Een stukje omroepgeschiedenis

Genealogie Glimmerveen

Kanttekeningen

e-mail

Home

     

Mr. A. van der Deure

De eerste voorzitter van de NCRV

Abraham van der Deure tijdens een radiotoespraak tijdens de eerste minuten van een nieuw jaar.

G
edurende drieëntwintig jaar, vanaf de oprichting in 1924, gaf mr. A. van der Deure te Bennekom leiding aan de NCRV, de oudste omroepvereniging van Nederland. In zijn functie van voorzitter stuurde hij niet alleen het NCRV-beleid; hij beïnvloedde ook in belangrijke mate het ontstaan en de ontwikkeling van het Nederlandse omroepbestel dat meer dan zeven decennia heeft stand gehouden.

Het einde van het voorzitterschap van Van der Deure kwam in het najaar van 1947 abrupt nadat hij was gearresteerd wegens belastingfraude. Hoewel het bestuur daarna nog wel contact met hem had, liet de NCRV zijn naam niet meer in het openbaar vallen. De stilte werd slechts éénmaal verbroken: op 6 april 1957 publiceerde de Omroepgids, officieel orgaan van de NCRV, een kort In memoriam.

* * *

Op maandag 12 mei 1924 deed mr. Abraham van der Deure in Bennekom een brief op de post waarmee hij reageerde op een kleine advertentie die twee dagen eerder in het anti-revolutionaire dagblad De Standaard was verschenen:

"Draadloze Telefonie. Personen, Vereenigingen, Corporatiën, die hun steun of medewerking geven willen aan de vorming eener Christelijke Vereeniging voor Draadlooze Telefonie en de oprichting van een Zendstation, gelieven zich in verbinding te stellen met den Heer P.K. Dommisse te Maassluis, die alle gewenste inlichtingen verschaft. (Men zie ingezonden schrijven)". 1

Van der Deure schreef dat hij bereid was daadwerkelijk zijn schouders te zetten onder de vereniging. Zijn brief maakte bijzondere indruk op Dommisse: het briefhoofd was indrukwekkend en de academische titel sprak hem aan. De initiatiefnemer besefte dat hij zelf niet de capaciteiten had om leiding te geven aan de organisatie die hij voor ogen had. Mr. Van der Deure leek hem een geschikte leidsman.

Dommisse ging op onderzoek uit en zijn vermoedens werden bevestigd: Van der Deure was een zeer actieve man die beschikte over relaties, zo hoorde hij van een journalist. Dommisse zei later direct beseft te hebben dat deze man de leider van zijn organisatie moest worden. Hij was ervan overtuigd dat God zelf Van der Deure op zijn pad had gebracht.

Noten

 

1. De advertentie verscheen op zaterdag 10 mei 1924, behalve in De Standaard, ook in de christelijk-historische De Nederlander en de vier bladen van het protestants-christelijke dagbladconcern De Rotterdammer. Geen van deze dagbladen nam het ingezonden schrijven op dat in de advertentie werd aangekondigd.

Over de opsteller van de advertentie: klik hier.

 

 

Dommisse maakte een selectie uit de 89 brieven die zijn advertentie had opgeleverd en nodigde zes mensen uit zitting te nemen in een oprichtingscomité, dat hij bijeenriep op 21 juni 1924 in hotel Terminus aan het Stationsplein te Utrecht. Eén van hen was Van der Deure. Twee van de zes waren verhinderd; Van der Deure schreef dat hij door omstandigheden pas een uur later zou kunnen komen dan het tijdstip dat in de convocatie was vermeld. Dit gaf Dommisse de gelegenheid de drie anderen - die wel op tijd waren - voor te stellen de leiding in handen te leggen van Van der Deure. Zij stemden daarmee in. Toen Van der Deure binnenkwam, kreeg hij direct de leiding aangeboden. Hij aanvaardde deze en opende de bespreking. 2

2. Bronnen: zie hier.


Landmeter, luitenant en jurist

Abraham van der Deure was op 7 februari 1889 in Enkhuizen geboren als zoon van de bollenkweker Jacob van der Deure. Hij volgde een opleiding tot landmeter en kreeg een militaire training. Op 20 mei 1912 trouwde hij met Maria Lub (geboren op 19 juni 1885 in Garijp), een diep religieuze vrouw, dochter van een schoolhoofd die in zijn vrije tijd evangeliseerde en op zondagmorgens in kerkdiensten het orgel bespeelde. In haar familie heerste manisch-depressiviteit en zij leed ook zelf daaraan.

Tijdens de mobilisatie van 1914-’18 was Van der Deure als reserve-officier commandant van het fort Abcoude en daarna van het fort Edam. Zijn diensttijd - waarin zijn eerste zoon, Jacob, werd geboren - bood hem voldoende gelegenheid om een studie in de rechten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam te voltooien.

Na de oorlog kreeg hij een benoeming tot lector in het landmeten aan de Landbouwhogeschool (nu: Landbouwuniversiteit) te Wageningen. Hij besloot met zijn gezin te gaan wonen in Bennekom, enkele kilometers ten noorden van Wageningen en zich daar ook als advocaat en procureur te vestigen. Hij huurde de helft af van de monumentale villa Delborgo waar hij woonde en kantoor hield. 3

3. De villa is tijdens de tweede wereldoorlog door geallieerde bommen verwoest. Er staat nu een flatgebouw.

Van der Deure was van jongsaf gefascineerd door nieuwe technische vindingen. Verscheidene keren stak hij geld in uitvindingen, waarbij hij hoopte op groot gewin en de risico’s op de koop toe nam. 4

Het medium radio hield hem sterk bezig. In een hoek van zijn werkkamer had hij in het begin van de jaren ’20 een zelf gebouwd radiotoestel staan waaraan hij, door te draaien aan spoelen, geluid probeerde te ontlokken dat hij beluisterde via een koptelefoon. 5  In latere jaren deed hij chemische proeven in een klein laboratorium dat hij in zijn huis had ingericht. Daar stond ook een microscoop.


4.
Enkele vindingen waaraan hij geld waagde (en verloor): een nieuwe motor; een rubberverf, uitgevonden door een inwoner van Bennekom; en een door een Hongaarse vriend uitgevonden elektronische stok, te gebruiken voor hondendressuur.

5. Noot 5 hier.

Van der Deure, die bepaald niet afkerig was van geld, had een zakelijk instinct dat hem soms veel profijt opleverde. Zo kocht hij eens voor een habbekrats de obligaties op van een lening die de orde der Norbertijnen had uitgegeven. Financiële experts waren ervan overtuigd dat het nooit tot aflossing van de lening zou komen. Maar Van der Deure wist beter. Toen korte tijd later het geld binnenkwam, heerste er een vrolijke stemming in het gezin-Van der Deure. Ieder van de drie kinderen - die anders nooit een cadeautje van hun strenge vader kregen - werd een tientje toegestopt. 6

6 .In Bennekom deed indertijd een aardig verhaal de ronde. Lees het hier.

Hij bezat voor de oorlog ook Russische aandelen en andere minder gangbare waardepapieren. Een andere zakelijke activiteit was de aankoop van een stuk moerassige grond bij Enkhuizen waarvan hij verwachtte dat het na enkele decennia veel waard zou worden als er behoefte zou komen aan bouwgrond. Ook op Curaçao had hij grond aangekocht in de verwachting dat deze later veel waard zou worden.

Tussen beide wereldoorlogen had hij contacten - met een zakelijke en kerkelijke achtergrond - met mensen in Duitsland, Polen en Hongarije. Wat deze voor zaken opleverden is niet duidelijk; maar wel dat ze hem geen windeieren legden. 7 Van der Deure had ook een grote handigheid om dingen te regelen. Dit maakte hem overmoedig: omdat hij vaak succes had, dacht hij dat hij alles wel voor elkaar kon krijgen. 8

7. Van der Deures zoon herinnert zich dat er onder andere sprake was van kerkelijke leningen in Hongarije.

8. Een voorbeeld: klik hier.

Van der Deure is geboren in een gereformeerd gezin en is zijn hele leven lang lid gebleven van de gereformeerde kerk. Zijn kinderen gingen naar de School met de Bijbel in Bennekom en later naar het Christelijk Lyceum in Arnhem. Hij was niet al te streng in de leer, maar hield zich stipt aan de regels die toen in gereformeerde kring golden. Zo verbood hij zijn kinderen om op zondag te fietsen. Niet dat hij zelf dit zondig vond, maar hij wilde geen ergernis geven aan ‘de broeders’.

Van der Deure gold als een tamelijk autoritaire persoon die graag zelf initiatieven nam; als een man met een goede dossierkennis (al ging hij niet te zeer in details), maar ook als iemand die er zelf in politiek of godsdienstig opzicht geen radicale standpunten op na hield. Dit laatste kwam goed van pas: hij kon zich boven de groeperingen in protestants-christelijk Nederland plaatsen. Hij was een intellectueel, een praktische man. Besturen en leiding geven zaten hem in het bloed. Hij kon met anderen goed samenwerken. Hij was een workaholic: hij werkte zes dagen per week van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Voor zijn gezin en voor hobby’s had hij weinig tijd. Wel luisterde hij veel naar de radio.

