Signalen uit de familie Glimmerveen

Colofon

Zeg nou zelf...

e-mail

Home

Pieter Roeland en Hendrik Glimmerveen verdienen postume hulde

Het Parool over de oprichters van Rochdale

Artikel uit Het Parool, mei 1953

Kop en begin van het artikel in Het Parool van vrijdag 8 mei 1953.

Bij het vijftigjarige bestaan van de Amsterdamse woningbouwvereniging Rochdale verscheen op vrijdag 8 mei 1953 in het Amsterdamse dagblad Het Parool een artikel onder de kop 'Koetsier en conducteur waren de stichters van Rochdale'. De onderkop luidde: Eerste woningbouwvereniging bestaat vijftig jaar, en in een kadertje stond: "Pieter Roeland en Hendrik Glimmerveen verdienen posthume hulde voor hun pionierswerk voor revolutionnaire idee".
De letterlijke tekst van dit artikel luidt:

(Van een onzer verslaggevers)

 

E
r gaat een verhaal dat omstreeks het begin van deze eeuw dr. Abraham Kuyper, minister-president en na de spoorwegstakingen van 1903 bepaald géén vriend van het gros der Amsterdamse arbeiders, op zekere dag op de paardentram stapte ergens in Amsterdam. Hij moest met de trein naar Den Haag, maar toen de tram eindelijk op het Stationsplein arriveerde, was de trein net vertrokken, omdat de koetsier, wetende wie hij onder zijn passagiers telde, het extra langzaam-aan deed.
Indien dat verhaal op waarheid berust, moet die koetsier Pieter Roeland hebben geheten, want die had alle reden om dr. Kuyper, nu hij ertoe in de gelegenheid was, te laten merken hoe ergerlijk het is wanneer iemand niet van opschieten weet. Pieter Roeland was namelijk, behalve koetsier op de paardentram, ook nog de spil van de toen pas opgerichte coöperatieve bouwvereniging "Rochdale", waarvan de statuten maar niet goedgekeurd konden worden omdat men in Den Haag zo treuzelde.

Of dit tramritje die goedkeuring toch heeft bespoedigd, weten wij niet, maar in 1906, nadat de vereniging al drie jaar bestond, werd 'Rochdale' als bouwvereniging toch toegelaten volgens de Woningwet en het eigenlijke werk kon beginnen: woningen bouwen voor hen, die tot dusver in de ergste krotten moesten leven, de arbeiders.

Rochdale werd opgericht op 12 Mei 1903 in een zaaltje in de Geelvinck aan het Singel, op initiatief van Pieter Roeland en Hendrik Glimmerveen, conducteur bij de tram, twee mannen die in de totstandkoming van de Woningwet dé kans zagen om woningbouw nu door de arbeiders zelf ter hand te laten nemen. Een revolutionair idee tóen. De allergewoonste zaak nu. Maar tussen toen en nu liggen dan ook vijftig jaar, waarin op het gebied van volkshuisvesting wel wat is veranderd.

De coöperatieve bouwvereniging Rochdale viert volgende week haar gouden jubileum en ter gelegenheid daarvan heeft het bestuur een boekwerkje uitgegeven, waarin iets over het ontstaan en het streven van deze vereniging wordt verteld. Het verhaal over dr. Kuyper op de paardentram staat erin en er wordt verteld hoe Roeland en Glimmerveen hebben moeten vechten, niet alleen om hun denkbeelden ingang te doen vinden bij de regering en het stadsbestuur, maar ook bij de arbeiders zelf. Want voor velen gold, dat zij zó diep in de ellende zaten, dat zij hun eigen misère nauwelijks meer voelden.

Bedompt en donker

Hoe waren de woningtoestanden vijftig jaar geleden? Kortweg gezegd: allertreurigst. Bedompt, vies, klein, zonder sanitaire voorzieningen, vaak gelegen in smalle, modderige steegjes, waar licht en lucht geen toegang konden vinden, zo waren de meeste huizen. Hoevelen woonden er niet in kelderwoninkjes, waar het altijd vochtig was? Hoevelen moesten zich niet behelpen met duffe alcoven of stoffige bedsteden? In het jubileumboek staan twee foto's naast elkaar, die méér zeggen dat de 45 bedrukte pagina's: één foto van een keukentje in een huis aan de Lindengracht (en die is zelfs niet in 1903, maar in... 1934 genomen) én een plaatje van een woning van Rochdale aan de Wiltzanghlaan. Op het eerste plaatje ziet men in een hoek, onder het opklapbare aanrechtje, de... W.C. Toilet en keuken waren één geheel. Op het tweede plaatje blinkt het propere keukentje tegen je aan, met tegels, gasfornuis, geyser, kastjes, een keukentje van dertien in een dozijn nu, maar wélk een verschil.

Toen in 1901 de Woningwet werd aangenomen, greep Amsterdam zijn kans. Er er waren, behalve de ondernemende trammannen, gelukkig ook anderen, uit een ander milieu weliswaar, die van oordeel waren, dat er iets moest gebeuren om aan die ellendige woningtoestanden een einde te maken. Eén hunner was de toenmalige tramdirecteur, de heer J.H. Neiszen. Een ander ir. Tellegen, directeur van Bouw- en Woningtoezicht (en later burgemeester van Amsterdam). En dan was er ook nog de architect J.E. van der Pek. Een architect voor arbeiderswoningen? Kon een timmerman met een goed stel hersens dan geen bruikbaar bestek maken? Alleen rijke particulieren immers namen een architect in de arm als er een huis moest worden gebouwd. Belangrijke steun had de jonge vereniging ook aan ir. Anton Keppler, een jong ambtenaar van Bouw- en Woningtoezicht.

Gewonnen

Rochdale heeft het gewonnen. Het geld kwam er. De statuten werden goedgekeurd. In Juni 1907 ging het eerste verzoek aan de gemeenteraad in zee om een bouwvoorschot van ƒ 260.000. In April 1908 werd het goedgekeurd en in Januari 1909 ging de eerste paal in de grond voor het complex aan de Van Beuningenstraat. Op 3 October van dat jaar werd het in gebruik genomen en Amsterdam liep te hoop om dit paleis te zien. Arbeiderswoningen met slaapkamers, met een W.C., met ruime ramen: welk een weelde.

Sindsdien is Rochdale - de naam is ontleend aan een Engels plaatsje, waar een cooperatie van wevers in de eerste helft van de 19e eeuw al een bouwvereniging stichtten - blijven bouwen. In de Indische buurt, de Fannius Scholtenstraat, de Borgerstraat, de Tweede Kostverlorenkade, in nieuw West, aan de Jozef Israëlskade, in Slotermeer. Zij is nu een der grootste woningbouwverenigingen van ons land met rond 9000 leden en straks - als ook de bouw van nieuwe complexen in Tuinstad Geuzenveld ter hand wordt genomen - meer dan 4000 huizen. En een jaarlijkse begroting, die in de miljoenen loopt.

Wanneer ooit het Amsterdamse gemeentebestuur naar namen mocht zoeken voor straten of pleinen in de nieuwe Tuinsteden, laat men dan eens denken aan die van Pieter Roeland en Hendrik Glimmerveen, een koetsier en een tramconducteur, die deze postume hulde voor hun pionierswerk wél hebben verdiend.

Terug naar het begin van deze pagina.

Het Parool
in 1953 over
Rochdale