vaak worden de ziekten aangeduid als "pest", maar het kunnen allerlei ziekten zijn geweest die in korte tijd enorme sterfte veroorzaakten (mazelen, pokken, influenza, tyfus en zo meer). De bevolkingsdichtheid was groot genoeg om epidemieën mogelijk te maken, en er moet een zeker evenwicht zijn geweest, want sommige rijken (Perzië, Assyrië), hielden het eeuwenlang uit.

De beschaving, die zich rond de Middellandse Zee ontwikkelde heeft vermoedelijk lange tijd relatief weinig last gehad van ziekten en plagen: de belangrijkste gewassen olijfboom en wijnstok stamden af van inheemse soorten en hadden weinig ziekten en men had geen natte landbouw. De belangrijkste granen waren ook afkomstig uit naburige gebieden (het Midden-Oosten) en werden voornamelijk geïmporteerd vanuit ‘barbaarse’ landen. Maar met het groeien van de bevolkingscentra en de handel nam het aantal ziekten toe.

Hippocrates beschrijft een aantal ziekten nauwkeurig genoeg om te kunnen concluderen, welke het waren: malaria kwam voor en de bof, maar geen tuberculose, difterie of influenza.

De populaties groeiden en koloniseerden de gebieden rondom de Middellandse Zee en daarbuiten (eerst de Grieken, later Carthago en Rome). Scheepvaart zorgde voor onderlinge contacten en was snel genoeg om ook ziekten over te brengen. Het hele mediterrane gebied was één ‘pool’ wat ziekten betrof.

Rond het begin van onze jaartelling waren het Romeinse en het Chinese en mogelijk het Indiase rijk ongeveer even groot; tussen de 50 en 60 miljoen mensen.

Zij hadden onderlinge contacten maar regelmatig karavaanverkeer begon pas enkele eeuwen later en daarmee ook de uitwisseling van ziekten. In die tijd had elk gebied een eigen patroon van ziekten en epidemieën, vooral bepaald door klimaat en landbouwmethoden.

Die van het Romeinse Rijk zijn het beste bekend. Zo beschrijft Livius elf grote epidemieën. Bekend is ook een epidemie in 165 n.C., die soldaten vanuit Mesopotamië meebrachten en die vijftien jaar huishield. Het was duidelijk een nieuwe infectie in dit gebied en de sterfte was dan ook enorm: een kwart tot een derde van de bevolking in de getroffen plaatsen stierf. Het is niet zeker om welke ziekte het ging; mogelijk pokken of een voorloper daarvan. Deze epidemie luidde ook het begin in van een algemene achteruitgang van de bevolking in de Romeinse gebieden door een reeks epidemieën.

Dit was waarschijnlijk de eerste kennismaking met twee ziekten die later normale kinderziekten werden in West Europa: mazelen en pokken. De beschrijvingen zijn wat vaag, ook al omdat men tot de 16de eeuw geen onderscheid maakte tussen deze ziekten.

Van een aantal ziekten is de ontwikkeling naar een soort evenwicht steeds volgens een vast patroon verlopen: de ziekteverwekker, meestal afkomstig van een van de huisdieren van de mens (of dieren die zich graag in de buurt van de mens ophouden zoals ratten) komt voor het eerst in contact met de mensen. Deze hebben geen enkele weerstand en worden dus ernstig ziek (waarschijnlijk zijn meerdere ziekten zo door zichzelf uitgeroeid als de hele besmette populatie bezweek). De overlevenden waren immuun en als de besmetting na een aantal jaren terugkwam, werden de kinderen ziek, maar de volwassenen niet. Bovendien blijkt een ziekte vaak ook langzamerhand minder virulent te worden. Uit de geschiedenis blijkt dat het soms vele generaties (en epidemieën) duurde voor dit gebeurde, bijvoorbeeld als de tijd tussen de epidemieën langer dan een generatie duurde.