‘Gebouw voor christelijke belangen’

Op 21 juni 1924 stelde het oprichtingscomité - dat zich direct ‘Voorloopig Bestuur der Christelijke Vereeniging voor Draadlooze Telefonie’ noemde - de grondslag van de vereniging vast: ‘de Bijbel als Gods Woord en Jezus Christus als de redder van de wereld’. Het doel van de vereniging werd in de notulen (krom) omschreven als ‘de Radio mogelijkheden voor de Chr. gezinnen toe te passen en het mogelijk te maken deze in de huisgezinnen te brengen’. Het voorlopige bestuur besloot zich ‘ten spoedigste’ tot de regering te wenden om een zendvergunning te verkrijgen en om een zendavond te organiseren, waarop het streven van de vereniging uiteengezet kon worden. Het bestuur nam nog geen standpunt in over de vraag of de vereniging zich ook bezig moest gaan houden met het ontwerpen en vervaardigen van eenvoudige ontvangtoestellen.

Het voorlopige bestuur nam direct de werving ter hand. In het christelijke weekblad De Spiegel van 12 juli 1924 verscheen een advertentie met de volgende tekst:

"Aan alle Christenen van Nederland vragen wij steun en medewerking om de DRAADLOOZE TELEFONIE dienstbaar te maken aan de geestelijke belangen van ons Volksleven. Binnen korten tijd hopen wij U allen de gelegenheid te verschaffen in uw eigen woningen redevoeringen en muziek van belangrijke landelijke samenkomsten of uitvoeringen te volgen; ook zullen onze zieken en zwakken langs radio-telefonischen weg, predikatieën, toespraken, zang, enz. kunnen beluisteren, terwijl ten behoeve van personen staande buiten het Chr. leven geëvangeliseerd wordt. Meldt U terstond als LID aan. Contributie ƒ 3,- per jaar. Wij verleenen bemiddeling tot het betrekken van ontvangtoestellen tegen zeer lagen prijs. Secretariaat te Maassluis".

Van der Deure begreep dat van hem, nu hij tot leider van de vereniging-in-oprichting was aangewezen, activiteiten werden verwacht. Hij ging direct aan de slag. In de tweede vergadering van het voorlopige bestuur, op zaterdag 13 september 1924, kon hij melden met ‘enkele vooraanstaande personen’ over de vereniging gesproken te hebben. Zij hadden hem geadviseerd te komen tot een vereniging ‘tot oprichting en exploitatie van een radio-zendstation’.

Van der Deure had ook nagedacht hoe hij de functie van de vereniging zag. Hij zette zijn ideeën uiteen in die tweede vergadering. Hij trok een vergelijking met een gebouw voor christelijke belangen, zoals dat in veel plaatsen stond. De eigenaar van zo’n gebouw stelde - tegen een kostendekkende vergoeding - ruimte beschikbaar aan allerhande christelijke organisaties en weerde alles wat strijdig was met de christelijke belangen, maar was niet verantwoordelijk voor wat in het gebouw gebeurde. Zo zou ook de christelijke omroep faciliteiten beschikbaar kunnen stellen aan geestverwante organisaties die daarvan, ‘tegen billijke vergoeding’, gebruik zouden kunnen maken.

Van der Deure meldde op 13 september ook al zakelijke en commerciële stappen te hebben gezet. De Nederlandsche Seintoestellenfabriek (N.S.F.) in Hilversum bleek bereid een contract af te sluiten inzake uitzending van dertig zendavonden voor het bescheiden bedrag van ƒ 3.000,-. Van der Deure had de N.S.F. voorgehouden dat zonder twijfel vele christelijke gezinnen een radiotoestel zouden gaan kopen om de zendavonden te volgen en de vereniging zou kunnen bevorderen dat zij een toestel van de N.S.F. zouden betrekken. Van der Deure stelde voor na een jaar te besluiten of de vereniging zelf een ‘Radio-Telefonie-zender’ zou laten bouwen. Hij had de N.S.F. voorgespiegeld dat de vereniging aan deze fabriek de bouw ervan zou kunnen opdragen.

Van der Deure had nog een zakelijke activiteit ondernomen. De vereniging zou een ledenblad moeten krijgen. Hij had daarover contact opgenomen met de uitgeverij Gebr. Zomer & Keuning in Wageningen en kon op 13 september al een conceptcontract aan het voorlopige bestuur voorleggen.

Ds. K. Schilder uit Delft - de man die in 1944 een scheuring in de gereformeerde kerken zou bewerkstelligen - sprak in de septembervergadering de verwachting uit dat het moeilijk zou zijn de eensgezindheid in de toekomstige vereniging te bewaren, gezien de verdeeldheid in protestants-christelijke kring. Van der Deure zag het probleem wel; maar dit leek hem niet onoplosbaar. Ten eerste zou niemand in de zendtijd van de vereniging aan het woord komen die niet de grondslag van de vereniging respecteerde. En verder zouden verenigingen en sprekers zelf verantwoordelijk blijven voor wat zij voor de microfoon zouden brengen.

In dezelfde vergadering liet Van der Deure weten dat hij zich, ‘door omstandigheden van persoonlijke aard’, onmogelijk blijvend met het voorzitterschap kon belasten. Besloten werd het anti-revolutionaire Kamerlid dr. E.J. Beumer te benaderen. Maar deze weigerde; en tijdens de bestuursvergadering van zaterdagmorgen 15 november 1924, die voorafging aan de eerste ledenvergadering, bleek Van der Deure toch bereid zich, met bestuurslid F. de Boer, op een voordracht voor het voorzitterschap te laten plaatsen.

Dezelfde middag zat Van der Deure de officiële oprichtingsvergadering in het gebouw van de Christelijke Vereniging van Jonge Mannen in Den Haag voor. De aanwezigen kozen hem officieel tot voorzitter. De drukbezochte vergadering nam verder de meeste voorstellen aan die het voorlopige bestuur had voorbereid. Maar de aanwezigen zorgden ook voor een wijziging. De door Dommisse steeds gehanteerde naam Christelijke Vereeniging voor Draadlooze Telefonie werd op initiatief van een bezoeker uit Rotterdam gewijzigd in Nederlandsche Christelijke Radio-Vereniging.

 

Jaarboek Media nummer 6

De biografie van mr. A. van der Deure is geschreven voor deel 6 van het Jaarboek Media Geschiedenis, Biografische schetsen. De jaarboeken zijn een uitgave van de Stichting beheer IISG en de Stichting Mediageschiedenis. Dit deel verscheen in 1995.
In deel 6 staan verder nog biografieën van onder anderen Menno ter Braak, Nicolette Bruining, Jan Castelijns, Bernard Drukker, Max de Haas, Joris Ivens, Meijer Sluijser en Paul de Waart.

Hiermee was de eerste Nederlandse vereniging van radioluisteraars geboren. Van een Europese primeur was geen sprake. Al in 1923 hadden radioamateurs in Berlijn een Radioclub opgericht en ook in Denemarken ontstonden in die periode tal van ‘radioclubs’. 9 Een Europese nieuwigheid was wel dat de club een levensbeschouwelijke grondslag had.

Op woensdagavond 24 december 1924 kwam de NCRV voor de eerste keer in de ether, via de gehuurde experimentele zender van de Nederlandse Seintoestellen Fabriek. Op die avond heeft Van der Deure voor het eerst voor de microfoon gesproken; zijn bijdrage bleef beperkt tot enkele zakelijke mededelingen. 10


9.
Henk Glimmerveen, Omroepen in Europa/Duitsland, uitg. NOS Hilversum, 1993, blz. 20;
Henk Glimmerveen, Omroepen in Europa/Scandinavië, uitg. NOS Hilversum, 1994, blz. 71.

 

10. Bron: klik hier.

Opbouw en consolidatie

In de volgende jaren fungeerde Van der Deure als voorzitter van een bestuur van vrijwilligers en enkele professionals die een professionele organisatie leidden. Hij trok mensen aan en verdeelde de taken. De verzorging van het Christelijk Tijdschrift voor Radio (later: Omroepgids), officieel orgaan van de vereniging, bracht hij onder bij de uitgeverij Zomer & Keuning, die ook de leden registreerde; directeur C.A. Keuning kreeg een plaats in het NCRV-bestuur. Op zaterdag 14 februari 1925 benoemde het bestuur NSF-medewerker P.C. Tolk (sinds november al technisch adviseur van de NCRV) tot omroeper en voorzitter van de omroepcommissie. Daarmee werd hij feitelijk de programmaleider. Kort daarna - in juni 1925 - kreeg D.W. Pereboom de portefeuille van propaganda. Van der Deure onderhield zelf de externe contacten.

