| |
|
Mr. A. van der Deure
De
eerste voorzitter van de NCRV
 |
|
Abraham van der Deure tijdens een radiotoespraak tijdens de
eerste minuten van een nieuw jaar.
|
edurende drieëntwintig jaar, vanaf de oprichting in 1924,
gaf mr. A. van der Deure te Bennekom leiding aan de NCRV, de oudste
omroepvereniging van Nederland. In zijn functie van voorzitter stuurde hij niet
alleen het NCRV-beleid; hij beïnvloedde ook in belangrijke mate het ontstaan en
de ontwikkeling van het Nederlandse omroepbestel dat meer dan zeven decennia
heeft stand gehouden.
Het einde van het voorzitterschap van Van der Deure kwam in
het najaar van 1947 abrupt nadat hij was gearresteerd wegens belastingfraude.
Hoewel het bestuur daarna nog wel contact met hem had, liet de NCRV zijn naam
niet meer in het openbaar vallen. De stilte werd slechts éénmaal verbroken: op
6 april 1957 publiceerde de Omroepgids, officieel orgaan van de NCRV, een
kort In memoriam.
* * *
Op maandag 12 mei 1924 deed mr. Abraham van der Deure in
Bennekom een brief op de post waarmee hij reageerde op een kleine advertentie
die twee dagen eerder in het anti-revolutionaire dagblad De Standaard was
verschenen:
"Draadloze Telefonie. Personen, Vereenigingen,
Corporatiën, die hun steun of medewerking geven willen aan de vorming eener
Christelijke Vereeniging voor Draadlooze Telefonie en de oprichting van een
Zendstation, gelieven zich in verbinding te stellen met den Heer P.K. Dommisse
te Maassluis, die alle gewenste inlichtingen verschaft. (Men zie ingezonden
schrijven)". 1
Van der Deure schreef dat hij bereid was daadwerkelijk zijn
schouders te zetten onder de vereniging. Zijn brief maakte bijzondere indruk op
Dommisse: het briefhoofd was indrukwekkend en de academische titel sprak hem
aan. De initiatiefnemer besefte dat hij zelf niet de capaciteiten had om leiding
te geven aan de organisatie die hij voor ogen had. Mr. Van der Deure leek hem
een geschikte leidsman.
Dommisse ging op onderzoek uit en zijn vermoedens werden
bevestigd: Van der Deure was een zeer actieve man die beschikte over relaties,
zo hoorde hij van een journalist. Dommisse zei later direct beseft te hebben dat
deze man de leider van zijn organisatie moest worden. Hij was ervan overtuigd
dat God zelf Van der Deure op zijn pad had gebracht.
|
Noten
1. De advertentie verscheen op zaterdag 10 mei 1924,
behalve in De Standaard, ook in de christelijk-historische De Nederlander
en de vier bladen van het protestants-christelijke dagbladconcern De
Rotterdammer. Geen van deze dagbladen nam het ingezonden schrijven op dat
in de advertentie werd aangekondigd.
Over de opsteller van de advertentie: klik hier.
|
Dommisse maakte een selectie uit de 89 brieven die zijn
advertentie had opgeleverd en nodigde zes mensen uit zitting te nemen in een
oprichtingscomité, dat hij bijeenriep op 21 juni 1924 in hotel Terminus aan het
Stationsplein te Utrecht. Eén van hen was Van der Deure. Twee van de zes waren
verhinderd; Van der Deure schreef dat hij door omstandigheden pas een uur later
zou kunnen komen dan het tijdstip dat in de convocatie was vermeld. Dit gaf
Dommisse de gelegenheid de drie anderen - die wel op tijd waren - voor te
stellen de leiding in handen te leggen van Van der Deure. Zij stemden daarmee
in. Toen Van der Deure binnenkwam, kreeg hij direct de leiding aangeboden. Hij
aanvaardde deze en opende de bespreking. 2
|
2.
Bronnen: zie hier.
|
|
Landmeter, luitenant en jurist
Abraham van der Deure was op 7 februari 1889 in Enkhuizen
geboren als zoon van de bollenkweker Jacob van der Deure. Hij volgde een
opleiding tot landmeter en kreeg een militaire training. Op 20 mei 1912 trouwde
hij met Maria Lub (geboren op 19 juni 1885 in Garijp), een diep religieuze
vrouw, dochter van een schoolhoofd die in zijn vrije tijd evangeliseerde en op
zondagmorgens in kerkdiensten het orgel bespeelde. In haar familie heerste
manisch-depressiviteit en zij leed ook zelf daaraan.
Tijdens de mobilisatie van 1914-’18 was Van der Deure als
reserve-officier commandant van het fort Abcoude en daarna van het fort Edam.
Zijn diensttijd - waarin zijn eerste zoon, Jacob, werd geboren - bood hem
voldoende gelegenheid om een studie in de rechten aan de Vrije Universiteit in
Amsterdam te voltooien.
Na de oorlog kreeg hij een benoeming tot lector in het
landmeten aan de Landbouwhogeschool (nu: Landbouwuniversiteit) te Wageningen.
Hij besloot met zijn gezin te gaan wonen in Bennekom, enkele kilometers ten
noorden van Wageningen en zich daar ook als advocaat en procureur te vestigen.
Hij huurde de helft af van de monumentale villa Delborgo waar hij woonde
en kantoor hield. 3
|
3.
De
villa is tijdens de tweede wereldoorlog door geallieerde bommen verwoest.
Er staat nu een flatgebouw.
|
Van der Deure was van jongsaf gefascineerd door nieuwe
technische vindingen. Verscheidene keren stak hij geld in uitvindingen, waarbij
hij hoopte op groot gewin en de risico’s op de koop toe nam. 4
Het medium radio
hield hem sterk bezig. In een hoek van zijn werkkamer had hij in het begin van
de jaren ’20 een zelf gebouwd radiotoestel staan waaraan hij, door te draaien
aan spoelen, geluid probeerde te ontlokken dat hij beluisterde via een
koptelefoon. 5 In latere jaren deed hij chemische proeven in een klein
laboratorium dat hij in zijn huis had ingericht. Daar stond ook een
microscoop.
|
4. Enkele vindingen waaraan hij geld waagde (en verloor): een nieuwe motor; een rubberverf, uitgevonden door een inwoner van Bennekom;
en een door een Hongaarse vriend uitgevonden elektronische stok, te gebruiken voor hondendressuur.
5. Noot 5 hier.
|
|
Van der Deure, die bepaald niet afkerig was van geld, had een
zakelijk instinct dat hem soms veel profijt opleverde. Zo kocht hij eens voor
een habbekrats de obligaties op van een lening die de orde der Norbertijnen had
uitgegeven. Financiële experts waren ervan overtuigd dat het nooit tot
aflossing van de lening zou komen. Maar Van der Deure wist beter. Toen korte
tijd later het geld binnenkwam, heerste er een vrolijke stemming in het
gezin-Van der Deure. Ieder van de drie kinderen - die anders nooit een cadeautje
van hun strenge vader kregen - werd een tientje toegestopt. 6
|
6 .In Bennekom deed indertijd
een aardig verhaal de ronde. Lees het hier.
|
|
Hij bezat voor de
oorlog ook Russische aandelen en andere minder gangbare waardepapieren. Een
andere zakelijke activiteit was de aankoop van een stuk moerassige grond bij
Enkhuizen waarvan hij verwachtte dat het na enkele decennia veel waard zou
worden als er behoefte zou komen aan bouwgrond. Ook op Curaçao had hij grond
aangekocht in de verwachting dat deze later veel waard zou worden.
Tussen beide wereldoorlogen had hij contacten - met een
zakelijke en kerkelijke achtergrond - met mensen in Duitsland, Polen en
Hongarije. Wat deze voor zaken opleverden is niet duidelijk; maar wel dat ze hem
geen windeieren legden. 7 Van der Deure had ook een grote handigheid om dingen te
regelen. Dit maakte hem overmoedig: omdat hij vaak succes had, dacht hij dat hij
alles wel voor elkaar kon krijgen. 8
|
7. Van der Deures zoon herinnert zich dat er onder andere sprake
was van kerkelijke leningen in Hongarije.
8. Een voorbeeld: klik
hier.
|
|
Van der Deure is geboren in een gereformeerd gezin en is zijn
hele leven lang lid gebleven van de gereformeerde kerk. Zijn kinderen gingen
naar de School met de Bijbel in Bennekom en later naar het Christelijk Lyceum in
Arnhem. Hij was niet al te streng in de leer, maar hield zich stipt aan de
regels die toen in gereformeerde kring golden. Zo verbood hij zijn kinderen om
op zondag te fietsen. Niet dat hij zelf dit zondig vond, maar hij wilde geen
ergernis geven aan ‘de broeders’.
Van der Deure gold als een tamelijk autoritaire persoon die
graag zelf initiatieven nam; als een man met een goede dossierkennis (al ging
hij niet te zeer in details), maar ook als iemand die er zelf in politiek of
godsdienstig opzicht geen radicale standpunten op na hield. Dit laatste kwam
goed van pas: hij kon zich boven de groeperingen in protestants-christelijk
Nederland plaatsen. Hij was een intellectueel, een praktische man. Besturen en
leiding geven zaten hem in het bloed. Hij kon met anderen goed samenwerken. Hij
was een workaholic: hij werkte zes dagen per week van ’s morgens vroeg
tot ’s avonds laat. Voor zijn gezin en voor hobby’s had hij weinig tijd. Wel
luisterde hij veel naar de radio.