Het eind van de Romeinen en het begin van de christelijke tijd

Terug naar de Romeinen: een reeks zware epidemieën in de eerste eeuwen van onze jaartelling doodde grote delen van de stedelijke bevolking rond de Middellandse Zee. Daardoor kwam er veel minder belasting binnen en werden de soldaten niet betaald. Deze sloegen aan het muiten en plunderen en verspreidden en passant ziektekiemen over het platteland, waardoor de voedselproductie ook verminderde en de weerstand van de mensen nog slechter werd. Enkele eeuwen lang was de relatie van het land met de macroparasitaire bovenlaag redelijk te dragen geweest, maar door de gecombineerde micro- en macroparasitaire aanvallen in deze eeuwen ging de toestand snel achteruit. De rol van ziekten in het verval van het Romeinse rijk, de grote volksverhuizing e.d. is lang onderschat, doordat de historici zich niet realiseerden dat ziekten als mazelen e.d. toen nog niet de vrij onschuldige kinderziekten waren die we nu kennen, maar dodelijke epidemieën veroorzaakten die de maatschappij geheel ontwrichtten. In wezen ging Europa in die tijd door hetzelfde proces dat de Amerindianen na Columbus versneld moesten ondergaan.

Inmiddels kwam het christendom op, waarschijnlijk mede door die opeenvolgende epidemieën: christenen hielpen en verzorgden hum medemensen zelfs in tijden van pestilentiën, waardoor meer mensen overleefden en de onderlinge band versterkt werd. De christenen werden ook niet zo wanhopig, want voor hen betekende sterven een overgang naar het eeuwige leven. Het christendom betekende dus een goede aanpassing om zulke tijden te doorstaan en won daardoor gemakkelijk aanhang.

In die tijd moet ook de pest voor het eerst in Europa zijn binnengedrongen, meegenomen door de zwarte rat, een diertje dat voorheen in India voorkwam als wild dier, maar dat geleerd had zich in menselijke omgeving op te houden als "ondier" (vgl "onkruid") en dat gemakkelijk per schip verspreid werd, eerst naar de havensteden rondom de Middellandse Zee. Ratten dragen de pestbacil niet altijd bij zich, maar kunnen die gemakkelijk uitwisselen met knaagdieren die niet bij de mens in de buurt komen. Daarvan is later een pest-reservoir ontstaan op de Mongoolse steppen en nog later ook op de Amerikaanse prairies, van waaruit weer epidemieën konden ontstaan.

Ziekten in de Nieuwe Wereld

Ontmoeting tussen Motecuhzoma II en Cortez met Doña Marina.

Op het westelijk halfrond verliep de ziektegeschiedenis heel anders: er waren hoog ontwikkelde beschavingen die rond 1500 op een vergelijkbaar peil stonden als die in Europa, ook met grote steden en veel verkeer. Maar zonder ziekten. Waarschijnlijk vooral omdat hun huisdieren niet afstamden van soorten die in grote kudden leefden en dus hun eigen parasieten hadden. (Ze kenden alleen lama's, alpaca's, cavia's en honden als huisdieren).

De mate van uitsterven door ziekten van de Indianen is lang zwaar onderschat doordat men de aanwezige bevolking te klein inschatte: er moeten ongeveer honderd miljoen mensen hebben gewoond in de Amerika's ten tijde van Columbus, waarvan 25 tot 30 miljoen in Mexico. Dertig jaar later waren er in Mexico nog drie miljoen en in 1620 1,6 miljoen.

De kennis en vaardigheden die deze volken bezaten, gingen dan ook verloren. De overlevenden bogen zich voor de superieure god van de Europeanen en Spanjaarden en anderen konden het land overnemen. Het verhaal dat het land vrijwel leeg was, is later verzonnen.

Indianen en de fauna van Zuid-Amerika, zoals Europeanen deze in de zestiende eeuw aantroffen.

Uit: Wahrhafftige Historien einer wunderbaren Schiffart, 1602.