Zo had Van der Deure zich al spoedig na de start van de NCRV omringd met de mensen die met hem de vereniging meer dan twintig jaar zouden sturen. Zij bleken zakelijk ingestelde managers die de zo idealistisch gestarte NCRV uitbouwden tot een bedrijf met allure. 11

11. H. Algra, De Vereniging, in: H. Algra, dr. C. Rijnsdorp en Ben van Kaam, Vrij en gebonden, 50 jaar NCRV, uitg. Bosch en Keuning, Baarn, 1974.

Voor P.K. Dommisse die het initiatief tot oprichting van de NCRV had genomen en die Van der Deure naar voren had geschoven als voorzitter, had Van der Deure geen plaats in zijn ‘centrale comité’: hij vond hem te zwak. Dommisse bleef wel - tot na de tweede wereldoorlog - lid van het Algemeen Bestuur.

Met de verdeling van de portefeuilles kreeg de NCRV vier werkplekken: de omroep zetelde in Hilversum, in de nabijheid van de NSF; de schrijvende redactie en de ledenadministratie kregen onderdak bij de uitgever in Wageningen; Pereboom leidde de propaganda vanuit zijn woning in Ede en Van der Deure werkte in Bennekom.

De coördinatie vond wekelijks plaats bij Van der Deure thuis: eerst in huize Delborgo, daarna in de door Van der Deure gekochte kapitale villa Wester-Eng, eveneens in Bennekom, waarheen het gezin in 1929 verhuisde en waar Van der Deure ook zijn advocatenpraktijk uitoefende en zich wijdde aan zijn overige zakelijke beslommeringen. 12

12. In de zomer van 1994 bestond villa Wester-Eng nog, zij het als een bouwval waarin eerst krakers hebben gewoond en vervolgens een brand heeft gewoed. Het was toen de bedoeling dat na sloop van de ruïne op deze plaats een appartementencomplex zou verrijzen.

Elke dinsdagavond kwam de ‘Raad van Vier’ in Bennekom bijeen: Tolk, Pereboom, Keuning en Van der Deure. Gewoonlijk was ook de heer Van Renssen aanwezig die aangeduid werd als ‘ambtenaar van de NCRV’ en die de notulering en de overige secretariële werkzaamheden verzorgde. Het ging er tamelijk huiselijk toe. Mevrouw Van der Deure kwam enkele keren per avond binnen om de koffie te brengen. Vanaf december 1930 ging het wat formeler toe: Van der Deure vergaderde toen periodiek met een dagelijks bestuur van negen leden in een Utrechts etablissement.

Binnen de NCRV-organisatie in Hilversum, Wageningen en Ede liet Van der Deure zich niet vaak zien. Hij manifesteerde zich tijdens bestuursvergaderingen en trok de aandacht van de leden vooral met de toespraken die hij bij jaarwisselingen voor de radio hield. Daarvoor ging hij niet naar de studio in Hilversum: hij wilde de oudejaarsavonden bij zijn gezin doorbrengen. Daarom bestelde de NCRV elk jaar waarin zij op oudejaarsdag over zendtijd beschikte bij de PTT lijnen naar de woning van Van der Deure, zodat de voorzitter van achter het bureau in het ‘lege kantoor’ (een kale reserve-werkruimte op de eerste etage waar alleen een bureau stond en waar niet veel huiselijk geluid kon doordringen) het volk kon toespreken; soms wel twee keer: in de loop van de oudejaarsavond en onmiddellijk na de klokslag van middernacht. De kinderen kregen dan op het hart gedrukt doodstil te zijn. In de huiskamer luisterden zij en hun moeder naar de spreker die zich, zodra hij uitgesproken was, weer bij het gezin voegde.

 

Veel tijd besteedde Van der Deure aan persoonlijke contacten zowel met politici als met bestuurders van andere omroepverenigingen die in navolging van de NCRV werden opgericht; vooral de KRO.

Een half jaar na de oprichting van de NCRV, in mei 1925, raakte Van der Deure betrokken bij de plannen voor de oprichting van de Nederlandse Omroep Maatschappij die alle omroepactiviteiten zou moeten overnemen. Dit idee verontrustte Van der Deure: de belangen van het gelovige volk zouden in een dergelijke neutrale organisatie ondersneeuwen. Dus zocht hij naar een constructie waardoor de levensbeschouwelijke omroepverenigingen - desnoods binnen de overkoepelende Maatschappij - autonoom verder zouden kunnen functioneren. Hij zocht steun bij zijn partijgenoot, de anti-revolutionaire minister van Financiën Hendrik Colijn en - nadat deze begin augustus 1925 minister-president was geworden - bij de r.k. minister van Waterstaat ir. M.C.E. Bongaerts. In september 1925 legde hij hem een uitgewerkt plan voor een omroepbestel voor. 13

13. Hans van den Heuvel, Nationaal of verzuild; De strijd om het Nederlandse omroepbestel in de periode 1923-1947, Amroboeken, Baarn, 1976; blz. 20. Van den Heuvel vond het document in het archief van het hoofdbestuur van de PTT.

Van der Deure meende dat drie hoofdstromingen - de protestants-christelijke, de rooms-katholieke en de vrijzinnige/liberale - bij voorkeur elk over een eigen golflengte moesten beschikken. Toen dit niet haalbaar bleek, was hij bereid een zender te delen met ‘de roomsen’; de andere zender overlatend aan ‘linkse’ omroepen. Aan de ontwikkeling van de gedachten over de definitieve zendtijdverdeling kon Van der Deure krachtig meewerken. Weliswaar nam minister Bongaerts niet onmiddellijk de ideeën van de NCRV-voorzitter over; maar hij riep in 1925 een Regeerings-Commissie voor den Nationalen Draadloozen Omroep in het leven en benoemde de NCRV-voorzitter tot lid-secretaris. 14

14. Het dagblad De Standaard van 7 maart 1928 meldde dat Van der Deure wegens zijn werk in de commissie benoemd was tot Ridder in de orde van Oranje-Nassau.

 

De commissie kwam in 1926 met een voorstel dat een duidelijk compromiskarakter had. Als gevolg van een kabinetscrisis bleef dit lang in een bureaula liggen. Intussen wist Van der Deure gedaan te krijgen dat de NCRV en de KRO - in afwachting van een definitieve regeling van het omroepbestel - een eigen zender mochten bouwen en exploiteren. De tweede landelijke radiozender (in Huizen), gestart op 22 oktober 1927, bracht voor de NCRV en de KRO een enorme verruiming van mogelijkheden: hun uitzendingen bleven niet langer beperkt tot de ene avond per week op de Hilversumse NSF-zender. De twee confessionele omroepen mochten de nieuwe zender delen, zij het dat zij één avond per week de VPRO moesten dulden.

 

 

Van der Deure schuwde de publiciteit niet om de zaak van de NCRV te bepleiten. In de toespraak die hij op oudejaarsavond 1926 voor de radio hield, zei hij: "Wij aanvaarden geen tegenstelling tusschen algemeenen en bijzonderen of sectarischen Omroep. Wij staan, met de andere omroepvereenigingen, niet onder, maar gelijkwaardig naast den H.D.O.". 15

15. Ben van Kaam, Parade der Mannenbroeders, Protestants leven in Nederland 1918-1938, Zomer & Keuning, Wageningen, 1964, blz. 155.

 

En in de Omroepgids van 25 juni 1927 schreef hij: "Begrijpen de heeren dan niet, dat wij nooit kunnen toestaan, dat onze protestantsch-christelijke levensrichting wordt beschouwd, wordt gequalificeerd als iets bijzonders, iets afwijkends, terwijl de neutraal-liberale gedachte als ‘de’ nationale levensrichting naar voren wordt geschoven?"

 

 

Van der Deure bleef de belangen van de NCRV bepleiten bij de verantwoordelijke ministers en de geestverwante Kamerleden. In april 1930 hield hij de rooms-katholieke minister P.J. Reymer eerst in een persoonlijk onderhoud en vervolgens in een op 24 april mede namens de KRO verzonden vertrouwelijke brief voor hoe de radiozendtijd verdeeld zou moeten worden, wilde de minister via de microfoon de steun van de omroepen verkrijgen. Toen minister Reymer op 29 juni 1930 zijn zendtijdbesluit nam - waardoor NCRV, KRO en VARA gelijke rechten kregen als de AVRO die tevergeefs ernaar gestreefd had als nationale omroep erkend te worden - was Van der Deure niet verrast. Wel heerste er een feeststemming in huize-Van der Deure en ook in het openbaar stak Van der Deure de loftrompet over de minister van Waterstaat.Dezelfde avond hield hij een juichende rede voor de radio. De NCRV bracht een extra nummer van de Omroepgids uit, met op de voorpagina een foto van minister Reymer, ‘de man die ons recht deed’.

 

 

Van der Deure schreef: "De spot en hoon der tegenstanders bleek het machtigste middel te zijn om onze christenmannen en -vrouwen samen te brengen onder ons vaandel. Welhaast was een aantal georganiseerden van meer dan 80.000 bereikt. En nu op dit ogenblik is de verdeeling van den zendtijd de kroon op ons werk. Immers daardoor wordt onze NCRV gelijkgesteld met de ‘neutrale’ en ‘algemeene’ AVRO".