‘Gebouw voor christelijke belangen’
Op 21 juni 1924 stelde het oprichtingscomité - dat zich
direct ‘Voorloopig Bestuur der Christelijke Vereeniging voor Draadlooze
Telefonie’ noemde - de grondslag van de vereniging vast: ‘de Bijbel als Gods
Woord en Jezus Christus als de redder van de wereld’. Het doel van de
vereniging werd in de notulen (krom) omschreven als ‘de Radio mogelijkheden
voor de Chr. gezinnen toe te passen en het mogelijk te maken deze in de
huisgezinnen te brengen’. Het voorlopige bestuur besloot zich ‘ten
spoedigste’ tot de regering te wenden om een zendvergunning te verkrijgen en
om een zendavond te organiseren, waarop het streven van de vereniging
uiteengezet kon worden. Het bestuur nam nog geen standpunt in over de vraag of
de vereniging zich ook bezig moest gaan houden met het ontwerpen en vervaardigen
van eenvoudige ontvangtoestellen.
Het voorlopige bestuur nam direct de werving ter hand. In het
christelijke weekblad De Spiegel van 12 juli 1924 verscheen een
advertentie met de volgende tekst:
"Aan alle Christenen van Nederland vragen wij steun en
medewerking om de DRAADLOOZE TELEFONIE dienstbaar te maken aan de geestelijke
belangen van ons Volksleven. Binnen korten tijd hopen wij U allen de
gelegenheid te verschaffen in uw eigen woningen redevoeringen en muziek van
belangrijke landelijke samenkomsten of uitvoeringen te volgen; ook zullen onze
zieken en zwakken langs radio-telefonischen weg, predikatieën, toespraken,
zang, enz. kunnen beluisteren, terwijl ten behoeve van personen staande buiten
het Chr. leven geëvangeliseerd wordt. Meldt U terstond als LID aan.
Contributie ƒ 3,- per jaar. Wij verleenen bemiddeling tot het betrekken
van ontvangtoestellen tegen zeer lagen prijs. Secretariaat te Maassluis".
Van der Deure begreep dat van hem, nu hij tot leider van de
vereniging-in-oprichting was aangewezen, activiteiten werden verwacht. Hij ging
direct aan de slag. In de tweede vergadering van het voorlopige bestuur, op
zaterdag 13 september 1924, kon hij melden met ‘enkele vooraanstaande personen’
over de vereniging gesproken te hebben. Zij hadden hem geadviseerd te komen tot
een vereniging ‘tot oprichting en exploitatie van een radio-zendstation’.
Van der Deure had ook nagedacht hoe hij de functie van de
vereniging zag. Hij zette zijn ideeën uiteen in die tweede vergadering. Hij
trok een vergelijking met een gebouw voor christelijke belangen, zoals dat in
veel plaatsen stond. De eigenaar van zo’n gebouw stelde - tegen een
kostendekkende vergoeding - ruimte beschikbaar aan allerhande christelijke
organisaties en weerde alles wat strijdig was met de christelijke belangen, maar
was niet verantwoordelijk voor wat in het gebouw gebeurde. Zo zou ook de
christelijke omroep faciliteiten beschikbaar kunnen stellen aan geestverwante
organisaties die daarvan, ‘tegen billijke vergoeding’, gebruik zouden kunnen
maken.
Van der Deure meldde op 13 september ook al zakelijke en
commerciële stappen te hebben gezet. De Nederlandsche Seintoestellenfabriek
(N.S.F.) in Hilversum bleek bereid een contract af te sluiten inzake uitzending
van dertig zendavonden voor het bescheiden bedrag van ƒ 3.000,-. Van der
Deure had de N.S.F. voorgehouden dat zonder twijfel vele christelijke gezinnen
een radiotoestel zouden gaan kopen om de zendavonden te volgen en de vereniging
zou kunnen bevorderen dat zij een toestel van de N.S.F. zouden betrekken. Van
der Deure stelde voor na een jaar te besluiten of de vereniging zelf een ‘Radio-Telefonie-zender’
zou laten bouwen. Hij had de N.S.F. voorgespiegeld dat de vereniging aan deze
fabriek de bouw ervan zou kunnen opdragen.
Van der Deure had nog een zakelijke activiteit ondernomen. De
vereniging zou een ledenblad moeten krijgen. Hij had daarover contact opgenomen
met de uitgeverij Gebr. Zomer & Keuning in Wageningen en kon op 13 september
al een conceptcontract aan het voorlopige bestuur voorleggen.
Ds. K. Schilder uit Delft - de man die in 1944 een scheuring
in de gereformeerde kerken zou bewerkstelligen - sprak in de
septembervergadering de verwachting uit dat het moeilijk zou zijn de
eensgezindheid in de toekomstige vereniging te bewaren, gezien de verdeeldheid
in protestants-christelijke kring. Van der Deure zag het probleem wel; maar dit
leek hem niet onoplosbaar. Ten eerste zou niemand in de zendtijd van de
vereniging aan het woord komen die niet de grondslag van de vereniging
respecteerde. En verder zouden verenigingen en sprekers zelf verantwoordelijk
blijven voor wat zij voor de microfoon zouden brengen.
In dezelfde vergadering liet Van der Deure weten dat hij zich,
‘door omstandigheden van persoonlijke aard’, onmogelijk blijvend met het
voorzitterschap kon belasten. Besloten werd het anti-revolutionaire Kamerlid dr.
E.J. Beumer te benaderen.
Maar deze weigerde; en tijdens de bestuursvergadering van zaterdagmorgen 15 november 1924,
die voorafging aan de eerste ledenvergadering, bleek Van der
Deure toch bereid zich, met bestuurslid F. de Boer, op een voordracht voor het
voorzitterschap te laten plaatsen.
Dezelfde middag zat Van der Deure de
officiële oprichtingsvergadering in het gebouw van de Christelijke Vereniging
van Jonge Mannen in Den Haag voor. De aanwezigen kozen hem officieel tot
voorzitter. De drukbezochte vergadering nam verder de meeste voorstellen aan die
het voorlopige bestuur had voorbereid. Maar de aanwezigen zorgden ook voor een
wijziging. De door Dommisse steeds gehanteerde naam Christelijke Vereeniging
voor Draadlooze Telefonie werd op initiatief van een bezoeker uit Rotterdam
gewijzigd in Nederlandsche Christelijke
Radio-Vereniging.
|

|
De biografie van mr. A. van der Deure is geschreven voor deel 6 van het
Jaarboek
Media Geschiedenis, Biografische schetsen. De jaarboeken zijn een uitgave van de Stichting beheer IISG en de Stichting
Mediageschiedenis. Dit deel verscheen in 1995.
In deel 6 staan verder nog biografieën van onder anderen Menno ter Braak, Nicolette Bruining, Jan Castelijns,
Bernard Drukker, Max de Haas, Joris Ivens, Meijer Sluijser en Paul de Waart. |
|
|
Hiermee was de eerste Nederlandse vereniging van
radioluisteraars geboren. Van een Europese primeur was geen sprake. Al in 1923
hadden radioamateurs in Berlijn een Radioclub opgericht en ook in
Denemarken ontstonden in die periode tal van ‘radioclubs’. 9
Een Europese
nieuwigheid was wel dat de club een levensbeschouwelijke grondslag had.
Op woensdagavond 24 december 1924 kwam de NCRV voor de eerste
keer in de ether, via de gehuurde experimentele zender van de Nederlandse
Seintoestellen Fabriek. Op die avond heeft Van der Deure voor het eerst voor de
microfoon gesproken; zijn bijdrage bleef beperkt tot enkele zakelijke
mededelingen. 10
|
9.
Henk Glimmerveen, Omroepen in Europa/Duitsland,
uitg. NOS Hilversum, 1993, blz. 20;
Henk Glimmerveen, Omroepen in Europa/Scandinavië, uitg. NOS Hilversum, 1994, blz. 71.
10.
Bron: klik hier.
|
Opbouw en consolidatie
In de volgende jaren fungeerde Van der Deure als voorzitter
van een bestuur van vrijwilligers en enkele professionals die een professionele
organisatie leidden. Hij trok mensen aan en verdeelde de taken. De verzorging
van het Christelijk Tijdschrift voor Radio (later: Omroepgids),
officieel orgaan van de vereniging, bracht hij onder bij de uitgeverij Zomer
& Keuning, die ook de leden registreerde; directeur C.A. Keuning kreeg een
plaats in het NCRV-bestuur. Op zaterdag 14 februari 1925 benoemde het
bestuur NSF-medewerker P.C. Tolk (sinds november al technisch adviseur van de
NCRV) tot omroeper en voorzitter van de omroepcommissie. Daarmee werd hij
feitelijk de programmaleider. Kort daarna - in juni 1925 - kreeg D.W. Pereboom
de portefeuille van propaganda. Van der Deure onderhield zelf de externe
contacten.
