Signalen uit de familie Glimmerveen

Colofon

Zeg nou zelf...

e-mail

Home

Hilversum zoals het was

deel 13: Burgers en bestuurders

auteur: Henk Glimmerveen

Het schapendorp Hilversum
(de Vaartweg omstreeks 1890,
schilderij M. Betlem)

"Hilversum is een schapendorp en dat zal het altijd blijven ook". Een gevleugelde uitspraak van mr. F.L.M. Hillen, geboren en getogen in Hilversum en van 1980 tot 1990 gemeenteraadslid.

Een schapendorp. Dat was Hilversum in vroeger eeuwen. Maar dit was bepaald niet het droombeeld van de gemeentebesturen van voor en na de tweede wereldoorlog. Hun toekomstvisie is nog steeds terug te vinden in een stukje vierbaans autosnelweg in het hart van Hilversum (inmiddels omgevormd tot een stukje van de binnenring om het centrum van Hilversum - noot uit 2001). Een kwart van de ringweg die rondom het centrum van Hilversum gedacht was. Een onderdeel van een hoog gegrepen plan van bestuurders die droomden van een dorp met allures van een wereldstad.

   

Frans Hillen

Foto uit 1986 toen mr. F.L.M. Hillen gemeenteraadslid was.


Rectificatie. Mr. F.L.M. (Frans) Hillen is niet 'geboren en getogen' in Hilversum, zoals ik had geschreven (en zoals in de gedrukte versie staat). Hij en zijn tweelingbroer J.S.J. (Hans) Hillen, voorheen CDA-Tweede-Kamerlid, zijn op 17 juni 1947 in Den Haag geboren. In hun elfde levensjaar verhuisden beiden naar Hilversum. Hans woont er nog (in 2009); Frans is naar elders vertrokken.

 

Voorpagina Hilversum zoals het was deel 13.

Voorpagina van Hilversum zoals het was, deel 13 (een uitgave van Waanders in Zwolle. Foto op deze pagina: Burgemeester Lambooy en zijn wethouders bezichtigen de verbeterde straat in het centrum, de Groest, omstreeks 1930.
Lees een toelichting op deze uitgave hier.

Niet alle bewoners vonden de ideeën van de bestuurders prachtig. Velen wilden liever het dorpse karakter bewaren. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1974 - kort na het begin van de uitvoering van het plan - kreeg de vertegenwoordiging van deze groep de overhand in de gemeenteraad. Het plan ging van tafel. De sloop van de buurt bij het station en de aanleg van het eerste stukje snelweg kon niet meer ongedaan gemaakt worden, maar de rest van de uitvoering bleef tot opluchting van vele Hilversummers achterwege.

Nooit eerder hadden bestuurden in Hilversum zo hard hun bestuurders teruggefloten en terechtgewezen als in de jaren zeventig van de twintigste eeuw.

Tot het midden van de negentiende eeuw zouden ze dat zelfs niet gekund hebben, al hadden ze het gewild: het bestuur werd hen van bovenaf opgelegd. In 1848 kreeg Nederland een democratisch bestuurlijk stelsel. Tot dat jaar werd Nederland nogal autoritair geregeerd. De macht lag in handen van koning Willem I en zijn opvolger koning Willem II. In 1848 wist de liberale voorman J.R. Thorbecke hem te bewegen zijn macht af te staan.

Dit werkte door op het plaatselijke niveau. De Gemeentewet veroorzaakte in 1851 een ware omwenteling: Hilversummers konden voor het eerst hun eigen gemeenteraad kiezen. Tot dat jaar lag de macht in handen van raadsleden die van bovenaf waren benoemd, door de Staten van het gewest, die hun positie en bevoegdheden van de koning hadden ontvangen.

Erg veranderingsgezind waren de eerste kiezers niet. Zij kozen alle negen raadsleden die ook in de voorafgaande periode, benoemd door de gewestelijke staten, het bestuur hadden gevormd. Bij de installatie van de eerste gekozen gemeenteraad in 1851 zei burgemeester W. de Wit dat de ijver en getrouwheid waarmee zij hun functie tevoren hadden vervuld, blijkbaar de goedkeuring van de ingezetenen konden wegdragen.