Het reisverslag van een Spaanse expeditie die de Amazone opvoer in 1542, spreekt helemaal niet van ziekten die men opdeed en beschreef de volken die langs de rivier leefden als talrijk, sterk en gezond. Mensen die dezelfde reis in de vorige eeuw maakten (of in onze tijd maken) kunnen dat niet zonder antimalaria-middelen en komen weinig inheemse volken tegen. Malaria en gele koorts zijn er vanuit Afrika ingevoerd.

Nadat de Europese ziekten de oorspronkelijke bevolking had gedecimeerd, werden de negerslaven aangevoerd en die brachten de Afrikaanse ziekten mee, waardoor nog meer Indianen stierven.

De Europese expansie

In de zestiende eeuw had Europa - vergeleken met de rest van de wereld - twee voordelen: goede zeewaardige schepen en een hele reeks ziekten tot kinderziekten ontwikkeld. De expansie van Europa in die tijd is minstens voor een deel te verklaren uit die ziektegeschiedenis en niet zo zeer uit onze superieure beschaving. De Europeanen waren niet echt verder dan de inwoners van China, India of Mexico. Doordat de grote epidemieën hier achter de rug waren, groeide de bevolking en had men nieuw land nodig. Doordat de mensen in Amerika en Australië aan onze ziekten bezweken, kwam er ruimte voor Europeanen om zich in die gebieden te vestigen. De bacteriologische omstandigheden waren op zijn minst even belangrijk als de technologische.

Uit Amerika kregen we trouwens ook een paar voedingsgewassen die de algemene gezondheidstoestand in Europa sterk verbeterden: maïs, aardappels, tomaten, paprika en pinda's leverden veel voedingswaarde op, vooral vitamine C, en bovendien veel meer calorieën per hectare.

De moderne tijd

De pest verdween grotendeels lang voor de achttiende eeuw, waarschijnlijk meer door betere behuizing en quarantainemaatregelen en minder doordat de bruine rat in Europa algemener werd en de zwarte verdreef, zoals lang is gedacht. Deze komt minder dicht bij de mens, hij graaft een hol, terwijl de zwarte rat graag op zolders  zit.

De bruine rat kwam hier pas toen de pest geen echt probleem meer was. Hij bracht overigens ook een ziekte mee: tyfus. De echte oorzaak van het verdwijnen van de pest hier is waarschijnlijk een mutatie waardoor de pestbacil een "pseudotuberculose", een longinfectie, veroorzaakte, die niet dodelijk was, maar wel weerstand tegen de echte pest gaf.

Lepra was in de Middeleeuwen, met name na de Zwarte Dood, een veel voorkomende ziekte die na de Middeleeuwen op raadselachtige wijze verdween (maar in Scandinavië nog tot kort geleden voorkwam). Daarvoor zou de opkomst van tuberculose wel eens verantwoordelijk kunnen zijn: de veroorzakers van beide ziekten zijn zo nauw verwant dat immuniteit tegen tbc ook beschermt tegen lepra.

De invloed van ziekten op de geschiedenis

De invloed van al deze ziekten en vooral de pest op de geschiedenis is enorm geweest. In de Middeleeuwen kwam het herhaaldelijk voor dat de bevolking een tijd lang toenam en de welvaart groeide en dan verscheen de Zwarte Dood weer, waardoor soms de helft van de bevolking omkwam. De beruchtste epidemie vond plaats in de veertiende eeuw en deze heeft ongetwijfeld de geschiedenis van Europa ingrijpend beïnvloed. De psychologische en sociale gevolgen waren onvoorstelbaar. Tijdens een pestepidemie kon een gezond mens in 24 uur bezwijken. Geen wonder dat mensen hun heil zochten in mystiek. De opkomst van allerlei stromingen binnen en buiten de kerk (de Katharen, de "Broeders des Gemenen Levens" e.d.) en uiteindelijk ook de reformatie werden mede veroorzaakt door de ingrijpende onvrede met de kerk die de mensen niet had kunnen beschermen tegen de Zwarte Dood. Men ontwikkelde nieuwe rituelen of zocht zondebokken (de joden waren nogal eens het slachtoffer).

