Signalen uit de familie Glimmerveen

Zeg nou zelf...

e-mail

Dossier van oktober 2002

Home

De opvattingen van prins Claus verwoord

M
isschien zijn de diepste gedachten van prins Claus nooit duidelijker aan het Nederlandse volk en de internationale gemeenschap overgebracht dan vandaag, vlak voor de bijzetting van zijn lichaam in de tombe van de Nieuwe Kerk in Delft. De priester en dichter Huub Oosterhuis, die zich ontpopte als een intieme vriend van Claus, bracht onder woorden wat prins Claus tientallen jaren lang heeft bezield.

We wisten dat Claus een hart had voor ontwikkelingssamenwerking; dat hij het begrip 'solidariteit' hoog in het vaandel had. Hij wilde opkomen voor mensen die gedwongen zijn in kommervolle omstandigheden te leven; in vele delen van de wereld en vooral in Afrika. Soms bracht hij iets van zijn gedachten en gevoelens over aan wie hem wilden aanhoren. Maar na een goede start kneep de Nederlandse overheid hem min of meer af: als echtgenoot van de regerende koningin mocht hij niet alles zeggen wat hij op het hart had.

De kist met daarin het lichaam van prins Claus wordt de grafkelder van de Nieuwe Kerk in Delft binnengedragen.

Bovendien had het Nederlandse volk de laatste jaren meer belangstelling voor zijn depressiviteit en voor zijn ziekten dan voor de diepere bedoelingen van de prins.
Vandaag heeft Huub Oosterhuis de gedachten en de gevoelens van de prins op een buitengewoon indrukwekkende manier overgebracht niet alleen aan de naaste verwanten van de overledene, maar aan het hele Nederlandse volk en aan mensen in vele andere landen die de afscheidsdienst in Delft volgden.

Het was moedig dat priester Oosterhuis de zwarte tijden in het leven van prins Claus niet onbesproken liet. Hij sprak over zijn depressies, “het meest verschrikkelijke wat een mens kan overkomen”. Prins Claus kon dit leed niet verbergen, zo heeft hij gezegd, en hij wilde dat ook niet, zei Huub Oosterhuis.

De voorganger memoreerde ook hoe prins Claus de oplossing voor de problemen in de wereld zag: hij sprak, aldus Oosterhuis, over solidariteit, toen het erop leek dat dit woord uit de Nederlandse taal was geschrapt, alsof niemand zich daar nog iets bij kon voorstellen. Hij wel, zei de voorganger.

De overweging van Huub Oosterhuis trof me het diepst. Maar ook de overige gedeelten van de dienst waren treffend. Prachtig was de keuze van de muziek: veel Bach maar ook een lied van Huub Oosterhuis en het prachtige lied “Neem mijn handen, leid mij ten einde toe”, gezongen in de taal waarin prins Claus is opgegroeid, het Duits.

De hele dienst in de Nieuwe Kerk was een getuigenis die het hart verwarmde; die diepe indruk maakte. Tijdens de plechtigheid waren wij, kijkers, geen nieuwsgierige toeschouwers; we werden zo zeer betrokken bij het gebeuren dat we persoonlijk mee-rouwden met onze koningin en met haar gezin. We zagen de tranen in de ogen van Willem-Alexander en anderen; maar ook bij ons zelf was het verdriet voelbaar.

Het deed me goed dat ook mensen zonder kerkelijke achtergrond blijkens hun uitlatingen op radio en televisie die indruk deelden.

Een mens wordt geboren in de menselijke samenleving en een mens sterft in de samenleving. Misschien lijken geboorten en dood de toppunten van iemands privacy. Maar in werkelijkheid zijn het bij uitstek gebeurtenissen die medemensen raken. "Niemand leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf", zo klonk het vandaag ook in Delft. Daarom is een uitvaart in stilte of in zeer beperkte kring eigenlijk niet gepast.