Zo had Van der Deure zich al spoedig na de start van de NCRV
omringd met de mensen die met hem de vereniging meer dan twintig jaar zouden
sturen. Zij bleken zakelijk ingestelde managers die de zo idealistisch gestarte
NCRV uitbouwden tot een bedrijf met allure. 11
|
11. H. Algra, De Vereniging, in: H. Algra, dr. C. Rijnsdorp en Ben van Kaam, Vrij en gebonden,
50 jaar NCRV, uitg. Bosch en Keuning, Baarn, 1974.
|
Voor P.K. Dommisse die het initiatief tot oprichting van de NCRV had genomen en die Van der Deure naar
voren had geschoven als voorzitter, had Van der Deure geen plaats in zijn ‘centrale
comité’: hij vond hem te zwak. Dommisse bleef wel - tot na de tweede
wereldoorlog - lid van het Algemeen Bestuur.
Met de verdeling van de portefeuilles kreeg de NCRV vier
werkplekken: de omroep zetelde in Hilversum, in de nabijheid van de NSF; de
schrijvende redactie en de ledenadministratie kregen onderdak bij de uitgever in
Wageningen; Pereboom leidde de propaganda vanuit zijn woning in Ede en Van der
Deure werkte in Bennekom.
De coördinatie vond wekelijks plaats bij Van der Deure thuis:
eerst in huize Delborgo, daarna in de door Van der Deure gekochte kapitale villa
Wester-Eng, eveneens in Bennekom, waarheen het gezin in 1929 verhuisde en
waar Van der Deure ook zijn advocatenpraktijk uitoefende en zich wijdde aan zijn
overige zakelijke beslommeringen. 12
|
12. In de zomer van 1994 bestond villa Wester-Eng nog,
zij het als een bouwval waarin eerst krakers hebben gewoond en vervolgens een brand heeft gewoed.
Het was toen de bedoeling dat na sloop van de ruïne op deze plaats een appartementencomplex
zou verrijzen.
|
Elke dinsdagavond kwam de ‘Raad van Vier’
in Bennekom bijeen: Tolk, Pereboom, Keuning en Van der Deure. Gewoonlijk was ook
de heer Van Renssen aanwezig die aangeduid werd als ‘ambtenaar van de NCRV’
en die de notulering en de overige secretariële werkzaamheden verzorgde. Het
ging er tamelijk huiselijk toe. Mevrouw Van der Deure kwam enkele keren per
avond binnen om de koffie te brengen. Vanaf december 1930 ging het wat formeler
toe: Van der Deure vergaderde toen periodiek met een dagelijks bestuur van negen
leden in een Utrechts etablissement.
Binnen de NCRV-organisatie in Hilversum, Wageningen en Ede
liet Van der Deure zich niet vaak zien. Hij manifesteerde zich tijdens
bestuursvergaderingen en trok de aandacht van de leden vooral met de toespraken
die hij bij jaarwisselingen voor de radio hield. Daarvoor ging hij niet naar de
studio in Hilversum: hij wilde de oudejaarsavonden bij zijn gezin doorbrengen.
Daarom bestelde de NCRV elk jaar waarin zij op oudejaarsdag over zendtijd
beschikte bij de PTT lijnen naar de woning van Van der Deure, zodat de
voorzitter van achter het bureau in het ‘lege kantoor’ (een kale
reserve-werkruimte op de eerste etage waar alleen een bureau stond en waar niet
veel huiselijk geluid kon doordringen) het volk kon toespreken; soms wel twee
keer: in de loop van de oudejaarsavond en onmiddellijk na de klokslag van
middernacht. De kinderen kregen dan op het hart gedrukt doodstil te zijn. In de
huiskamer luisterden zij en hun moeder naar de spreker die zich, zodra hij
uitgesproken was, weer bij het gezin voegde.
|
|
Veel tijd besteedde Van der Deure aan persoonlijke contacten
zowel met politici als met bestuurders van andere omroepverenigingen die in
navolging van de NCRV werden opgericht; vooral de KRO.
Een half jaar na de oprichting van de NCRV, in mei 1925,
raakte Van der Deure betrokken bij de plannen voor de oprichting van de
Nederlandse Omroep Maatschappij die alle omroepactiviteiten zou moeten
overnemen. Dit idee verontrustte Van der Deure: de belangen van het gelovige
volk zouden in een dergelijke neutrale organisatie ondersneeuwen. Dus zocht hij
naar een constructie waardoor de levensbeschouwelijke omroepverenigingen -
desnoods binnen de overkoepelende Maatschappij - autonoom verder zouden kunnen
functioneren. Hij zocht steun bij zijn partijgenoot, de anti-revolutionaire
minister van Financiën Hendrik Colijn en - nadat deze begin augustus 1925
minister-president was geworden - bij de r.k. minister van Waterstaat ir. M.C.E.
Bongaerts. In september 1925 legde hij hem een uitgewerkt plan voor een
omroepbestel voor. 13
|
13. Hans van den Heuvel,
Nationaal of verzuild; De
strijd om het Nederlandse omroepbestel in de periode 1923-1947, Amroboeken, Baarn, 1976; blz. 20.
Van den Heuvel vond het document in het archief van het hoofdbestuur van de PTT.
|
Van der Deure meende dat drie hoofdstromingen - de
protestants-christelijke, de rooms-katholieke en de vrijzinnige/liberale - bij
voorkeur elk over een eigen golflengte moesten beschikken. Toen dit niet
haalbaar bleek, was hij bereid een zender te delen met ‘de roomsen’; de
andere zender overlatend aan ‘linkse’ omroepen. Aan de ontwikkeling van de
gedachten over de definitieve zendtijdverdeling kon Van der Deure krachtig
meewerken. Weliswaar nam minister Bongaerts niet onmiddellijk de ideeën van de
NCRV-voorzitter over; maar hij riep in 1925 een Regeerings-Commissie voor den
Nationalen Draadloozen Omroep in het leven en benoemde de NCRV-voorzitter
tot lid-secretaris. 14
|
14. Het dagblad
De Standaard van 7 maart 1928
meldde dat Van der Deure wegens zijn werk in de commissie benoemd was tot Ridder in de orde van Oranje-Nassau.
|
De commissie kwam in 1926 met een voorstel dat een duidelijk compromiskarakter
had. Als gevolg van een kabinetscrisis bleef dit lang in een
bureaula liggen. Intussen wist Van der Deure gedaan te krijgen dat de NCRV en de
KRO - in afwachting van een definitieve regeling van het omroepbestel - een
eigen zender mochten bouwen en exploiteren. De tweede landelijke radiozender (in
Huizen), gestart op 22 oktober 1927, bracht voor de NCRV en de KRO een enorme
verruiming van mogelijkheden: hun uitzendingen bleven niet langer beperkt tot de
ene avond per week op de Hilversumse NSF-zender. De twee confessionele omroepen
mochten de nieuwe zender delen, zij het dat zij één avond per week de VPRO
moesten dulden.
|
|
Van der Deure schuwde de publiciteit niet om de zaak van de
NCRV te bepleiten. In de toespraak die hij op oudejaarsavond 1926 voor de radio
hield, zei hij: "Wij aanvaarden geen tegenstelling tusschen algemeenen en
bijzonderen of sectarischen Omroep. Wij staan, met de andere omroepvereenigingen,
niet onder, maar gelijkwaardig naast den H.D.O.".
15
|
15. Ben van Kaam, Parade der Mannenbroeders,
Protestants leven in Nederland 1918-1938, Zomer & Keuning, Wageningen, 1964, blz. 155.
|
En in de Omroepgids
van 25 juni 1927 schreef hij: "Begrijpen de heeren dan niet, dat wij nooit
kunnen toestaan, dat onze protestantsch-christelijke levensrichting wordt
beschouwd, wordt gequalificeerd als iets bijzonders, iets afwijkends, terwijl de
neutraal-liberale gedachte als ‘de’ nationale levensrichting naar voren
wordt geschoven?"
|
|
Van der Deure bleef de belangen van de NCRV bepleiten bij de
verantwoordelijke ministers en de geestverwante Kamerleden. In april 1930 hield
hij de rooms-katholieke minister P.J. Reymer eerst in een persoonlijk onderhoud
en vervolgens in een op 24 april mede namens de KRO verzonden vertrouwelijke
brief voor hoe de radiozendtijd verdeeld zou moeten worden, wilde de minister
via de microfoon de steun van de omroepen verkrijgen. Toen minister Reymer op 29
juni 1930 zijn zendtijdbesluit nam - waardoor NCRV, KRO en VARA gelijke rechten
kregen als de AVRO die tevergeefs ernaar gestreefd had als nationale omroep
erkend te worden - was Van der Deure niet verrast. Wel heerste er een
feeststemming in huize-Van der Deure en ook in het openbaar stak Van der Deure
de loftrompet over de minister van Waterstaat.Dezelfde avond hield hij een
juichende rede voor de radio. De NCRV bracht een extra nummer van de Omroepgids
uit, met op de voorpagina een foto van minister Reymer, ‘de man die ons
recht deed’.
|
|
Van der Deure schreef: "De spot en hoon der
tegenstanders bleek het machtigste middel te zijn om onze christenmannen en
-vrouwen samen te brengen onder ons vaandel. Welhaast was een aantal
georganiseerden van meer dan 80.000 bereikt. En nu op dit ogenblik is de
verdeeling van den zendtijd de kroon op ons werk. Immers daardoor wordt onze
NCRV gelijkgesteld met de ‘neutrale’ en ‘algemeene’ AVRO".