Van der Deure heeft vele, vooral vertrouwelijke contacten gehad met politici. Daarvoor reisde hij regelmatig per auto naar Den Haag. De relaties van buiten de NCRV kwamen niet naar Bennekom. Alleen mr. P.S. Gerbrandy - eerst advocaat in Leiden en Sneek, van 1930 af hoogleraar aan de Vrije Universiteit en vanaf 1939 minister van justitie - kwam regelmatig bij Van der Deure thuis. Aan die bezoeken kwam een eind toen Gerbrandy, met de overige ministers, op 13 mei 1940 naar Londen uitweek.

 

 

Intern moest Van der Deure vooral aandacht besteden aan de handhaving van de eenheid. In de jaren tussen beide wereldoorlogen waren in protestants-christelijke kring de spanningen tussen hervormden en gereformeerden groot.

De NCRV wortelde sterk in het gereformeerde, anti-revolutionaire volksdeel, maar probeerde ook de rest van protestants-christelijk Nederland aan zich te binden. Dit vergde veel stuurmanskunst, vooral van de voorzitter. 17

17. Niet alleen Van der Deure, maar ook Keuning, Tolk en Pereboom waren gereformeerd. Zij hadden alle vier vooral contacten in de kring van hun eigen kerkgenootschap.

 

Uit de bestuursnotulen valt af te lezen dat Van der Deure vaak een verzoenende en matigende toon wist te vinden als de emoties hoog opliepen.

Een tijdrovend deel van het werk dat Van der Deure voor de NCRV deed, bestond uit het beantwoorden van duizenden brieven van leden en andere luisteraars, die zich rechtstreeks tot de voorzitter wendden. Hij dicteerde de antwoorden aan zijn secretaresse Jans Jansen die ook de correspondentie voor de advocatenpraktijk verzorgde. Uit de brieven pikte hij op welke programmatische wensen de achterban had en waar de gevoeligheden lagen. In de dinsdagse besprekingen vertaalde hij deze signalen in instructies aan Tolk. 18

18. Een voorbeeld. Klik hier.

 

Van der Deure voerde persoonlijk gesprekken met allerlei groeperingen die voor de NCRV van belang waren. Twee voorbeelden: in 1930 sprak hij met ‘het moderamen der Christelijke Radio Leergangen’ over samenwerking; begin 1940 sprak hij met de redactie van het CHU-dagblad De Nederlander dat onaardig over de NCRV had geschreven.

Nadat de NCRV en de andere omroepverenigingen gevestigde instellingen waren geworden, kreeg Van der Deure ook een plaats in het officiële circuit. Zo werd hij in 1936 voorzitter van het toen opgerichte Centraal Bureau voor den Omroep, dat de belangen van de omroepverenigingen behartigde waar het ging om het auteursrecht op de programmagegevens. Hij was bestuurslid van de in 1935 opgerichte Nozema die de zenders beheerde. En in 1937 werd hij - samen met twee andere omroepvoorzitters en een omroepsecretaris - lid van de Contact Commissie, op 6 september van dat jaar bij ministeriële beschikking in het leven geroepen om richtlijnen voor de organisatie en de verzorging van werelduitzendingen op te stellen. 19

19. René Witte, Het einde van de ideologie; de Contact-commissie voor de Werelduitzendingen (1937-1940), in: Jaarboek Media-Geschiedenis 1, 1989.

 

Het voorzitterschap van de NCRV was de functie waardoor Van der Deure de meeste landelijke bekendheid genoot. Maar het betrof geen volledige dagtaak. Hij kreeg er ook geen salaris of andere vorm van inkomen voor. Wel ontving Van der Deure van de NCRV een bedrag van ƒ 5.000,- per jaar om een vervanger in zijn advocatenkantoor te kunnen inhuren gedurende de uren die hij besteedde aan omroepzaken. 20

20. Over kosten van buitenlandse reizen: klik hier.

 

Voor zijn broodwinning was hij aangewezen op andere werkzaamheden. In totaal had hij negen functies. De advocatenpraktijk was belangrijk. Ook was hij actief voor de Anti-Revolutionaire Partij. Deze zette hem op een verkiesbare plaats op de kandidatenlijst voor de Provinciale Staten van Gelderland, waarvan hij van 1931 af deel uitmaakte; enige tijd voor en na de oorlog was hij ook lid van Gedeputeerde Staten in Arnhem. Verder zat hij in het bestuur van de Geldersche Maatschappij van Landbouw en van de Raiffeisenbank in Bennekom. Hij was commissaris van de snoepjesfabriek Delonka in Breda en juridisch adviseur van de Bond van Landpachters. En toen in Enkhuizen een plaatselijke bank failliet ging, trad hij op als curator.

 

 

Preventieve censuur

Van der Deure accepteerde de preventieve censuur op radioteksten zoals Nederland die voor de tweede wereldoorlog kende. Immers de overheid had deze rechtmatig ingesteld. Maar dat weerhield hem er niet van in concrete gevallen bezwaar aan te tekenen tegen besluiten van de Radio Controle Commissie die namens de overheid de censuur uitoefende. In het hoofdartikel ‘Niet zoo bureaucratisch’ in de Omroepgids van 13 april 1940 ageerde hij fel tegen het verbod van een praatje dat mr. dr. L.W.G. Scholten had willen houden in de pas gestarte rubriek De vaart der volken. Zijn belangrijkste bezwaar gold de discriminatie: actuele politiek was voor de microfoon verboden, maar in de gedrukte pers toegestaan.

Zelf had hij kort tevoren met de censor te doen gehad. Hem was ter ore gekomen dat de Duitsers op grote schaal activiteiten in Nederland ontplooiden. Bij een uniformsmokkel was een Nederlandse soldaat om het leven gekomen. De Nederlandse overheid had dit feit verzwegen. 21 Van der Deure vond het nuttig het Nederlandse volk te waarschuwen oplettend te zijn. Hij bereidde een radiopraatje voor dat hij op 18 maart 1940 had willen houden; maar de censor - feitelijk de minister van Justitie, zijn vriend P.S. Gerbrandy - stak hier een stokje voor.

21. Dit feit staat niet in de stukken. Zoon P. van der Deure herinnerde zich in 1994 dat zijn vader daarover destijds in huiselijke kring heeft gesproken.

 

In dezelfde Omroepgids van 13 april 1940 waarin Van der Deure fulmineerde tegen het besluit in de zaak-Scholten, ging hij diep en op een nogal curieuze wijze op het verbod van zijn eigen speech in. Allereerst meldde hij dat NCRV de tekst niet zou toezenden aan de honderden mensen die daarom hadden gevraagd. De NCRV zou te kort schieten ‘in eerbied voor het Gezag indien nu langs de achterdeur wordt bewerkt, wat in het openbaar wordt nagelaten’. Maar uit het vervolg van het artikel blijkt dat Van der Deure zelf de tekst vertrouwelijk heeft toegezonden aan talloze prominenten met de vraag of zij het verbod juist vonden. Hij citeerde uitvoerig uit De Nederlander die - na kennisneming van de tekst - in nauwelijks verhullende bewoordingen over de zaak had geschreven. Vervolgens legde Van der Deure uit dat het hem uiterst zinvol leek te waarschuwen tegen spionnen. ‘Vrees oordeelen we een slechte raadgeefster. Laten we liever de handen ineenslaan en als Nederlanders tezamen deze etterbuilen uit ons nationale leven uitbannen’. Nadat hij zo de strekking van zijn verboden toespraak openbaar had gemaakt, eindigde hij heel gezagsgetrouw: ‘Maar de Regeering draagt de verantwoordelijkheid. En wanneer die het anders wil, hebben we ons daarnaar te richten en zullen we daarnaar handelen’.

 


De tweede wereldoorlog

In de oorlogsjaren was Van der Deure geen verzetsheld en ook geen collaborateur  22. Hij heeft tussen 1940 en 1945 wel zijn persoonlijke bezit behoorlijk uitgebreid; maar hij heeft - voor zover valt na te gaan - alleen zichzelf, niet de bezetter bevoordeeld.

Onder de Duitse bezetting meende Van der Deure dat hij van de NCRV moest redden wat er te redden was. Direct na de capitulatie van het Nederlandse leger op 14 mei 1940 wilde hij bereiken dat de NCRV weer zoveel mogelijk op de oude voet zou kunnen doorgaan. Dat op woensdag 15 en donderdag 16 mei alleen de AVRO had kunnen uitzenden, baarde hem veel zorg. Van der Deure, die in Edam vertoefde 23, gaf op 15 mei aan K. van Dijk, de rechterhand van Tolk, instructie contact op te nemen met de Duitse autoriteiten. Van Dijk voerde op donderdagavond 16 mei een gesprek met ‘de Duitsche Heeren Strohmeyer en Freudenberg’, met als gevolg dat op zaterdag 18 mei weer een NCRV-uitzending kon plaats hebben, ‘die principieel in NCRV-geest gehouden werd’. Van elke toespraak moest vooraf een vertaling in het Duits overgelegd worden 24.