Ook de opkomst van de volkstaal in de kerk was vermoedelijk mede het gevolg van het sterven van grote aantallen priesters en geleerden, zodat de nieuwe generatie niet meer de langdurige scholing kon krijgen om goed Latijn te kunnen gebruiken.

In de moslimwereld hielden dezelfde epidemieën huis, maar ze lijken minder ingrijpend te zijn geweest; men keek er veel fatalistischer tegenaan. De profeet had gezegd: "Wie door een epidemische ziekte sterft is een martelaar", dus er was geen reden om ertegen te strijden. De moslims keken dan ook met enige minachting naar de christenen die met quarantainemaatregelen probeerden de epidemie te stoppen.

In de Balkan woonden de Moslims in de steden en stierven in groten getale tijdens epidemieën. De bevolking werd echter steeds aangevuld door bekeerlingen van het platteland. In de achttiende eeuw waren er nauwelijks bekeringen meer en de steden ontvolkten dus, waardoor de overheersing van de Moslims in de Balkan dan ook niet lang meer mogelijk bleef.

Het regulerende effect van parasieten op populaties heeft tot voor kort ook de menselijke populatie in zijn groei beperkt. In onze tijd worden epidemieën door internationale samenwerking aangepakt en zo heeft men het pokkenvirus al weten uit te roeien. Een ironisch aspect is dat sommige ziekten zich juist in onze eeuw konden uitbreiden door de verbeterde hygiëne. Polio was waarschijnlijk een virus dat algemeen kleine kinderen besmette en veelal zonder symptomen immuniteit gaf. Toen de hygiëne verbeterde werden juist de hogere klassen het slachtoffer omdat ze er als klein kind niet mee in aanraking waren geweest.

En hoe gaat het nu verder?

Populaties blijven op een bepaald niveau als ze een evenwicht bereiken met hun parasieten, hun natuurlijke vijanden en hun voedselbronnen.

De menselijke populatie heeft de invloed van predatoren en parasieten in hoge mate uitgeschakeld. Dat we niet kunnen verwachten dat het probleem nu voorgoed is opgelost, blijkt uit de opkomst van de gekke-koeien-ziekte. Deze blijkt met enkele andere ziekten te worden veroorzaakt door prionen, vreemde eiwitten die bijna niet te vernietigen zijn. De natuur slaat op onverwachte plaatsen terug. Maar als het verdwijnen van grote epidemieën niet leidt tot vermindering van de aanwas, zal het evenwicht met de voedselorganismen vroeg of laat de populatie terugdringen op een redelijk niveau, als we het al niet zelf doen in onze eigen rol van macroparasiet.

Stabiliteit van de menselijke populatie als geheel is in onze tijd ver te zoeken, - dat is trouwens al het geval sinds het stenen tijdperk. We menen boven de natuur te staan, maar we zijn er nog altijd aan onderworpen en ook ziekten kunnen in onze dichtbevolkte steden en met ons moderne verkeer over de hele wereld nog altijd hun tol eisen.

 

(Dit artikel is in december 2000 gepubliceerd in het jubileumboek van HOVO-Limburg.
HOVO staat voor Hoger Onderwijs voor Ouderen. Het jubileumboek wordt gebruikt als relatiegeschenk; het is niet in de boekhandel verkrijgbaar.)

  Op de website van HOVO Limburg, www.hovolimburg.nl, staat alle informatie over cursussen en andere activiteiten.

 

Literatuur:

William H. Mc Neill: Plagues and peoples,   1994 (Penguin books)

Edward O. Wilson: Consilience The unity of knowledge, 1998 (A.A. Knopf New York)

Alfred W. Crosby; Ecological imperialism The biological expansion of Europe, 900 - 1900 (Canto)

Terug naar het begin van deze pagina


door

drs. L.E. Pihlajamaa-
Glimmerveen