Van der Deure heeft vele, vooral vertrouwelijke contacten
gehad met politici. Daarvoor reisde hij regelmatig per auto naar Den Haag. De
relaties van buiten de NCRV kwamen niet naar Bennekom. Alleen mr. P.S. Gerbrandy
- eerst advocaat in Leiden en Sneek, van 1930 af hoogleraar aan de Vrije
Universiteit en vanaf 1939 minister van justitie - kwam regelmatig bij Van der
Deure thuis. Aan die bezoeken kwam een eind toen Gerbrandy, met de overige
ministers, op 13 mei 1940 naar Londen uitweek.
|
|
Intern moest Van der Deure vooral aandacht besteden aan de
handhaving van de eenheid. In de jaren tussen beide wereldoorlogen waren in
protestants-christelijke kring de spanningen tussen hervormden en gereformeerden
groot.
De NCRV wortelde sterk in het gereformeerde, anti-revolutionaire
volksdeel, maar probeerde ook de rest van protestants-christelijk Nederland aan
zich te binden. Dit vergde veel stuurmanskunst, vooral van de voorzitter.
17
|
17. Niet alleen Van der Deure, maar ook Keuning,
Tolk en Pereboom waren gereformeerd. Zij hadden alle vier vooral contacten in de kring van hun eigen kerkgenootschap.
|
Uit de
bestuursnotulen valt af te lezen dat Van der Deure vaak een verzoenende en
matigende toon wist te vinden als de emoties hoog opliepen.
Een tijdrovend deel van het werk dat Van der Deure voor de
NCRV deed, bestond uit het beantwoorden van duizenden brieven van leden en
andere luisteraars, die zich rechtstreeks tot de voorzitter wendden. Hij
dicteerde de antwoorden aan zijn secretaresse Jans Jansen die ook de
correspondentie voor de advocatenpraktijk verzorgde. Uit de brieven pikte hij op
welke programmatische wensen de achterban had en waar de gevoeligheden lagen. In
de dinsdagse besprekingen vertaalde hij deze signalen in instructies aan Tolk. 18
|
18. Een voorbeeld.
Klik hier.
|
Van der Deure voerde persoonlijk gesprekken met allerlei
groeperingen die voor de NCRV van belang waren. Twee voorbeelden: in 1930 sprak
hij met ‘het moderamen der Christelijke Radio Leergangen’ over samenwerking;
begin 1940 sprak hij met de redactie van het CHU-dagblad De Nederlander
dat
onaardig over de NCRV had geschreven.
Nadat de NCRV en de andere omroepverenigingen gevestigde
instellingen waren geworden, kreeg Van der Deure ook een plaats in het
officiële circuit. Zo werd hij in 1936 voorzitter van het toen opgerichte
Centraal Bureau voor den Omroep, dat de belangen van de omroepverenigingen
behartigde waar het ging om het auteursrecht op de programmagegevens. Hij was
bestuurslid van de in 1935 opgerichte Nozema die de zenders beheerde. En in 1937
werd hij - samen met twee andere omroepvoorzitters en een omroepsecretaris - lid
van de Contact Commissie, op 6 september van dat jaar bij ministeriële
beschikking in het leven geroepen om richtlijnen voor de organisatie en de
verzorging van werelduitzendingen op te stellen.
19
|
19. René Witte, Het einde van de
ideologie; de Contact-commissie voor de Werelduitzendingen (1937-1940), in: Jaarboek Media-Geschiedenis 1, 1989.
|
Het voorzitterschap van de NCRV was de functie waardoor Van
der Deure de meeste landelijke bekendheid genoot. Maar het betrof geen volledige
dagtaak. Hij kreeg er ook geen salaris of andere vorm van inkomen voor. Wel
ontving Van der Deure van de NCRV een bedrag van ƒ 5.000,- per jaar om een
vervanger in zijn advocatenkantoor te kunnen inhuren gedurende de uren die hij
besteedde aan omroepzaken.
20
|
20.
Over kosten van buitenlandse reizen: klik hier.
|
Voor zijn broodwinning was hij aangewezen op andere
werkzaamheden. In totaal had hij negen functies. De advocatenpraktijk was
belangrijk. Ook was hij actief voor de Anti-Revolutionaire Partij. Deze zette
hem op een verkiesbare plaats op de kandidatenlijst voor de Provinciale Staten
van Gelderland, waarvan hij van 1931 af deel uitmaakte; enige tijd voor en na de
oorlog was hij ook lid van Gedeputeerde Staten in Arnhem. Verder zat hij in het
bestuur van de Geldersche Maatschappij van Landbouw en van de Raiffeisenbank in
Bennekom. Hij was commissaris van de snoepjesfabriek Delonka in Breda en
juridisch adviseur van de Bond van Landpachters. En toen in Enkhuizen een
plaatselijke bank failliet ging, trad hij op als curator.
|
|
Preventieve censuur
Van der Deure accepteerde de preventieve censuur op
radioteksten zoals Nederland die voor de tweede wereldoorlog kende. Immers de
overheid had deze rechtmatig ingesteld. Maar dat weerhield hem er niet van in
concrete gevallen bezwaar aan te tekenen tegen besluiten van de Radio Controle
Commissie die namens de overheid de censuur uitoefende. In het hoofdartikel ‘Niet
zoo bureaucratisch’ in de Omroepgids van 13 april 1940 ageerde hij fel
tegen het verbod van een praatje dat mr. dr. L.W.G. Scholten had willen houden
in de pas gestarte rubriek De vaart der volken. Zijn belangrijkste
bezwaar gold de discriminatie: actuele politiek was voor de microfoon verboden,
maar in de gedrukte pers toegestaan.
Zelf had hij kort tevoren met de censor te doen gehad. Hem was
ter ore gekomen dat de Duitsers op grote schaal activiteiten in Nederland
ontplooiden. Bij een uniformsmokkel was een Nederlandse soldaat om het leven
gekomen. De Nederlandse overheid had dit feit verzwegen.
21
Van der Deure vond het
nuttig het Nederlandse volk te waarschuwen oplettend te zijn. Hij bereidde een
radiopraatje voor dat hij op 18 maart 1940 had willen houden; maar de censor -
feitelijk de minister van Justitie, zijn vriend P.S. Gerbrandy - stak hier een
stokje voor.
|
21. Dit feit staat niet in de stukken.
Zoon P. van der Deure herinnerde zich in 1994 dat zijn vader daarover destijds in huiselijke kring heeft gesproken.
|
In dezelfde Omroepgids van 13 april 1940 waarin Van der
Deure fulmineerde tegen het besluit in de zaak-Scholten, ging hij diep en op een
nogal curieuze wijze op het verbod van zijn eigen speech in. Allereerst meldde
hij dat NCRV de tekst niet zou toezenden aan de honderden mensen die daarom
hadden gevraagd. De NCRV zou te kort schieten ‘in eerbied voor het Gezag
indien nu langs de achterdeur wordt bewerkt, wat in het openbaar wordt nagelaten’.
Maar uit het vervolg van het artikel blijkt dat Van der Deure zelf de tekst
vertrouwelijk heeft toegezonden aan talloze prominenten met de vraag of zij het
verbod juist vonden. Hij citeerde uitvoerig uit De Nederlander die - na
kennisneming van de tekst - in nauwelijks verhullende bewoordingen over de zaak
had geschreven. Vervolgens legde Van der Deure uit dat het hem uiterst zinvol
leek te waarschuwen tegen spionnen. ‘Vrees oordeelen we een slechte
raadgeefster. Laten we liever de handen ineenslaan en als Nederlanders tezamen
deze etterbuilen uit ons nationale leven uitbannen’. Nadat hij zo de strekking
van zijn verboden toespraak openbaar had gemaakt, eindigde hij heel
gezagsgetrouw: ‘Maar de Regeering draagt de verantwoordelijkheid. En wanneer
die het anders wil, hebben we ons daarnaar te richten en zullen we daarnaar
handelen’.
|
|
De tweede wereldoorlog
In de oorlogsjaren was Van der Deure geen verzetsheld en ook
geen collaborateur
22. Hij heeft tussen 1940 en 1945 wel zijn persoonlijke bezit
behoorlijk uitgebreid; maar hij heeft - voor zover valt na te gaan - alleen
zichzelf, niet de bezetter bevoordeeld.
Onder de Duitse bezetting meende Van der Deure dat hij van de
NCRV moest redden wat er te redden was. Direct na de capitulatie van het
Nederlandse leger op 14 mei 1940 wilde hij bereiken dat de NCRV weer zoveel
mogelijk op de oude voet zou kunnen doorgaan. Dat op woensdag 15 en donderdag 16
mei alleen de AVRO had kunnen uitzenden, baarde hem veel zorg. Van der Deure,
die in Edam vertoefde 23, gaf op 15 mei aan K. van Dijk, de rechterhand van Tolk,
instructie contact op te nemen met de Duitse autoriteiten. Van Dijk voerde op
donderdagavond 16 mei een gesprek met ‘de Duitsche Heeren Strohmeyer en
Freudenberg’, met als gevolg dat op zaterdag 18 mei weer een NCRV-uitzending
kon plaats hebben, ‘die principieel in NCRV-geest gehouden werd’. Van elke
toespraak moest vooraf een vertaling in het Duits overgelegd worden
24.