Op die zaterdagavond wilde Van der Deure een radiopraatje houden. Zijn tekst kon evenwel niet door de Duitse beugel, onder andere omdat hij wilde spreken over ‘de Duitse bezetting van de vesting Holland’ (waardoor de indruk zou kunnen ontstaan dat alleen de vesting Holland bezet was) en over ‘een ons opgelegde beperking’.

22. Volgens zijn zoon P. van der Deure vond Van der Deure actief verzet slechts in uitzonderlijke gevallen zinvol.

23. Van der Deure die in het voorjaar van 1940 de Duitse inval zag aankomen, had in Edam een huisje gehuurd waarheen zijn hele gezin - sommigen per auto, anderen per fiets - op 10 mei 1940 is uitgeweken. Van der Deure was ervan overtuigd dat de Duitsers Bennekom wel zouden bereiken; maar hij dacht zich veilig achter de Hollandse waterlinie.

 

24. Bron en toelichting: lees hier.

 

Nog twee keer heeft Van der Deure in die meimaand een tekst voor een radiopraatje ingeleverd. Beide keren werd zijn toespraak - zonder opgave van redenen - geweigerd. Van der Deure bleef doorgaan met pogingen voor de microfoon te komen. Eén keer wilde hij slechts een passage uit de bijbel voorlezen; maar ook dat mocht hij niet 25. Op vrijdag 6 september 1940 maakten de Duitsers aan de pogingen een eind: Van der Deure werd "bis auf weiteres für den holländischen Rundfunk gesperrt". Dit besluit nam de Rundfunkbetreuungsstelle na lezing van de tekst voor een radiopraatje met de titel ‘Eenheid’. "Het manuscript staat in krasse tegenstelling tot de loyale houding, die de Duitse bezetter van een Nederlandse omroepvereniging moet eisen", aldus de Duitse censor E.K.Th.F. Taubert 26. Van der Deure legde zich daar niet bij neer; hij ging praten met de Betreuungsstelle en kon op 25 november 1940 meedelen dat hij weer voor de microfoon mocht spreken 27.

25. De Duitsers hadden er geen bezwaar tegen wanneer K. van Dijk dezelfde bijbelteksten voorlas.

26. Brief van Taubert aan NCRV d.d. 6 september 1940, geciteerd in: Dick Verkijk, Radio Hilversum 1940-1945, De omroep in de oorlog, uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1974.

27. Voor zover valt na te gaan is hij tijdens de oorlogsjaren toch niet meer voor de radio geweest.

 

Ook in andere, zelfs in religieuze programma’s sloeg de censuur toe. Zo mocht een predikant niet spreken over het bijbelboek De Klaagliederen van Jeremia. De NCRV raakte daarover in conflict met de kerken. Deze wilden niet accepteren dat door hen verzorgde radiokerkdiensten gecensureerd werden. De NCRV legde de kerken uit dat alle uitzendingen inclusief kerkdiensten volgens het Nederlandse recht onderworpen waren aan censuur ‘en daar de NCRV zich aan de radiowetgeving te houden heeft, kan van haar geen actie tegen censuur op kerkdiensten uitgaan’, aldus hield Van der Deure zijn algemeen bestuur voor 28. Hij wist ook een oplossing: als de kerken verdere medewerking weigerden, zou de NCRV eigen wijdingsdiensten organiseren met predikanten die bereid waren de censuur te accepteren, aldus Van der Deure, die eraan toevoegde dat de VPRO hetzelfde standpunt innam 29.

28. Zonder twijfel heeft bij de standpuntbepaling van Van der Deure een rol gespeeld dat er ook al voor de oorlog censuur op radioteksten bestond. De Duitse maatregelen waren dus voor hem niets nieuws. Voor de oorlog had de NCRV niet tegen de censuur geageerd en er was dus voor Van der Deure geen reden dat in de tweede helft van 1940 wel te doen.

29. Notulen van de vergadering van 6 augustus 1940 van het Algemeen Bestuur van de NCRV.

Van der Deure liet het er toch niet bij zitten. In november 1940 wist hij de Betreuungsstelle zo ver te krijgen dat deze de censuur op kerkdiensten wel wilde opheffen, mits in de preken geen actuele politieke onderwerpen aan de orde zouden komen en het Nederlandse volk niet zou worden vergeleken met het oudtestamentische volk van Israël in verdrukking.

 

Christenen stonden in die tijd voor de vraag of de bezettingsmacht wel of niet de overheid was aan wie iedereen volgens hoofdstuk 13 van de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen onderdanig moet zijn. Anders dan vele anderen - onder wie de mensen achter het illegale protestants-christelijke blad Trouw - meende Van der Deure van wel; en met hem het NCRV-bestuur 30. Voor andere inzichten stond Van der Deure niet open. De christen-socialist J.H. Scheps, die zich eind 1940 bij hem aandiende om hem te adviseren de NCRV te laten leeglopen, kwam niet verder dan het tuinhek 31.

Ook op andere terreinen nam hij een dergelijke houding in. Zo adviseerde hij zijn zoon Piet, die in Delft studeerde, de door de Duitsers vereiste loyaliteitsverklaring te tekenen. Hij liet zich daarbij mede leiden door het overeenkomstige advies dat de ‘raad van professoren’ in Delft gegeven had.

30. Dr. L. de Jong schrijft in deel 9, tweede helft, van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (blz. 1197) dat geen der omroepverenigingen een beleid had gevoerd dat men als weerbaar mag aanduiden. ‘Naar verhouding had de NCRV zich nog het stugst tegen de bezetter opgesteld', aldus De Jong.

31. Dick Verkijk, a.w., blz. 286.

Op dinsdag 28 mei 1940 woonde Van der Deure in Den Haag een bespreking bij met de Duitse militaire overheid. Daar bleek dat de omroepverenigingen voorlopig alle via één zender moesten uitzenden (de Hilversumse zender was door Nederlandse militairen opgeblazen). Daardoor, zo kreeg Van der Deure te horen, zouden de NCRV-uitzendingen sterk beperkt worden. Maar uit de uitlatingen van de Duitsers putte hij de hoop dat de NCRV na enkele maanden weer 3½ dag per week zou kunnen uitzenden.

 

Van der Deure probeerde de NCRV-leden te bemoedigen. In een op 29 juni 1940 in de Omroepgids gepubliceerd artikel onder de kop ‘Moedig voorwaarts!’ wees hij op de lichtzijden van de situatie van dat moment. "De saamhorigheid is versterkt, de nationale zin is verlevendigd (...) Maar voor een begrijpen van den nieuwen tijd, voor het volvoeren van de nieuwe taak is méér vereischt dan dat, zijn een scherp gerichte doelstelling, zijn moed en geestdrift, zijn idealen en bezieling dringend noodzakelijk". Nederland had het volgens hem voor de oorlog te goed gehad. "De vragen naar geld en naar goed, de aangelegenheden van winst en bezit, ze hadden te veel invloed op onzen dagelijkschen gedachtengang verkregen". Ons leven was vervlakt en zelfgenoegzaam. Van der Deure: "In dit opzicht is Duitschland ons een beschamend voorbeeld. Terwijl het daar alleen om aardsche idealen ging, moet toch ieder onbevooroordeeld toeschouwer respect hebben voor de opofferingen, welke met name de Duitsche jeugd zich voor die idealen getroostte, voor de energie en de geestdrift, welke daardoor werden gewekt, voor de kracht, waarmede voor die idealen werd geijverd. En het ontmoet zeker geen tegenspraak, wanneer beweerd wordt, dat het groote succes der Duitsche wapenen, behalve van luchtwapen en aanvalstank, zeker in niet mindere mate aan de geest (cursivering van Van der Deure) van het Duitsche leger is toe te schrijven. (...) Méér nog dan een materieele, is zich bezig een geestelijke ommekeer te voltrekken". Hij riep de lezers op "zich naarstig te beijveren om de taak te vervullen die God ons op de schouders heeft gelegd".

Toch zag Van der Deure de situatie soms ook wel somber in. Op 24 juni 1940 - dus in dezelfde dagen waarin hij het geciteerde artikel voor de Omroepgids schreef - zei hij in kleine kring ervan overtuigd te zijn ‘dat wij beter ten onder kunnen gaan dan dat wij ons laten meesleepen en op den duur toch verdwijnen’.

 

Eind 1940 werkte de bezetter aan de oprichting van een gecentraliseerde omroep waarvan AVRO’s Willem Vogt directeur-generaal zou worden. Aanvankelijk hadden vooral VARA en NCRV daartegen groot bezwaar: voor hen waren de AVRO en Vogt nog steeds het vijandelijke kamp waarover zij in 1930 hadden gezegevierd maar dat nu toch nog leek te gaan winnen. Van der Deure gaf spoedig zijn verzet op. In een te vormen college van acht directeuren was ook voor hem een plaats ingeruimd. Hij zou de juridische zaken behartigen.