Weinigen zullen er behoefte aan hebben dat zij in dagen van rouw door zo velen worden omringd als vandaag het geval was voor koningin Beatrix, haar kinderen en schoonkinderen. Toch was het goed dat tweeduizend mensen met haar in de kerk waren en duizend keer zoveel mensen in Nederland en een veelvoud daarvan in Duitsland en België de dienst via een rechtstreekse televisie-uitzending konden volgen. Laten we hopen dat de kijkers niet voor het toestel zaten om de tranen van de kroonprins en zijn vrouw te zien - het was goed dat de koningin een grote hoed droeg zodat haar gevoelens nauwelijks zichtbaar waren - maar intens en oprecht de dienst meebeleefden.

Dinsdag 15 oktober 2002.

Terug naar het begin van deze pagina


De woordelijke tekst van de overdenking van Huub Oosterhuis, dinsdagmiddag 15 oktober 2002 uitgesproken tijdens de uitvaartdienst voor prins Claus:

"Deze geboren vreemdeling
op vijandelijke bodem getogen,
terzij van fonkelende zonen, neven,
uitgelezen schonen
toont hij zijn wonden
spreekt zijn woorden
deze dichter zonder landstaal

deze blanke zwarte blanke
oudere broer van miljoenen
deze geboren koning.

Zwart als git wordt het licht - loodzwaar hangen de wolken – iedere helling te steil, ach olijven je smaakt me niet meer: dat is hem overkomen.
Hij heeft daar zelf voor de televisiecamera’s - waar hij niet zo van hield - iets over gezegd, toen hij zestig werd, in 1986. Hij noemde psychische depressies “het meest verschrikkelijke wat een mens kan overkomen”. Het was hem aan te zien geweest, dat wist hij heel goed, maar hij kon het niet verbergen, zei hij, en wilde dat ook niet. Hij citeerde het Duitse spreekwoord “leugens hebben korte benen”; je kunt maar beter de waarheid zeggen, uit respect voor de mensen die met je meeleven. En uit solidariteit met de mensen die het ook overkomt. Hij wist zich één van die velen.

Op 15 mei 1991 sprak hij de Wereldconferentie voor Internationale Ontwikkeling toe, hij zei: ‘’Er kan geen sprake zijn van een menselijke toekomst die het waard is geleefd te worden als die niet berust op werkelijke internationale solidariteit”. Solidariteit, zei hij, toen het erop leek dat dat woord uit de Nederlandse taal was geschrapt, alsof niemand zich daar nog iets bij kon voorstellen. Hij wel.

De liturgie van deze uitvaart bestaat bijna helemaal uit bijbelcitaten, korte fragmenten uit dat prachtige, moeilijke joodse boek dat van alle schakeringen van christelijke godsdienst de bron is, en het ijkpunt zou moeten zijn. Zo is de traditie der kerken: dat zij voorlezen en zingen uit de bijbel. En zo ook dit uur.
Claus was niet zo’n kerkganger. Het woord “God” kwam niet over zijn lippen. Iedere dogmatische stelligheid was hem vreemd. Hij had meer vragen dan antwoorden, zoals veel buitenkerkelijke christenen. Over mogelijke religieuze ervaringen sprak hij niet. En aan de lutherse kerk van zijn jeugd bewaarde hij gemengde gevoelens. Over het zogenoemde Oude Testament hoorde hij pas op volwassen leeftijd; officieel bestond dat boek niet in het Duitse derde rijk tussen 1933 en 1945. En dat Jezus een jood was werd door de kerken verdonkeremaand, niet alleen daar.
In zijn latere levensjaren heeft Claus contact gezocht met dat gemiste boek en gekregen – en hij herkende het grote bijbelse verhaal.