Op die zaterdagavond wilde Van der Deure een radiopraatje
houden. Zijn tekst kon evenwel niet door de Duitse beugel, onder andere omdat
hij wilde spreken over ‘de Duitse bezetting van de vesting Holland’
(waardoor de indruk zou kunnen ontstaan dat alleen de vesting Holland bezet was)
en over ‘een ons opgelegde beperking’.
|
22. Volgens zijn zoon P. van der Deure vond
Van der Deure actief verzet slechts in uitzonderlijke gevallen zinvol.
23. Van der Deure die in het voorjaar van 1940 de Duitse inval zag aankomen, had in Edam een huisje gehuurd
waarheen zijn hele gezin - sommigen per auto, anderen per fiets - op 10 mei 1940 is uitgeweken. Van der Deure was
ervan overtuigd dat de Duitsers Bennekom wel zouden bereiken; maar hij dacht zich veilig achter de Hollandse waterlinie.
24. Bron en toelichting: lees hier.
|
Nog twee keer heeft Van der Deure in die meimaand een tekst
voor een radiopraatje ingeleverd. Beide keren werd zijn toespraak - zonder
opgave van redenen - geweigerd. Van der Deure bleef doorgaan met pogingen voor
de microfoon te komen. Eén keer wilde hij slechts een passage uit de bijbel
voorlezen; maar ook dat mocht hij niet
25.
Op vrijdag 6 september 1940 maakten de
Duitsers aan de pogingen een eind: Van der Deure werd "bis auf weiteres
für den holländischen Rundfunk gesperrt". Dit besluit nam de
Rundfunkbetreuungsstelle na lezing van de tekst voor een radiopraatje met de
titel ‘Eenheid’. "Het manuscript staat in krasse tegenstelling tot de
loyale houding, die de Duitse bezetter van een Nederlandse omroepvereniging moet
eisen", aldus de Duitse censor E.K.Th.F. Taubert
26. Van der Deure legde zich
daar niet bij neer; hij ging praten met de Betreuungsstelle en kon op 25
november 1940 meedelen dat hij weer voor de microfoon mocht spreken
27.
|
25. De Duitsers hadden er geen bezwaar tegen
wanneer K. van Dijk dezelfde bijbelteksten voorlas.
26. Brief van Taubert aan NCRV d.d. 6 september 1940, geciteerd in: Dick Verkijk,
Radio Hilversum 1940-1945,
De omroep in de oorlog, uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1974.
27. Voor zover valt na te gaan is hij tijdens de oorlogsjaren toch niet meer voor de radio geweest.
|
Ook in andere, zelfs in religieuze programma’s sloeg de
censuur toe. Zo mocht een predikant niet spreken over het bijbelboek De
Klaagliederen van Jeremia. De NCRV raakte daarover in conflict met de
kerken. Deze wilden niet accepteren dat door hen verzorgde radiokerkdiensten
gecensureerd werden. De NCRV legde de kerken uit dat alle uitzendingen inclusief
kerkdiensten volgens het Nederlandse recht onderworpen waren aan censuur ‘en
daar de NCRV zich aan de radiowetgeving te houden heeft, kan van haar geen actie
tegen censuur op kerkdiensten uitgaan’, aldus hield Van der Deure zijn
algemeen bestuur voor
28. Hij wist ook een oplossing: als de kerken verdere
medewerking weigerden, zou de NCRV eigen wijdingsdiensten organiseren met
predikanten die bereid waren de censuur te accepteren, aldus Van der Deure, die
eraan toevoegde dat de VPRO hetzelfde standpunt innam
29.
|
28. Zonder twijfel heeft bij de standpuntbepaling
van Van der Deure een rol gespeeld dat er ook al voor de oorlog censuur op radioteksten bestond. De Duitse maatregelen
waren dus voor hem niets nieuws. Voor de oorlog had de NCRV niet tegen de censuur geageerd en er was dus voor Van der
Deure geen reden dat in de tweede helft van 1940 wel te doen.
29. Notulen van de vergadering van 6 augustus 1940 van het Algemeen Bestuur van de NCRV.
|
Van der Deure liet het er toch niet bij zitten. In november
1940 wist hij de Betreuungsstelle zo ver te krijgen dat deze de censuur op
kerkdiensten wel wilde opheffen, mits in de preken geen actuele politieke
onderwerpen aan de orde zouden komen en het Nederlandse volk niet zou worden
vergeleken met het oudtestamentische volk van Israël in verdrukking.
|
|
Christenen stonden in die tijd voor de vraag of de
bezettingsmacht wel of niet de overheid was aan wie iedereen volgens hoofdstuk
13 van de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen onderdanig moet zijn.
Anders dan vele anderen - onder wie de mensen achter het illegale
protestants-christelijke blad Trouw - meende Van der Deure van wel; en
met hem het NCRV-bestuur 30. Voor andere inzichten stond Van der Deure niet open.
De christen-socialist J.H. Scheps, die zich eind 1940 bij hem aandiende om hem
te adviseren de NCRV te laten leeglopen, kwam niet verder dan het tuinhek 31.
Ook op andere terreinen nam hij een dergelijke houding in. Zo
adviseerde hij zijn zoon Piet, die in Delft studeerde, de door de Duitsers
vereiste loyaliteitsverklaring te tekenen. Hij liet zich daarbij mede leiden
door het overeenkomstige advies dat de ‘raad van professoren’ in Delft
gegeven had.
|
30. Dr. L. de Jong schrijft in deel 9, tweede helft, van
Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (blz. 1197) dat geen der omroepverenigingen een beleid had
gevoerd dat men als weerbaar mag aanduiden. ‘Naar verhouding had de NCRV zich nog het stugst tegen de bezetter opgesteld',
aldus De Jong.
31. Dick Verkijk, a.w., blz. 286.
|
Op dinsdag 28 mei 1940 woonde Van der Deure in Den Haag een
bespreking bij met de Duitse militaire overheid. Daar bleek dat de
omroepverenigingen voorlopig alle via één zender moesten uitzenden (de
Hilversumse zender was door Nederlandse militairen opgeblazen). Daardoor, zo
kreeg Van der Deure te horen, zouden de NCRV-uitzendingen sterk beperkt worden.
Maar uit de uitlatingen van de Duitsers putte hij de hoop dat de NCRV na enkele
maanden weer 3½ dag per week zou kunnen uitzenden.
|
|
Van der Deure probeerde de NCRV-leden te bemoedigen. In een op
29 juni 1940 in de Omroepgids gepubliceerd artikel onder de kop ‘Moedig
voorwaarts!’ wees hij op de lichtzijden van de situatie van dat moment.
"De saamhorigheid is versterkt, de nationale zin is verlevendigd (...) Maar
voor een begrijpen van den nieuwen tijd, voor het volvoeren van de nieuwe taak
is méér vereischt dan dat, zijn een scherp gerichte doelstelling, zijn moed en
geestdrift, zijn idealen en bezieling dringend noodzakelijk". Nederland had
het volgens hem voor de oorlog te goed gehad. "De vragen naar geld en naar
goed, de aangelegenheden van winst en bezit, ze hadden te veel invloed op onzen
dagelijkschen gedachtengang verkregen". Ons leven was vervlakt en
zelfgenoegzaam. Van der Deure: "In dit opzicht is Duitschland ons een
beschamend voorbeeld. Terwijl het daar alleen om aardsche idealen ging, moet
toch ieder onbevooroordeeld toeschouwer respect hebben voor de opofferingen,
welke met name de Duitsche jeugd zich voor die idealen getroostte, voor de
energie en de geestdrift, welke daardoor werden gewekt, voor de kracht, waarmede
voor die idealen werd geijverd. En het ontmoet zeker geen tegenspraak, wanneer
beweerd wordt, dat het groote succes der Duitsche wapenen, behalve van
luchtwapen en aanvalstank, zeker in niet mindere mate aan de geest
(cursivering van Van der Deure) van het Duitsche leger is toe te schrijven.
(...) Méér nog dan een materieele, is zich bezig een geestelijke ommekeer te
voltrekken". Hij riep de lezers op "zich naarstig te beijveren om de
taak te vervullen die God ons op de schouders heeft gelegd".
Toch zag Van der Deure de situatie soms ook wel somber in. Op
24 juni 1940 - dus in dezelfde dagen waarin hij het geciteerde artikel voor de Omroepgids
schreef - zei hij in kleine kring ervan overtuigd te zijn ‘dat wij beter ten
onder kunnen gaan dan dat wij ons laten meesleepen en op den duur toch
verdwijnen’. |
|
Eind 1940 werkte de bezetter aan de oprichting van een
gecentraliseerde omroep waarvan AVRO’s Willem Vogt directeur-generaal zou
worden. Aanvankelijk hadden vooral VARA en NCRV daartegen groot bezwaar: voor
hen waren de AVRO en Vogt nog steeds het vijandelijke kamp waarover zij in 1930
hadden gezegevierd maar dat nu toch nog leek te gaan winnen. Van der Deure gaf
spoedig zijn verzet op. In een te vormen college van acht directeuren was ook
voor hem een plaats ingeruimd. Hij zou de juridische zaken behartigen.