Uiteindelijk ging deze constructie niet door, zoals Van der Deure en de voorzitters van de andere drie grote omroepverenigingen op donderdag 12 december 1940 hoorden van dr. T. Goedewaagen, secretaris-generaal van het nieuwe departement van Volksvoorlichting en Cultuur. Ir. A. Dubois, directeur van de Nozema, zou de baas worden van de Nederlandse omroep die alle uitzendingen zou gaan verzorgen 32. Voor de omroepverenigingen en voor bestuurders daarvan zou geen plaats meer zijn.

32. Verkijk, a.w., blz. 176.

Van der Deure was er de man niet naar om zich daarbij neer te leggen. Hij ging in conclaaf met enkele mensen uit zijn dagelijks bestuur van de NCRV en daar rijpte een plan dat hij op 2 januari 1941 voorlegde aan zijn algemeen bestuur. ‘We kunnen besluiten dat de NCRV zich geheel uitschakelt. Daar waren we zeer na aan toe’, hield hij zijn bestuur voor. ‘Aan de andere kant kunnen we naar een oplossing zoeken om te voorkomen dat de NCRV zich geheel ontbindt’. Van der Deures idee was dat het algemeen bestuur een stichting zou vormen om zo ‘toch nog een zekere invloed te behouden’. De stichting zou godsdienstige programma’s kunnen verzorgen. Tevens zou bereikt kunnen worden dat althans een deel van het personeel in dienst zou kunnen blijven en er zou een rechtspersoon zijn die de eigendommen van de NCRV - onder andere de vrijwel voltooide studio aan de Schuttersweg in Hilversum - zou kunnen beheren. Of deze constructie enige kans van slagen had, wist Van der Deure niet. Het algemeen bestuur aanvaardde het plan met 17 tegen 2 stemmen, waarop Van der Deure zei: ‘Wij kunnen nu een poging wagen dit voorstel erdoor te krijgen. Meer dan een poging kan het niet zijn’ 33.

33. Notulen van de vergadering van 2 januari 1941 van het Algemeen Bestuur van de NCRV.

Toen hij zich geruggensteund wist door zijn bestuur, wendde Van der Deure zich tot Dubois, voor wie dit idee een voorlopige oplossing van een probleem betekende. Er moesten religieuze programma’s blijven, vond hij, en van de kerken verwachtte hij weinig medewerking. Alleen de voorgestelde naam Nederlandsche Christelijke Radio Stichting kon zijn goedkeuring niet wegdragen: NCRS herinnerde te veel aan NCRV. Na weglating van het woord Nederlandsche ging hij akkoord en zo kon vanaf 9 maart 1941 - de dag waarop de uitzendingen van de omroepverenigingen werden gestaakt - de Christelijke Radio Stichting, ingepast in het programma van de nationale omroep, drie uur per week onder eigen verantwoordelijkheid godsdienstige programma’s verzorgen 34. Het zat de CRS niet mee doordat eerst de Nederlandse hervormde kerk en vervolgens ook de Gereformeerde Kerken in Nederland weigerden aan de uitzendingen mee te werken. Dat de overheid per 1 oktober 1941 aan de uitzendingen van de stichting een einde maakte, kwam Van der Deure daarom wel goed uit. (De stichting bleef tot het einde van de oorlog bestaan).

34. Dubois benaderde de beide andere omroepen op religieuze grondslag, de KRO en de VPRO, met de vraag of zij ook zo'n constructie wilden regelen. De reacties van deze omroepen en de turbulente gevolgen voor de NCRV: klik hier.

Kort na de meidagen van 1940 liep Van der Deure de reputatie op Duitsvriendelijk te zijn. Dat kwam niet alleen door zijn toegevendheid aan de eisen van de Duitse bezetter. Ook een incident droeg daartoe bij. Als Gelders gedeputeerde was hij vóór de Duitse inval lid geweest van een gemengde Duits-Nederlandse commissie die een probleem met de loop van de grens bij Winterswijk moest oplossen. Toen dit werk voltooid was, gaven de Duitse en de Nederlandse overheid over en weer de leden van de commissie een onderscheiding. Een bericht over de toekenning van de Duitse orde voor Van der Deure kwam kort na het begin van de Duitse bezetting in de Nederlandse kranten. Begrijpelijkerwijs interpreteerden velen de onderscheiding als een beloning voor collaboratie. Volgens Van der Deure was daarvan echter geen sprake. Wel gebruikte hij later in de oorlog de onderscheiding handig om weg te komen uit Sint-Michielsgestel waar hij enige tijd als gijzelaar was ingesloten 35.

Van der Deure had voor 10 mei 1940 nogal wat relaties in Duitsland en Hongarije. Met hen deed hij zaken; er was ook een kerkelijke band. Na mei 1940 heeft Van der Deure nog enige tijd geprobeerd de contacten in stand te houden, al was dat moeilijk omdat niemand - ook hij niet - de grens mocht passeren. Tot zijn Duitse relaties behoorden burgemeester Goerdeler van Leipzig (die betrokken was bij het complot van 20 juli 1944 tegen Adolf Hitler en op grond daarvan is gefusilleerd) en Gotthard Sachsenberg, directeur van een machinefabriek en scheepswerf in Rostock. Deze man - geen nazi - heeft in de oorlogsjaren de werf Conrad in Haarlem overgenomen. Sachsenberg vroeg Van der Deure commissaris van die onderneming te worden. Van der Deure wilde geen ‘nee’ zeggen. Uiteraard kreeg de Haarlemse werf opdrachten van de Duitsers 36.

35. Dick Verkijk  (in Radio Hilversum 1940-1945) over Van der Deure en de Duitsers: klik hier.

36. Gerard H. Hoek, die kort voor de oorlog als radioverslaggever bij de NCRV in dienst was gekomen en die na de oorlog radio-programmaleider werd, baseerde hierop zijn uitlating in 1973 in een telefoongesprek met Dick Verkijk dat Van der Deure bekend stond om zijn geldzucht, "wat hem in de oorlog de verkeerde kant heeft doen opgaan" (Dick Verkijk, a.w., blz. 286). Feitelijk heeft Van der Deure het commissariaat aangenomen omdat hij zijn relatie Sachsenberg niet voor het hoofd wilde stoten.

Tijdens de oorlogsjaren heeft Van der Deure op grote schaal effecten ingekocht. Hij deed dit buiten het streng door de Duitsers gecontroleerde officiële circuit om. Uiteraard moest hij de steeds voller wordende dozen met waardepapieren aan het oog onttrekken. In de familie gaat het verhaal dat Van der Deure daarvoor een curieuze oplossing heeft gevonden. In zijn tuin had hij een grote vijver waarvan hij het waterpeil kon verlagen. Als het water zakte, werd de toegang tot een in de wand gemetselde kluis bereikbaar.

 

Toen na de slag om Arnhem (begonnen op 17 september 1944) de Veluwezoom geëvacueerd werd, zag Van der Deure kans toestemming te krijgen nog enige tijd in Bennekom te blijven. Hij had de Duitse autoriteiten ervan weten te overtuigen dat het van eminent belang was dat de documenten in zijn kantoor onder zijn hoede bleven. De vrijgezel Keuning, die zich vanuit het ontruimde Wageningen naar Bennekom had begeven en die bij Van der Deure onderdak had gevonden, wist vanuit Van der Deures serre een aansluiting te maken op een telefoonlijn van de Provinciale Gelderse Elektriciteits-Maatschappij. De PGEM had vanuit de centrale in Nijmegen eigen lijnen naar enkele delen van de provincie. In september 1944 hadden de Duitsers alle reguliere telefoonverbindingen met het inmiddels bevrijde Zuid-Nederland verbroken. Maar zij wisten niet van de lijn van de PGEM; Keuning wel 37. Via deze lijn gaven Van der Deure en Keuning - onder de codenaam Albrecht - uit huize Wester-Eng elke ochtend en elke avond gedurende een half uur informatie door naar het bevrijde Nijmegen 38. Deze activiteit was niet ongevaarlijk: als de Duitsers haar ontdekt hadden, was de doodstraf onontkoombaar geweest. Om de Duitsers op afstand te houden, had Van der Deure een plakkaat met het woord ‘Difterie’ aan de voordeur bevestigd. De schijn dat er een besmettelijke ziekte heerste werd versterkt doordat Van der Deures dochter overdag beneden voor het raam in bed moest blijven liggen.

Toen Van der Deure uiteindelijk ook uit Bennekom weg moest, trok hij in Ede in bij de familie Pereboom.

 

37. F. van der Have, Kleine kroniek van het verzet in Wageningen over de periode 1940-1945, Ochten, z.j., blz. 179. Volgens deze bron moest Van der Deure wel even diep nadenken voordat hij Keuning toestemming gaf de telefoonpost in zijn woning te installeren. Keuning had al eerder vanuit Wageningen de PGEM-lijn gebruikt, waardoor tijdens de slag om Arnhem Duitse stellingen in de omgeving effectief vernietigd werden.