Maar misschien ook liet het bestuur de Hilversummers onverschillig. De notulist tekende tenminste aan dat de eerste openbare raadsvergadering onder de nieuwe Gemeentewet door niemand van het publiek werd bijgewoond.

De raadsleden waren er wel; misschien vanwege hun ijver en getrouwheid, maar stellig ook omdat ze het presentiegeld van vijf gulden per jaar niet wilden mislopen. De raad zelf stelde op 10 december 1851 een verordening op het presentiegeld vast. Een raadslid dat de presentielijst niet tekende, kon niet alleen geen aanspraak op die betaling maken, maar verbeurde ook nog een boete van 25 cent. Alleen als iemand wettig verhinderd was, hoefde hij de boete niet te betalen. De raad zelf stelde vast of er sprake was van een wettige verhindering. De boetes zouden naar de armen gaan.

Deze boeteregeling viel niet in de smaak bij Gedeputeerde Staten van Noord-Holland. Zij maakten bezwaar, maar de Hilversumse raad handhaafde zijn besluit. De armen hebben er nauwelijks van geprofiteerd, want de raadsleden zorgden wel dat ze bij elke vergadering aanwezig waren.

Op 10 oktober 1851 koos de gemeenteraad twee wethouders: P. Doets en jhr. J.W. Janssens. Zij waren de eersten die in Hilversum deze functie kregen. Daarvoor hadden zij, als ‘assessoren’, soortgelijk werk gedaan. Nieuw was dat de raad hen koos. Maar de raad legde hen niet in de watten: zij kregen geen jaarwedde, zo besloot de raad. Zij werden dus geacht het besturen van de gemeente pro Deo te doen.

Deze zuinigheid was Haarlem te gortig. Op 26 mei 1852 werd in de raadsvergadering een aanschrijving van de Commissaris des Konings voorgelezen waarin stond dat er wel degelijk een jaarwedde moest worden betaald. Even leek het erop dat een bedrag van ƒ 75,- per jaar zou worden toegekend. Maar het werd uiteindelijk vijftig gulden per persoon per jaar; een achtste van wat de burgemeester verdiende.

Dat in 1851 burgers voor het eerst hun plaatselijke volksvertegenwoordiging mochten kiezen, betekende niet dat iedere Hilversummer mocht stemmen. Niet alleen waren alle vrouwen uitgesloten, maar ook de meeste mannen. Alleen wie een flink bedrag aan belasting betaalde, mocht een stem uitbrengen (‘censuskiesrecht’). Bij de eerste gemeenteraadsverkiezing in 1851 waren in Hilversum slechts 212 van de 5.465 inwoners stemgerechtigd. Van hen gingen niet meer dan 170 naar de stembus.

Bij de Grondwetsherziening van 1887 werd het kiesrecht in Nederland uitgebreid. In Hilversum leverde dat slechts zestig kiezers meer op. In 1896 was er nog steeds censuskiesrecht, maar door een verruiming van de criteria groeide het aantal kiezers in Hilversum met vijfhonderd. Vooral de rooms-katholieken profiteerden hiervan. In 1891 waren negen raadsleden protestants, zes rooms-katholiek (buitenkerkelijken waren er niet in de raad). In 1908 waren er nog steeds negen protestantse raadsleden, maar het aantal rooms-katholieken in de inmiddels zeventien leden tellende raad was gegroeid tot acht.

