Signalen uit de familie Glimmerveen

Zeg nou zelf...

e-mail

Dossier van oktober 2002

Home

De man met een masker aan de voordeur

E
en incident. Vijftien seconden; twintig misschien. Zaterdagavond. Ria haalde in de keuken enkele spullen uit de afwasmachine. Ik keek naar het NOS-journaal. Henny Stoel kondigde een cultureel onderwerp aan, kennelijk als afsluiting van de berichtgeving.

De voordeurbel ging. Dat was vreemd. We verwachtten niemand en er komt zelden of nooit onverwacht bezoek op zaterdagavond.

Ria liep de gang in; zei tegen me: "Doe jij maar open".

Onze voordeur heeft gekleurde ruiten. Boven de voordeur brandt van zonsondergang tot zonsopkomst een lamp. Uit de gang zie je dus duidelijk wie er voor de deur staat.

Een man met een pikzwart gezicht. Dat was vreemd. Maar je weet nooit wat iemand wil. Ik dacht even aan iets als Sint Maarten wanneer geschminkte kinderen aan de voordeur komen zingen in de hoop op een versnapering. Dus ik deed de voordeur open. Niet wijd; ik bleef in de smalle opening staan.

Ik keek in een masker, voornamelijk zwart, maar de ogen en de lippen tekenden zich duidelijk donkerrood af. De huid van de nek was blank.

Ik vroeg vriendelijk wat hij wilde.

"Hebt u een karweitje voor een zwerver-Piet?", vroeg hij.

Vreemde vraag, zeker op dit tijdstip. "Nee",  zei ik.

"Weet u het zeker?", vroeg hij en tegelijk deed hij een stap naar voren.

In hetzelfde moment gooide ik met een harde klap de deur dicht. De knip viel in het slot op hetzelfde ogenblik waarop de man met twee handen en het volle gewicht van zijn lichaam tegen de deur stootte. Hij was een fractie van een seconde te laat. Door de glazen raampjes zag ik hem weglopen.

Ik trilde op mijn benen. Ria, ook duidelijk geagiteerd - ze had het voor haar ogen zien gebeuren - riep: "Nu 112 bellen!".
Ik aarzelde. Moet je daar de politie mee lastig vallen? Maar ik deed wat Ria zei.

De telefonist van 112 hoorde mijn verhaal aan; vroeg enkele aanvullende gegevens en zei: "De politie komt even langs".
Tien minuten later stonden twee agenten voor de deur. Op de bank hoorden ze het verhaal aan, maakten enkele aantekeningen. Ze zeiden ook nog dat enkele collega's in de buurt speurden. Ria opperde nog even dat het misschien een grapje was. "Gelooft u dat maar niet", zei de agent.

Op mijn vraag of de politie al eerder die avond een soortgelijke melding had gehad, was het antwoord ontkennend.

De agenten gingen weg. Wij bleven trillend van de zenuwen achter, vol vragen. Was er één man geweest of was er een tweede, een derde misschien die de eerste was gevolgd als deze kans had gezien binnen te komen? Ging het om geld en goederen? Hoe hadden wij uitgeschakeld moeten worden zodat hij zijn gang kon gaan in huis? Is het gevaar voorbij of zou hij later terugkomen om een tweede poging te wagen?

Zo'n dertig jaar geleden is in het huis van mijn ouders in Wageningen ingebroken terwijl zij ergens anders op verjaardagvisite waren. Het huis lag overhoop, maar er werd niets gemist. Een sinaasappel misschien, zei mijn vader droog. Niets ernstigs dus, maar mijn vader wilde daarna geen avond of nacht het huis meer verlaten (totdat hij werd opgenomen in het ziekenhuis waar hij zou overlijden).

Ik kan me dat nu wel voorstellen. Het incident van zaterdagavond had geen enkel materieel gevolg, maar het vergroot wel de behoedzaamheid.

Gelukkig kwamen zaterdagavond beide zonen, Vincent en Norbert, op bezoek nadat ze hadden gehoord wat er gebeurd was. Daarna hebben we goed geslapen. 

Zondag 20 oktober 2002.

Terug naar het begin van deze pagina

Kanttekening
van zondag
20 oktober 2002