38. De informatie werd verzameld door enkele jongeren onder wie Bart van Elst, een schoolgenoot van de zonen van Van der Deure. Van Elst is later bij De Woeste Hoeve gefusilleerd.

De beschuldiging van collaboratie kwam na de oorlog enkele keren aan de orde. De zuiveringscommissie onder voorzitterschap van oud-minister mr. H. Bijleveld had geen bedenkingen tegen Van der Deure. Voordat de commissie in augustus 1945 tot deze uitspraak kwam, was er een actie om zijn persoon gevoerd, waarbij zijn politieke betrouwbaarheid in twijfel werd getrokken. Van der Deure zei in augustus 1945 bereid te zijn terug te treden als door zijn aanblijven het belang van de NCRV geschaad zou worden. Het bestuur had daaraan geen behoefte 39.

39. Notulen AB-vergadering van 21 augustus 1945. Van der Deure maakte zelf melding van de actie tegen zijn persoon, maar gaf niet aan wie die actie gevoerd had(den).

Later kwam het punt van collaboratie opnieuw aan de orde, namelijk in de NCRV-bestuursvergadering van 29 oktober 1947 waarin de ontslagbrief van Van der Deure werd besproken. Secretaris Keuning - van wie bekend was dat hij actief was geweest in het verzet - zei de beweringen niet te geloven. Hij herinnerde aan de medewerking die Van der Deure had verleend aan de groep-Albrecht en aan een openhartig gesprek dat Keuning na de bevrijding met Van der Deure had gevoerd en waarin Van der Deure nadrukkelijk had verzekerd dat er van collaboratie geen sprake was geweest.

 

 

Na de bevrijding

Met de beëindiging van de activiteiten van de Christelijke Radio Stichting leek de betrokkenheid van Van der Deure bij de omroep definitief voorbij. Maar al op 28 december 1943 behoorde Van der Deure tot het groepje prominenten uit de inmiddels verdwenen omroepverenigingen die ten huize van AVRO-directeur W. Vogt het ‘Omroep-Comité’ oprichtten. Dit was bedoeld om de organisatorische opzet van de omroep na de bevrijding te regelen 40. Toen vervolgens in mei 1944 de Federatie van Omroepverenigingen werd opgericht, kreeg Van der Deure daarin een bestuursfunctie. De Federatie regelde tot in de puntjes de hervatting van de radio-uitzendingen direct na de bevrijding. Technisch zou er één omroep zijn, maar de programma’s zouden verzorgd worden door de vooroorlogse omroepverenigingen.

40. Dick Verkijk, a.w., blz. 720.

Die opzet mislukte door ingrijpen van het militair gezag dat de omroepverenigingen zelfs uit hun eigen studio’s wist te weren. Het zou tot zondag 20 januari 1946 duren voordat de NCRV weer een radioprogramma kon verzorgen 41.

Maar de vereniging was al veel eerder actief. Op 21 augustus 1945 leidde Van der Deure in het gebouw van de Nieuwe Utrechtsche Courant weer een vergadering van het Algemeen Bestuur. Van der Deure zette daar uiteen dat het kabinet bezig was met een constructie waarbij in wezen sprake was van een staatsomroep. Van der Deure kon persoonlijk - anders dan zijn secretaris-penningmeester Keuning - instemmen met de gedachte dat Radio Nederland een zelfstandige uitzendtaak zou krijgen. Waar zelfs tegenover de Duitsers de NCRV concessies had gedaan, moest zij dit tegenover de naoorlogse regering zeker doen, meende Van der Deure. Maar zijn bestuur was minder meegaand. Het jaarverslag-1946 van de NCRV bezigde krasse taal: "Nauwelijks was ons land bevrijd van de Duitsche tyrannie, of bij onze Regeering bleek een streven naar een gedwongen geestelijke eenheid van ons volk te bestaan, dat is naar een nieuwe tyrannie; en inzonderheid de radio-omroep heeft daarvan te lijden gehad".

 

41. De gang van zaken met de omroep na de bevrijding is o.a. uitvoerig beschreven in Dr. L. de Jong, a.w., deel 12, Epiloog, blz. 221 e.v.

Uiteindelijk stemde de NCRV in met de oprichting van de Nederlandse Radio Unie in 1947. Elke omroepvereniging kreeg daarin twee zetels; Van der Deure bezette één van de zetels die voor de NCRV beschikbaar waren.

Tegen het plan van de regering de radio-controlecommissie weer in het leven te roepen, verzette Van der Deure zich heftig. Hij zag daarin ‘een ware belemmering van de actualiteit van de omroep. (...) Wij zijn ervan overtuigd dat ook voor de toekomst het dure, onzen arbeid vertragende en belemmerende radio-contrôle-apparaat zonder eenige schade volledig kan worden gemist’ 42.

42. Omroepgids, 28 januari 1947.

Van der Deure had het na de oorlog druk met de NCRV. In augustus 1947 zei hij tegen het dagelijks bestuur dat hij van de bevrijding af ‘soms twee maal op één dag’ had moeten vergaderen in allerlei commissies, raden en instanties om de positie van de NCRV te handhaven.

Van der Deure spande zich verder in om de eigendommen van de NCRV terug te krijgen die op grond van de Verordening van de rijkscommissaris nr. 49/1941 d.d. 12 maart 1941 waren overgeheveld naar het staatsbedrijf ‘De Rijks-radio-omroep’. In oktober 1945 wendde Van der Deure zich, als ‘belanghebbende in de zin van het Besluit Herstel Rechtsverkeer’, tot het Nederlands Beheersinstituut te Den Haag met het verzoek de ontbinding van de NCRV ongedaan te maken. Dit verzoek werd ingewilligd bij beschikking van 29 oktober 1945 in die zin dat de NCRV geacht werd nooit ontbonden te zijn geweest. Van der Deure claimde daarna nog een vergoeding voor het onrechtmatige gebruik van de studio’s en kantoorgebouwen gedurende de bezettingsjaren.

 

 

In de cel - uit de NCRV

Het einde van Van der Deure als NCRV-voorzitter kwam abrupt. In september 1947 werd Van der Deure gearresteerd wegens belastingfraude 43. Van der Deure had het optreden van de fiscus al enige tijd zien aankomen. Hij besloot geen medewerking te verlenen aan het onderzoek van de fiscale recherche. Toen hij op het punt stond naar het buitenland te vertrekken, stond de politie voor de deur die hem insloot in het politiebureau van Ede. Alleen de naaste familie en een predikant mochten hem daar opzoeken 44.

NCRV-secretaris Keuning bezorgde aan Van der Deure via diens zoon Jacob een briefje met het advies ontslag te nemen als voorzitter van de NCRV. Na enige weken volgde Van der Deure dit advies op; in een korte brief meldde hij niet langer voorzitter van de NCRV te willen zijn. Hij vroeg de NCRV dit feit niet direct te publiceren, maar er overigens vrij mee te handelen, voor zover dit in het belang van de NCRV kon zijn 45. Het bestuur besloot tot een uiterst summiere publicatie in de Omroepgids.

43. De Volkskrant publiceerde op vrijdag 19 september 1947 op de voorpagina, onder de kop ‘Voorzitter NCRV in arrest', ... Lees verder hier.

44. De politie stond Van der Deure wel toe hem maaltijden te laten aanreiken door een gerenommeerd restaurant. In de cel had hij gelegenheid een hobby uit te leven: het repareren van horloges.

45. Mededelingen van C.A. Keuning in de NCRV-bestuursvergadering van 29 oktober 1947, vermeld in de notulen.

Terwijl Van der Deure in de cel zat, sloeg de paniek bij de NCRV toe. De fraude had weliswaar geen betrekking op NCRV-gelden, maar in sommige dagbladen werd breed uitgemeten dat de gearresteerde - die alleen met initialen werd aangeduid - voorzitter van deze omroepvereniging was. Vice-voorzitter prof. dr. A.H. Edelkoort nam onmiddellijk het grootste deel van het werk van Van der Deure over 46. Alleen de contacten met het buitenland zal hij niet kunnen onderhouden, zo deelde hij op 29 oktober 1947 mee in de eerste bestuursvergadering na de arrestatie van Van der Deure, die Edelkoort omschreef als ‘een ietwat sinistere bijeenkomst’. In de Federatie van Omroepverenigingen en het algemeen bestuur van de Nederlandse Radio Unie nam Keuning de plaats van Van der Deure in; in het Dagelijks bestuur van de NRU NCRV-directeur Van Dijk, die ook Van der Deures plaats in het bestuur van de Nozema overnam.

46. Op oudejaarsavond 1947 om 23.45 uur sprak Edelkoort voor de NCRV-radio over "Wij vliegen daarheen'. Deze titel sloeg niet op zijn voorganger.

Bij zijn arrestatie bleek Van der Deure nog ƒ 25.000 van de NCRV tegoed te hebben. Het betrof de vergoeding voor een plaatsvervanger in zijn advocatenpraktijk die hij gedurende een reeks van jaren niet had gedeclareerd 47. De NCRV-penningmeester betaalde hem het bedrag op kwitantie uit, waarna de fiscus het direct overnam.