Bestuur tot de eerste wereldoorlog

In de negentiende eeuw bestond het gemeentebestuur geheel uit mensen uit de gegoede klasse. Maar onder de bestuurders waren wel mensen die oog hadden voor de situatie van de armen. Zo hield het gemeentebestuur zich - zonder twijfel onder invloed van dr. J.F. van Hengel, een sociaal voelende man die vanaf 1838 gedurende 54 jaren huisarts in Hilversum is geweest - nogal eens bezig met de verbetering van de hygiëne. In het begin van de negentiende eeuw liep het vuile water weg door een sloot middenin de onverharde Groest (toen nog Groost genoemd). Toen deze in 1844 bestraat werd, verdween de sloot met als gevolg wateroverlast bij hevige regenval. In 1874 nam de gemeenteraad een besluit over de afvoer van vuil water. Dit was de eerste keer dat het gemeentebestuur aandacht aan dit probleem gaf. Er kwam een ‘open-gotenstelsel’, waarbij het vuile water werd afgevoerd naar een kom die in 1876 in de hei werd gegraven. Omdat dit systeem twee decennia later niet meer voldoende soelaas bood, stelde de gemeenteraad eind 1899 een ‘bevloeiingsplan’ vast waarvoor een stuk heidegrond in erfpacht van de Vergadering van Stad en Lande werd verkregen. In 1907 besloot de raad in een flink deel van de bebouwde kom riolering te laten aanleggen. Hilversum liep daarmee voor op de meeste Nederlandse gemeenten. (Omdat riolering een jaar of tachtig meegaat, kwam Hilversum in de jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw, eerder dan de meeste andere gemeenten, voor kosten van vervanging van riolering waarop het gemeentelijke budget niet berekend was).

In het laatste kwart van de negentiende eeuw zorgden de bestuurders ervoor dat vele mesthopen verdwenen. In 1872 waren er in de gemeente nog 733, in 1882 was tweederde deel daarvan opgeruimd. Het aantal dorpspompen nam behoorlijk toe: van zes in 1873 tot vijftien in 1882. Dorpspompen waren in die tijd de enige plekken waar burgers drinkwater konden tappen.

In 1854 stelde de gemeenteraad een ‘verordening op de broodzetting’ vast. Als er niet genoeg bakkers in het dorp waren, zou er geen waarborg zijn voor een goede kwaliteit en een redelijke prijs van brood, overwoog de gemeenteraad, en dat zou de gezondheid van de bevolking en de openbare rust schaden. In 1876 werd de bepaling over de verkoop van brood opgenomen in de algemene politieverordening. Zo’n politieverordening kende Hilversum sinds 1856. In de eerste versie stonden voornamelijk regels over ‘het gedrag op paden en wegen’, over ‘misbruik van het heideveld’ en de verplichting zich bij het gemeentebestuur te melden als men van woonplaats veranderde.

Ook op andere manieren kregen behoeftigen de aandacht van het gemeentebestuur. Zo had Hilversum een ‘Bank van Leening’ oftewel een ‘Lombard’. De gemeente verpachtte deze. Opheffing werd lange tijd niet overwogen, omdat anders de ‘behoeftigen’ zouden worden blootgesteld aan woekerwinsten. In 1898 verdween de lommerd toch.

Eind 1862 hadden de katoenwevers weinig werk als gevolg van een mislukte oogst. De burgemeester besloot daarop de wevers die tijdelijk niets te doen hadden, keien te laten opgraven. Die konden gebruikt worden voor de bestrating in het volgende jaar. De gemeenteraad ging met het plan akkoord.

Hilversum kende een jarenlange traditie van een kermis op de Groest. Maar in de tweede helft van de negentiende eeuw werd dit evenement een zootje, vooral door drankmisbruik. Het gemeentebestuur schafte kort voor 1900 de kermis af, wat leidde tot een volksopstand. Een compagnie soldaten kwam eraan te pas om deze te onderdrukken.

Maar niet alleen de armen kregen de nodige aandacht; ook de mensen die wilden profiteren van moderne ontwikkelingen, kwamen aan hun trekken. Omdat een aantal ingezetenen een aansluiting wenste op het telegraafnet, besloot de gemeenteraad op 16 december 1864 bij de regering aan te kloppen. Deze ging akkoord mits de gemeente een telegraafgebouw beschikbaar stelde. De raad besloot dat dit opgetrokken kon worden op het terrein achter het gemeentehuis. Al op 15 december 1865 kon het telegraafkantoor geopend worden. Op 1 februari 1889 werd het telegraafkantoor gecombineerd met het postkantoor.