Uiteindelijk ging deze constructie niet door, zoals Van der
Deure en de voorzitters van de andere drie grote omroepverenigingen op donderdag
12 december 1940 hoorden van dr. T. Goedewaagen, secretaris-generaal van het
nieuwe departement van Volksvoorlichting en Cultuur. Ir. A. Dubois, directeur
van de Nozema, zou de baas worden van de Nederlandse omroep die alle
uitzendingen zou gaan verzorgen 32. Voor de omroepverenigingen en voor bestuurders
daarvan zou geen plaats meer zijn.
|
32. Verkijk, a.w., blz. 176.
|
Van der Deure was er de man niet naar om zich daarbij neer te
leggen. Hij ging in conclaaf met enkele mensen uit zijn dagelijks bestuur van de
NCRV en daar rijpte een plan dat hij op 2 januari 1941 voorlegde aan zijn
algemeen bestuur. ‘We kunnen besluiten dat de NCRV zich geheel uitschakelt.
Daar waren we zeer na aan toe’, hield hij zijn bestuur voor. ‘Aan de andere
kant kunnen we naar een oplossing zoeken om te voorkomen dat de NCRV zich geheel
ontbindt’. Van der Deures idee was dat het algemeen bestuur een stichting zou
vormen om zo ‘toch nog een zekere invloed te behouden’. De stichting zou
godsdienstige programma’s kunnen verzorgen. Tevens zou bereikt kunnen worden
dat althans een deel van het personeel in dienst zou kunnen blijven en er zou
een rechtspersoon zijn die de eigendommen van de NCRV - onder andere de vrijwel
voltooide studio aan de Schuttersweg in Hilversum - zou kunnen beheren. Of deze
constructie enige kans van slagen had, wist Van der Deure niet. Het algemeen
bestuur aanvaardde het plan met 17 tegen 2 stemmen, waarop Van der Deure zei:
‘Wij kunnen nu een poging wagen dit voorstel erdoor te krijgen. Meer dan een
poging kan het niet zijn’ 33.
|
33. Notulen van de vergadering van 2 januari 1941
van het Algemeen Bestuur van de NCRV.
|
Toen hij zich geruggensteund wist door zijn bestuur, wendde Van
der Deure zich tot Dubois, voor wie dit idee een voorlopige oplossing van een
probleem betekende. Er moesten religieuze programma’s blijven, vond hij, en
van de kerken verwachtte hij weinig medewerking. Alleen de voorgestelde naam Nederlandsche
Christelijke Radio Stichting kon zijn goedkeuring niet wegdragen: NCRS
herinnerde te veel aan NCRV. Na weglating van het woord Nederlandsche
ging hij akkoord en zo kon vanaf 9 maart 1941 - de dag waarop de uitzendingen
van de omroepverenigingen werden gestaakt - de Christelijke Radio Stichting,
ingepast in het programma van de nationale omroep, drie uur per week onder eigen
verantwoordelijkheid godsdienstige programma’s verzorgen 34. Het zat de CRS niet
mee doordat eerst de Nederlandse hervormde kerk en vervolgens ook de
Gereformeerde Kerken in Nederland weigerden aan de uitzendingen mee te werken.
Dat de overheid per 1 oktober 1941 aan de uitzendingen van de stichting een
einde maakte, kwam Van der Deure daarom wel goed uit. (De stichting bleef tot
het einde van de oorlog bestaan).
|
34. Dubois benaderde de beide andere omroepen op
religieuze grondslag, de KRO en de VPRO, met de vraag of zij ook zo'n constructie wilden regelen. De
reacties van deze omroepen en de turbulente gevolgen voor de NCRV: klik hier.
|
Kort na de meidagen van 1940 liep Van der Deure de reputatie
op Duitsvriendelijk te zijn. Dat kwam niet alleen door zijn toegevendheid aan de
eisen van de Duitse bezetter. Ook een incident droeg daartoe bij. Als Gelders
gedeputeerde was hij vóór de Duitse inval lid geweest van een gemengde
Duits-Nederlandse commissie die een probleem met de loop van de grens bij
Winterswijk moest oplossen. Toen dit werk voltooid was, gaven de Duitse en de
Nederlandse overheid over en weer de leden van de commissie een onderscheiding.
Een bericht over de toekenning van de Duitse orde voor Van der Deure kwam kort
na het begin van de Duitse bezetting in de Nederlandse kranten.
Begrijpelijkerwijs interpreteerden velen de onderscheiding als een beloning voor
collaboratie. Volgens Van der Deure was daarvan echter geen sprake. Wel
gebruikte hij later in de oorlog de onderscheiding handig om weg te komen uit
Sint-Michielsgestel waar hij enige tijd als gijzelaar was ingesloten 35.
Van der Deure had voor 10 mei 1940 nogal wat relaties in
Duitsland en Hongarije. Met hen deed hij zaken; er was ook een kerkelijke band.
Na mei 1940 heeft Van der Deure nog enige tijd geprobeerd de contacten in stand
te houden, al was dat moeilijk omdat niemand - ook hij niet - de grens mocht
passeren. Tot zijn Duitse relaties behoorden burgemeester Goerdeler van Leipzig
(die betrokken was bij het complot van 20 juli 1944 tegen Adolf Hitler en op
grond daarvan is gefusilleerd) en Gotthard Sachsenberg, directeur van een
machinefabriek en scheepswerf in Rostock. Deze man - geen nazi - heeft in de
oorlogsjaren de werf Conrad in Haarlem overgenomen. Sachsenberg vroeg Van der
Deure commissaris van die onderneming te worden. Van der Deure wilde geen ‘nee’
zeggen. Uiteraard kreeg de Haarlemse werf opdrachten van de Duitsers 36.
|
35. Dick Verkijk
(in
Radio Hilversum 1940-1945) over Van der Deure en de Duitsers: klik hier.
36. Gerard H. Hoek, die kort voor de oorlog als radioverslaggever bij de NCRV in dienst was gekomen en die na de
oorlog radio-programmaleider werd, baseerde hierop zijn uitlating in 1973 in een telefoongesprek met Dick Verkijk dat
Van der Deure bekend stond om zijn geldzucht, "wat hem in de oorlog de verkeerde kant heeft doen opgaan"
(Dick Verkijk, a.w., blz. 286). Feitelijk heeft Van der Deure het commissariaat aangenomen omdat hij zijn relatie
Sachsenberg niet voor het hoofd wilde stoten.
|
Tijdens de oorlogsjaren heeft Van der Deure op grote schaal
effecten ingekocht. Hij deed dit buiten het streng door de Duitsers
gecontroleerde officiële circuit om. Uiteraard moest hij de steeds voller
wordende dozen met waardepapieren aan het oog onttrekken. In de familie gaat het
verhaal dat Van der Deure daarvoor een curieuze oplossing heeft gevonden. In
zijn tuin had hij een grote vijver waarvan hij het waterpeil kon verlagen. Als
het water zakte, werd de toegang tot een in de wand gemetselde kluis bereikbaar.
|
|
Toen na de slag om Arnhem (begonnen op 17 september 1944)
de Veluwezoom geëvacueerd werd, zag Van der Deure kans toestemming te krijgen
nog enige tijd in Bennekom te blijven. Hij had de Duitse autoriteiten ervan
weten te overtuigen dat het van eminent belang was dat de documenten in zijn
kantoor onder zijn hoede bleven. De vrijgezel Keuning, die zich vanuit het
ontruimde Wageningen naar Bennekom had begeven en die bij Van der Deure onderdak
had gevonden, wist vanuit Van der Deures serre een aansluiting te maken op een
telefoonlijn van de Provinciale Gelderse Elektriciteits-Maatschappij. De PGEM had
vanuit de centrale in Nijmegen eigen lijnen naar enkele delen van de provincie.
In september 1944 hadden de Duitsers alle reguliere telefoonverbindingen met het
inmiddels bevrijde Zuid-Nederland verbroken. Maar zij wisten niet van de lijn
van de PGEM; Keuning wel 37. Via deze lijn gaven Van der Deure en Keuning - onder
de codenaam Albrecht - uit huize Wester-Eng elke ochtend en elke avond
gedurende een half uur informatie door naar het bevrijde Nijmegen 38. Deze
activiteit was niet ongevaarlijk: als de Duitsers haar ontdekt hadden, was de
doodstraf onontkoombaar geweest. Om de Duitsers op afstand te houden, had Van
der Deure een plakkaat met het woord ‘Difterie’ aan de voordeur bevestigd.
De schijn dat er een besmettelijke ziekte heerste werd versterkt doordat Van der
Deures dochter overdag beneden voor het raam in bed moest blijven liggen.
Toen Van der Deure uiteindelijk ook uit Bennekom weg moest,
trok hij in Ede in bij de familie Pereboom.
|
37. F. van der Have, Kleine kroniek van het verzet
in Wageningen over de periode 1940-1945, Ochten, z.j., blz. 179. Volgens deze bron moest Van der Deure wel even
diep nadenken voordat hij Keuning toestemming gaf de telefoonpost in zijn woning te installeren. Keuning had al eerder
vanuit Wageningen de PGEM-lijn gebruikt, waardoor tijdens de slag om Arnhem Duitse stellingen in de omgeving effectief
vernietigd werden.