“In den beginne was het woord”, werd ons voorgelezen. Welk woord was in den beginne?
Wie de joodse uitlegtraditie van de bijbel ondervraagt, krijgt te horen dat in den beginne de thora bij God was, nog voor hij hemel en aarde schiep. Thora betekent “woord dat mensen richting wijst” opdat zij een leven zullen hebben dat het waard is geleefd te worden.
“In den beginne was het woord” is geen filosofische uitspraak maar een profetische stem die ons zegt dat wij elkaar zullen respecteren en menswaardig bejegenen: heb liefde voor de mens die naast je is. Liefde niet bedoeld als een warm gevoel maar als praktische solidariteit: dat je een ander mens niet laat stikken, barsten, verhongeren, martelen, verdwijnen. “Heb lief de vreemdeling” is de toespitsing van het woord over de naasten. Heb lief de vreemdeling die gelijkwaardig is aan jou, een mens zoals jij. De vreemdeling is de naaste bij uitstek; jaag hem niet op, jaag haar niet weg, zo staat geschreven. Zij hebben dezelfde rechten als jij (Leviticus 19, vers 34).
Zonder deze thora zal er geen menselijke toekomst zijn die het waard is geleefd te worden. “Licht” is een beeld voor die toekomst, voor een wereld “waar mensen waardig leven mogen”. God sprak in den beginne: er zij licht.

Het woord “God” komt ons in kerkdiensten vaak te makkelijk over de lippen. Weten we wie we daarmee bedoelen? We zouden kunnen afspreken dat we met “God” bedoelen die Ene, die in de joodse bijbel en in de geschriften over Jezus de pleitbezorger is van vluchtelingen, ballingen, van mensen wier rechten geschonden worden; die solidariteit en gerechtigheid wil liever dan adoratie en mooie liederen. Zo staat geschreven (Amos 5, vers 21-24) in dat boek dat van alle schakeringen van christelijke godsdienst de bron en het ijkpunt zou moeten zijn.
Claus begreep heel goed waarom de stem van dit boek niet gehoord mocht worden in de jaren van zijn jeugd. En hij vond het een wonder dat het nog bestaat, dat visioen van recht en gerechtigheid. Hij heeft een leven lang geprobeerd aan deze grote woorden concrete inhoud te geven, onuitputtelijk vindingrijk.
Hem overkwam het meest verschrikkelijke wat een mens kan overkomen, zei hij in 1986; aardedonker de zon. En daarna overkwam het hem weer en volgde de afbraak van zijn lichaam en van zijn spraakvermogen. Dat alles heeft hem, zelfs in de zwaarste maanden, niet tot een bitter en cynisch mens gemaakt, en niet zielig. Alsof er iets was dat er tegen opwoog, iets dat sterker was dan de pijn. Dat was zijn gehechtheid aan het leven en zijn onvoorwaardelijke verbondenheid met U, zijn vrouw en met jullie, zijn kinderen. Op koninginnedag van dit jaar keken wij op zijn kamer in het AMC naar de televisie. Het bezoek van de Koninklijke familie aan Hoogeveen en Meppel. Het geluid stond zacht. Daar zijn ze, zei hij, moet je ze zien! Ze doen het goed. En daar stond ik, wees hij, dat was mijn plaats, naast haar. Hij straalde. In mijn jonge jaren, zei hij, wist ik niet waar ik nu eigenlijk bij hoorde; bij Duitsland, bij Afrika, en toen kwam Nederland er ook nog bij. Maar nu hoor ik bij hen.

De God die mensen gebiedt en smeekt zich over elkaar te ontfermen, wordt in de bijbel bezongen als een “schoot van ontferming”. Als trouw en erbarming in persoon. Zo ook in het Duitse lied dat voor deze uitvaart gekozen werd. Dat wij het zingen in het Duits, - er is ook een Nederlandse versie, op dezelfde melodie – dat is om hem te eren die als Duitser in staat was Nederlandse oorlogswonden te genezen.

“Neem mijn handen, leid mij ten einde toe”.
Claus hoopte dat ook dat hem overkomen zou."

Terug naar het begin van deze pagina

Kanttekening
van dinsdag
15 oktober 2002

(geschreven direct na de bijzetting in Delft)