Tijdens de rechtszaak, op 10 februari 1948 in Arnhem, werd de buitenwereld duidelijk waarvan Van der Deure beschuldigd werd. Hij had in het najaar van 1945 een vermogen van ƒ 189.000 opgegeven, terwijl dit tenminste ƒ 509.000 had moeten zijn. Van der Deure hield niet minder dan negen verschillende boekhoudingen bij die zo ingewikkeld waren dat op de dag van het proces het onderzoek nog niet was afgesloten. Hij had volgens de officier van justitie onder de naam P. de Vries effecten verkocht en een deel van zijn vermogen (ƒ 70.000 plus voor ƒ 1400 aan ongemunt goud) in bewaring gegeven bij een zoon met het oogmerk de belastingdienst te misleiden. De onjuiste aangiften hadden plaats gevonden van 1941 tot en met 1945 48. Het vonnis luidde: een half jaar gevangenisstraf. Van der Deure ging in hoger beroep, maar dat baatte hem niet: het gerechtshof van Arnhem concludeerde op 24 juni 1948 ook tot zes maanden cel 49.

47. De NCRV was zo coulant de vergoeding ook tijdens de oorlogsjaren te betalen. Van der Deure was zelf even grootmoedig. Hij heeft gedurende alle oorlogsjaren het salaris volledig doorbetaald aan een joodse medewerker, mr. W. Vos, die deel uitmaakte van een knokploeg en die daarom en om zijn afkomst moest onderduiken. Het trof Van der Deure pijnlijk dat deze heer Vos na de oorlog een eigen advocatenpraktijk begon en zich vestigde in een pand recht tegenover Wester-Eng.

48. Bronnen en meer gegevens: hier

49. Trouw, 25 juni 1948; De Volkskrant, 26 juni 1948.

Tegenover de buitenwereld repte de NCRV nauwelijks meer over Van der Deure 50. Maar het bestuur had nog wel contact. Van der Deure was financieel in de problemen geraakt. Niet alleen had de fiscus zich ontfermd over een flink deel van zijn geld; de inkomsten stokten ook. De Anti-Revolutionaire Partij wilde hem niet handhaven als Gedeputeerde en de advocatenpraktijk zakte in elkaar. De NCRV voelde zich moreel verplicht haar oud-voorzitter te hulp te komen. Even rees de gedachte Van der Deure te vragen het NCRV-archief te ordenen en de geschiedenis van de omroepvereniging te schrijven. Maar het leek toch niet zo gewenst hem een tijdelijke betrekking te bezorgen.

50. In het jaarverslag-1947 staan enkele regels. Lees ze hier.

Het NCRV-bestuur was al eerder voornemens zijn voorzitter een salaris (van ƒ 15.000 per jaar) te gaan betalen ‘omdat wij allen overtuigd waren dat het niet aanging steeds maar beslag te leggen op de tijd en de werkkracht van mr. Van der Deure zonder daar iets voor in de plaats te stellen’, aldus vice-voorzitter Edelkoort in de bestuursvergadering van 15 juli 1948. De zaak lag klaar voor besluitvorming toen Van der Deure in de cel belandde. Edelkoort stelde voor Van der Deure een pensioen te bezorgen. Dat bleek niet zo eenvoudig. Van der Deure had geen recht op pensioen en de fiscus zou dus waarschijnlijk schenkingsrecht eisen. Omdat Van der Deure ook verder nog bezig was zijn zaken met de fiscus af te wikkelen, leek de kans groot dat al het geld dat de NCRV zou betalen, bij de belastingdienst terecht zou komen. Dus besloot de NCRV een afwachtende houding aan te nemen.

 

In november 1949 slaakte Van der Deure een noodkreet: hij kon niet meer in zijn levensonderhoud voorzien en vroeg daarom het bedrag dat hij als pensioen zou ontvangen, te lenen. Het NCRV-bestuur ging hiermee akkoord. Van der Deure tekende een schuldbekentenis en kreeg enkele duizenden guldens.

 

Ook over een andere zaak had Van der Deure van zich laten horen. Op 9 november 1948 schreef hij een brief aan het NCRV-bestuur waarin hij ervoor pleitte het voortouw te nemen bij de oprichting van een Internationale Orthodox-protestantse Televisie-vereniging. Deze zou onder andere de uitwisseling van televisieprogramma’s kunnen verzorgen. Met de zojuist uitgevonden magnetofoon zou dat volgens Van der Deure helemaal niet zo duur hoeven te worden. NCRV-directeur Van Dijk zag dat helemaal niet zitten: er waren inderdaad experimenten met de magnetofoon, maar het zou nog jaren duren voordat van een dergelijke uitvinding voor televisie gebruik zou kunnen worden gemaakt. Het bestuur zag wel wat in contacten met buitenlandse organisaties die zich met televisie bezighielden; maar schrok van het feit dat Van der Deure blijkbaar al bezig was in het buitenland contacten te leggen. Hij wierp zich zelfs al op als directeur-administrateur van het bureau van de op te richten internationale organisatie.

 

Begin 1949 deelde Van der Deure aan het NCRV-bestuur mee dat hij inmiddels contacten had gelegd in Zwitserland, bij de BBC in Londen en in Amerika. Het ging hem niet alleen om de uitwisseling van programma’s, maar ook om de toepassing van nieuwe technische vindingen op het gebied van televisie. De schrik sloeg het NCRV-bestuur om het hart; het besloot Van der Deure terug te fluiten. Dat is blijkbaar afdoende gebeurd: van de zaak is niets meer vernomen.

 

 

Auto-ongeluk

De dood kwam voor Van der Deure op de autoweg. Op 26 maart 1957 omstreeks 14.00 uur was hij met zijn Amerikaanse Lincoln Capri op rijksweg 22 tussen De Klomp en Maarsbergen juist bezig met een snelheid van 160 km/u een vrachtauto in te halen toen de rechter voorband klapte 51. Hij remde, raakte in een slip en schoof onder de vrachtauto. Hij en zijn vrouw waren op slag dood. Niet alleen zijn gewoonte zeer snel te rijden op de tweebaans wegen van die tijd lijkt hem noodlottig te zijn geworden, maar ook zijn zucht nieuwe vindingen toe te passen. Terwijl bijna alle auto’s in Europa nog met binnen- en buitenbanden reden, had hij uit Amerika geïmporteerde tubeless banden laten monteren. Deze voldeden redelijk bij de snelheden die in de Verenigde Staten maximaal waren toegestaan (60 mijl per uur) maar bleken niet opgewassen tegen de snelheden die Van der Deure bij voorkeur reed.

51. Hoewel de Duitsers in de oorlogsjaren waren begonnen met de aanleg van een vierbaans autoweg van Den Haag via Utrecht en Arnhem naar het Roergebied (in de volksmond: het Hazenpad), was deze weg in 1957 nog niet voltooid. Rijksweg 22 was dus de gangbare weg van Bennekom naar West-Nederland, die Van der Deure honderden keren gereden had.

In de eerste bestuursvergadering daarna, op woensdag 17 april 1957 in Utrecht, hield mr. Anton Bernard Roosjen die Van der Deure was opgevolgd als NCRV-voorzitter, een herdenkingsrede. Hij zag het als een grote verdienste van de overledene dat hij is opgekomen voor een serieus gebruik van de radio in een tijd waarin in brede kring de radio alleen als medium voor vermaak werd gezien. Zijn strijd voor de Huizer zender had er volgens Roosjen mede toe geleid dat Nederland toen kon beschikken over ‘twee volwaardige nationale zenders’.

De Omroepgids van 6 april 1957 wijdde een halve pagina aan het overlijden van het echtpaar-Van der Deure. "Hij was een man van de daad, met een scherp verstand en een toegewijde liefde voor de christelijke omroep. Vooral in de uiterst moeilijke jaren van het begin, toen er naar vele zijden strijd moest worden gevoerd, heeft hij met grote bekwaamheid en met vaste hand onze vereniging geleid".

De NCRV-bestuurders kregen niet de gelegenheid dergelijke uitspraken te doen aan de groeve: het echtpaar Van der Deure is op vrijdag 29 maart 1957 in stilte te Bennekom begraven, op een royaal stuk grond dat Van der Deure jaren eerder had gekocht met de bedoeling dat daar de graven van hem en zijn familieleden zouden komen. De particuliere begraafplaats is later aan de gemeente overgedragen 52.

52.Op het stuk grond dat Van der Deure had gekocht en bestemd voor de laatste rustplaats van hem en de zijnen, was ruimte voor zeker honderd graven. De stichting- Van der Deure had in 1994, toen deze biografie werd geschreven, nog steeds recht op een aantal graven op de begraafplaats, ter weerzijde van het graf van Abraham van der Deure en zijn vrouw.

door

Henk
Glimmerveen

 

Terug naar het begin van deze biografie