38. De informatie werd verzameld door enkele jongeren onder wie Bart van Elst, een schoolgenoot van de zonen van Van der Deure. Van Elst is later bij De Woeste Hoeve gefusilleerd.
|
De beschuldiging van collaboratie kwam na de oorlog enkele
keren aan de orde. De zuiveringscommissie onder voorzitterschap van oud-minister
mr. H. Bijleveld had geen bedenkingen tegen Van der Deure. Voordat de commissie
in augustus 1945 tot deze uitspraak kwam, was er een actie om zijn persoon
gevoerd, waarbij zijn politieke betrouwbaarheid in twijfel werd getrokken. Van
der Deure zei in augustus 1945 bereid te zijn terug te treden als door zijn
aanblijven het belang van de NCRV geschaad zou worden. Het bestuur had daaraan
geen behoefte 39.
|
39. Notulen AB-vergadering van 21 augustus 1945.
Van der Deure maakte zelf melding van de actie tegen zijn persoon, maar gaf niet aan wie die actie gevoerd had(den).
|
Later kwam het punt van collaboratie opnieuw aan de orde,
namelijk in de NCRV-bestuursvergadering van 29 oktober 1947 waarin de
ontslagbrief van Van der Deure werd besproken. Secretaris Keuning - van wie
bekend was dat hij actief was geweest in het verzet - zei de beweringen niet te
geloven. Hij herinnerde aan de medewerking die Van der Deure had verleend aan de
groep-Albrecht en aan een openhartig gesprek dat Keuning na de bevrijding met
Van der Deure had gevoerd en waarin Van der Deure nadrukkelijk had verzekerd dat
er van collaboratie geen sprake was geweest.
|
|
Na de bevrijding
Met de beëindiging van de activiteiten van de Christelijke
Radio Stichting leek de betrokkenheid van Van der Deure bij de omroep definitief
voorbij. Maar al op 28 december 1943 behoorde Van der Deure tot het groepje
prominenten uit de inmiddels verdwenen omroepverenigingen die ten huize van
AVRO-directeur W. Vogt het ‘Omroep-Comité’ oprichtten. Dit was bedoeld om
de organisatorische opzet van de omroep na de bevrijding te regelen 40. Toen
vervolgens in mei 1944 de Federatie van Omroepverenigingen werd opgericht, kreeg
Van der Deure daarin een bestuursfunctie. De Federatie regelde tot in de puntjes
de hervatting van de radio-uitzendingen direct na de bevrijding. Technisch zou
er één omroep zijn, maar de programma’s zouden verzorgd worden door de
vooroorlogse omroepverenigingen.
|
40. Dick Verkijk, a.w., blz. 720.
|
Die opzet mislukte door ingrijpen van het militair gezag dat
de omroepverenigingen zelfs uit hun eigen studio’s wist te weren. Het zou tot
zondag 20 januari 1946 duren voordat de NCRV weer een radioprogramma kon
verzorgen 41.
Maar de vereniging was al veel eerder actief. Op 21 augustus
1945 leidde Van der Deure in het gebouw van de Nieuwe Utrechtsche Courant weer
een vergadering van het Algemeen Bestuur. Van der Deure zette daar uiteen dat
het kabinet bezig was met een constructie waarbij in wezen sprake was van een
staatsomroep. Van der Deure kon persoonlijk - anders dan zijn
secretaris-penningmeester Keuning - instemmen met de gedachte dat Radio
Nederland een zelfstandige uitzendtaak zou krijgen. Waar zelfs tegenover de
Duitsers de NCRV concessies had gedaan, moest zij dit tegenover de naoorlogse regering zeker doen, meende Van der Deure. Maar zijn bestuur was minder
meegaand. Het jaarverslag-1946 van de NCRV bezigde krasse taal: "Nauwelijks
was ons land bevrijd van de Duitsche tyrannie, of bij onze Regeering bleek een
streven naar een gedwongen geestelijke eenheid van ons volk te bestaan, dat is
naar een nieuwe tyrannie; en inzonderheid de radio-omroep heeft daarvan te
lijden gehad".
|
41. De gang van zaken met de omroep na de bevrijding
is o.a. uitvoerig beschreven in Dr. L. de Jong, a.w., deel 12, Epiloog, blz. 221 e.v.
|
Uiteindelijk stemde de NCRV in met de oprichting van de
Nederlandse Radio Unie in 1947. Elke omroepvereniging kreeg daarin twee zetels;
Van der Deure bezette één van de zetels die voor de NCRV beschikbaar waren.
Tegen het plan van de regering de radio-controlecommissie weer
in het leven te roepen, verzette Van der Deure zich heftig. Hij zag daarin ‘een
ware belemmering van de actualiteit van de omroep. (...) Wij zijn ervan
overtuigd dat ook voor de toekomst het dure, onzen arbeid vertragende en
belemmerende radio-contrôle-apparaat zonder eenige schade volledig kan worden
gemist’ 42.
|
42.
Omroepgids, 28 januari 1947.
|
Van der Deure had het na de oorlog druk met de NCRV. In
augustus 1947 zei hij tegen het dagelijks bestuur dat hij van de bevrijding af
‘soms twee maal op één dag’ had moeten vergaderen in allerlei commissies,
raden en instanties om de positie van de NCRV te handhaven.
Van der Deure spande zich verder in om de eigendommen van de
NCRV terug te krijgen die op grond van de Verordening van de rijkscommissaris
nr. 49/1941 d.d. 12 maart 1941 waren overgeheveld naar het staatsbedrijf ‘De
Rijks-radio-omroep’. In oktober 1945 wendde Van der Deure zich, als ‘belanghebbende
in de zin van het Besluit Herstel Rechtsverkeer’, tot het Nederlands
Beheersinstituut te Den Haag met het verzoek de ontbinding van de NCRV ongedaan
te maken. Dit verzoek werd ingewilligd bij beschikking van 29 oktober 1945 in
die zin dat de NCRV geacht werd nooit ontbonden te zijn geweest. Van der Deure
claimde daarna nog een vergoeding voor het onrechtmatige gebruik van de studio’s
en kantoorgebouwen gedurende de bezettingsjaren.
|
|
In de cel - uit de NCRV
Het einde van Van der Deure als NCRV-voorzitter kwam abrupt.
In september 1947 werd Van der Deure gearresteerd wegens belastingfraude 43. Van
der Deure had het optreden van de fiscus al enige tijd zien aankomen. Hij
besloot geen medewerking te verlenen aan het onderzoek van de fiscale recherche.
Toen hij op het punt stond naar het buitenland te vertrekken, stond de politie
voor de deur die hem insloot in het politiebureau van Ede. Alleen de naaste
familie en een predikant mochten hem daar opzoeken 44.
NCRV-secretaris Keuning bezorgde aan Van der Deure via diens
zoon Jacob een briefje met het advies ontslag te nemen als voorzitter van de
NCRV. Na enige weken volgde Van der Deure dit advies op; in een korte brief
meldde hij niet langer voorzitter van de NCRV te willen zijn. Hij vroeg de NCRV
dit feit niet direct te publiceren, maar er overigens vrij mee te handelen, voor
zover dit in het belang van de NCRV kon zijn 45. Het bestuur besloot tot een
uiterst summiere publicatie in de Omroepgids.
|
43.
De Volkskrant publiceerde op vrijdag 19 september
1947 op de voorpagina, onder de kop ‘Voorzitter NCRV in arrest', ...
Lees verder hier.
44. De politie stond Van der Deure wel toe hem maaltijden te laten aanreiken door een gerenommeerd restaurant. In de cel
had hij gelegenheid een hobby uit te leven: het repareren van horloges.
45. Mededelingen van C.A. Keuning in de NCRV-bestuursvergadering van 29 oktober 1947, vermeld in de notulen.
|
Terwijl Van der Deure in de cel zat, sloeg de paniek bij de
NCRV toe. De fraude had weliswaar geen betrekking op NCRV-gelden, maar in
sommige dagbladen werd breed uitgemeten dat de gearresteerde - die alleen met
initialen werd aangeduid - voorzitter van deze omroepvereniging was.
Vice-voorzitter prof. dr. A.H. Edelkoort nam onmiddellijk het grootste deel van
het werk van Van der Deure over 46. Alleen de contacten met het buitenland zal hij
niet kunnen onderhouden, zo deelde hij op 29 oktober 1947 mee in de eerste
bestuursvergadering na de arrestatie van Van der Deure, die Edelkoort omschreef
als ‘een ietwat sinistere bijeenkomst’. In de Federatie van
Omroepverenigingen en het algemeen bestuur van de Nederlandse Radio Unie nam
Keuning de plaats van Van der Deure in; in het Dagelijks bestuur van de NRU
NCRV-directeur Van Dijk, die ook Van der Deures plaats in het bestuur van de
Nozema overnam.
|
46. Op oudejaarsavond 1947 om 23.45 uur sprak
Edelkoort voor de NCRV-radio over "Wij vliegen daarheen'. Deze titel sloeg niet op zijn voorganger.
|
Bij zijn arrestatie bleek Van der Deure nog ƒ 25.000 van
de NCRV tegoed te hebben. Het betrof de vergoeding voor een plaatsvervanger in
zijn advocatenpraktijk die hij gedurende een reeks van jaren niet had
gedeclareerd 47.
De NCRV-penningmeester betaalde hem het bedrag op kwitantie uit, waarna de
fiscus het direct overnam.
Tijdens de rechtszaak, op 10 februari 1948 in Arnhem, werd de
buitenwereld duidelijk waarvan Van der Deure beschuldigd werd. Hij had in het
najaar van 1945 een vermogen van ƒ 189.000 opgegeven, terwijl dit
tenminste ƒ 509.000 had moeten zijn. Van der Deure hield niet minder dan
negen verschillende boekhoudingen bij die zo ingewikkeld waren dat op de dag van
het proces het onderzoek nog niet was afgesloten. Hij had volgens de officier
van justitie onder de naam P. de Vries effecten verkocht en een deel van zijn
vermogen (ƒ 70.000 plus voor ƒ 1400 aan ongemunt goud) in bewaring
gegeven bij een zoon met het oogmerk de belastingdienst te misleiden. De
onjuiste aangiften hadden plaats gevonden van 1941 tot en met 1945 48. Het vonnis
luidde: een half jaar gevangenisstraf. Van der Deure ging in hoger beroep, maar
dat baatte hem niet: het gerechtshof van Arnhem concludeerde op 24 juni 1948 ook
tot zes maanden cel 49.
|
47. De NCRV was zo coulant de vergoeding ook
tijdens de oorlogsjaren te betalen. Van der Deure was zelf even grootmoedig. Hij heeft gedurende alle oorlogsjaren
het salaris volledig doorbetaald aan een joodse medewerker, mr. W. Vos, die deel uitmaakte van een knokploeg en die
daarom en om zijn afkomst moest onderduiken. Het trof Van der Deure pijnlijk dat deze heer Vos na de oorlog een eigen
advocatenpraktijk begon en zich vestigde in een pand recht tegenover Wester-Eng.
48. Bronnen en meer gegevens:
hier.
49. Trouw, 25 juni 1948; De
Volkskrant, 26 juni 1948.
|
Tegenover de buitenwereld repte de NCRV nauwelijks meer over
Van der Deure 50. Maar het bestuur had nog wel contact. Van der Deure was
financieel in de problemen geraakt. Niet alleen had de fiscus zich ontfermd over
een flink deel van zijn geld; de inkomsten stokten ook. De Anti-Revolutionaire
Partij wilde hem niet handhaven als Gedeputeerde en de advocatenpraktijk zakte
in elkaar. De NCRV voelde zich moreel verplicht haar oud-voorzitter te hulp te
komen. Even rees de gedachte Van der Deure te vragen het NCRV-archief te ordenen
en de geschiedenis van de omroepvereniging te schrijven. Maar het leek toch niet
zo gewenst hem een tijdelijke betrekking te bezorgen.
|
50. In het jaarverslag-1947 staan enkele regels.
Lees ze hier.
|
Het NCRV-bestuur was al eerder voornemens zijn voorzitter een
salaris (van ƒ 15.000 per jaar) te gaan betalen ‘omdat wij allen
overtuigd waren dat het niet aanging steeds maar beslag te leggen op de tijd en
de werkkracht van mr. Van der Deure zonder daar iets voor in de plaats te
stellen’, aldus vice-voorzitter Edelkoort in de bestuursvergadering van 15
juli 1948. De zaak lag klaar voor besluitvorming toen Van der Deure in de cel
belandde. Edelkoort stelde voor Van der Deure een pensioen te bezorgen. Dat
bleek niet zo eenvoudig. Van der Deure had geen recht op pensioen en de fiscus
zou dus waarschijnlijk schenkingsrecht eisen. Omdat Van der Deure ook verder nog
bezig was zijn zaken met de fiscus af te wikkelen, leek de kans groot dat al het
geld dat de NCRV zou betalen, bij de belastingdienst terecht zou komen. Dus
besloot de NCRV een afwachtende houding aan te nemen.
|
|
In november 1949 slaakte Van der Deure een noodkreet: hij kon
niet meer in zijn levensonderhoud voorzien en vroeg daarom het bedrag dat hij
als pensioen zou ontvangen, te lenen. Het NCRV-bestuur ging hiermee akkoord. Van
der Deure tekende een schuldbekentenis en kreeg enkele duizenden guldens.
|
|
Ook over een andere zaak had Van der Deure van zich laten
horen. Op 9 november 1948 schreef hij een brief aan het NCRV-bestuur waarin hij
ervoor pleitte het voortouw te nemen bij de oprichting van een Internationale
Orthodox-protestantse Televisie-vereniging. Deze zou onder andere de
uitwisseling van televisieprogramma’s kunnen verzorgen. Met de zojuist
uitgevonden magnetofoon zou dat volgens Van der Deure helemaal niet zo duur
hoeven te worden. NCRV-directeur Van Dijk zag dat helemaal niet zitten: er waren
inderdaad experimenten met de magnetofoon, maar het zou nog jaren duren voordat
van een dergelijke uitvinding voor televisie gebruik zou kunnen worden gemaakt.
Het bestuur zag wel wat in contacten met buitenlandse organisaties die zich met
televisie bezighielden; maar schrok van het feit dat Van der Deure blijkbaar al
bezig was in het buitenland contacten te leggen. Hij wierp zich zelfs al op als
directeur-administrateur van het bureau van de op te richten internationale
organisatie.
|
|
Begin 1949 deelde Van der Deure aan het NCRV-bestuur mee dat
hij inmiddels contacten had gelegd in Zwitserland, bij de BBC in Londen en in
Amerika. Het ging hem niet alleen om de uitwisseling van programma’s, maar ook
om de toepassing van nieuwe technische vindingen op het gebied van televisie. De
schrik sloeg het NCRV-bestuur om het hart; het besloot Van der Deure terug te
fluiten. Dat is blijkbaar afdoende gebeurd: van de zaak is niets meer vernomen.
|
|
Auto-ongeluk
De dood kwam voor Van der Deure op de autoweg. Op 26 maart
1957 omstreeks 14.00 uur was hij met zijn Amerikaanse Lincoln Capri op rijksweg
22 tussen De Klomp en Maarsbergen juist bezig met een snelheid van 160 km/u een
vrachtauto in te halen toen de rechter voorband klapte 51. Hij remde, raakte in een
slip en schoof onder de vrachtauto. Hij en zijn vrouw waren op slag dood. Niet
alleen zijn gewoonte zeer snel te rijden op de tweebaans wegen van die tijd
lijkt hem noodlottig te zijn geworden, maar ook zijn zucht nieuwe vindingen toe
te passen. Terwijl bijna alle auto’s in Europa nog met binnen- en buitenbanden
reden, had hij uit Amerika geïmporteerde tubeless banden laten monteren.
Deze voldeden redelijk bij de snelheden die in de Verenigde Staten maximaal
waren toegestaan (60 mijl per uur) maar bleken niet opgewassen tegen de
snelheden die Van der Deure bij voorkeur reed.
|
51. Hoewel de Duitsers in de oorlogsjaren waren
begonnen met de aanleg van een vierbaans autoweg van Den Haag via Utrecht en Arnhem naar het Roergebied (in de volksmond:
het Hazenpad), was deze weg in 1957 nog niet voltooid. Rijksweg 22 was dus de gangbare weg van Bennekom naar West-Nederland,
die Van der Deure honderden keren gereden had.
|
In de eerste bestuursvergadering daarna, op woensdag 17 april
1957 in Utrecht, hield mr. Anton Bernard Roosjen die Van der Deure was opgevolgd
als NCRV-voorzitter, een herdenkingsrede. Hij zag het als een grote verdienste
van de overledene dat hij is opgekomen voor een serieus gebruik van de radio in
een tijd waarin in brede kring de radio alleen als medium voor vermaak werd
gezien. Zijn strijd voor de Huizer zender had er volgens Roosjen mede toe geleid
dat Nederland toen kon beschikken over ‘twee volwaardige nationale zenders’.
De Omroepgids van 6 april 1957 wijdde een halve pagina
aan het overlijden van het echtpaar-Van der Deure. "Hij was een man van de
daad, met een scherp verstand en een toegewijde liefde voor de christelijke
omroep. Vooral in de uiterst moeilijke jaren van het begin, toen er naar vele
zijden strijd moest worden gevoerd, heeft hij met grote bekwaamheid en met vaste
hand onze vereniging geleid".
De NCRV-bestuurders kregen niet de gelegenheid dergelijke
uitspraken te doen aan de groeve: het echtpaar Van der Deure is op vrijdag 29
maart 1957 in stilte te Bennekom begraven, op een royaal stuk grond dat Van der
Deure jaren eerder had gekocht met de bedoeling dat daar de graven van hem en
zijn familieleden zouden komen. De particuliere begraafplaats is later aan de
gemeente overgedragen 52.
|
52.Op het stuk grond dat Van der Deure had
gekocht en bestemd voor de laatste rustplaats van hem en de zijnen, was ruimte voor zeker honderd graven. De stichting-
Van der Deure had in 1994, toen deze biografie werd geschreven, nog steeds recht op een aantal graven op de
begraafplaats, ter weerzijde van het graf van Abraham van der Deure en zijn vrouw.
|
|
door

Henk
Glimmerveen
|
|
|