Ook een nieuw verschijnsel: op 2 mei 1876 besloot de gemeenteraad voor de eerste keer officieel namen te geven aan straten. Tot ongeveer 1800 kende Hilversum geen echte straten en wegen. Ieder bouwde zoals hij wilde. Rooilijnen waren er niet. Tussen de woningen, buurtjes en velden liepen allerlei onverharde wegen, stegen en paden, waaraan de volksmond soms wel namen verbond: Kerkstraat, Torenlaan, Doodweg. Ten behoeve van het kadaster legde de gemeenteraad in 1829 de namen van enkele ervan vast. In 1836 werd een deel van de wegen en stegen bestraat, op kosten van de bewoners.

De aanleg van de spoorlijn en de bouw van het station in het begin van de jaren zeventig leidde tot nieuwe inzichten. Voor de spoorlijn moest grond onteigend worden. Het viel toen in het oog dat het beeld van het dorp nogal geschaad werd doordat er op willekeurige plaatsen woningen, boerderijen, schuren, winkeltjes en andere opstallen gebouwd werden. Het gemeentebestuur vond het nodig enige ordening aan te brengen. In juni 1874 besloot de raad dat voortaan de gemeente rooilijnen zou vaststellen. Kort daarna volgde het besluit de straten officieel een naam te geven. Daarbij speelde een rol dat sommige straten die in de volksmond een naam hadden, door de spoorlijn in tweeën gesneden waren. Elk deel kreeg bij deze gelegenheid een eigen naam.

In de notulen van de raadsvergadering van 2 mei 1876 staan 41 straatnamen vermeld. Om aan te geven waar die straten liepen, werden de eerste en de laatste bewoners genoemd. Zo liep de Langestraat van B.A. Meddens tot I.I. Ebbens. In 1883 kregen - op voorstel van een toen in het leven geroepen commissie voor de straatnamen - nog tientallen straten een officiële naam.

Sindsdien is het aantal straatnamen in Hilversum verveelvoudigd omdat er bij elke uitbreiding straten bij kwamen. Sommige oude namen bleven gehandhaafd, hoewel zij hun betekenis verloren hadden (bijvoorbeeld: Kleine Drift - een drift was een brede weg waarlangs schapen naar de hei gedreven werden; Noodweg: het Middel-Nederlandse not betekent veldvrucht of vee; een notweg is een pad over andermans grond waarover men mocht lopen om de oogst of vee binnen te halen). Soms verdween een niet meer toepasselijke straatnaam (bijvoorbeeld het Schoenlapperspaadje, ongeveer op de plaats van de huidige Boomberglaan).

Tot in de twintigste eeuw had Hilversum een eigen schutterij. De gemeenteraad stelde elk jaar vast welke schutters zelf voor hun uniform moesten zorgen en voor welke schutters de gemeente de kleding geheel of gedeeltelijk betaalde. In 1907 werd de schutterij opgeheven. De bezoldigde medewerkers kregen nog vijf jaar wachtgeld.

Opvallend was de stijging van het aantal ‘import-Hilversummers’ in de gemeenteraad. In 1891 waren twaalf van de vijftien Hilversumse raadsleden geboren in ’t Gooi. In 1908 was dit omgeslagen in een minderheid: slechts acht van de zeventien. Dit was een direct gevolg van het feit dat het inwonertal na de aanleg van de spoorlijn in 1874 snel groeide; niet alleen door de goede verbinding met Amsterdam en de aantrekkelijke woonomgeving, maar ook doordat aan het eind van de negentiende en in de eerste tientallen jaren van de twintigste eeuw de belastingen in Hilversum lager waren dan in Amsterdam.

Opmerkelijk is dat de boeren - in de vorige eeuw een belangrijk en via de organisatie van de ‘erfgooiers’ invloedrijk segment van de bevolking - nauwelijks toegang hebben gehad tot de raad. In 1891 was er slechts één raadslid met een agrarische achtergrond.

Albertus Perk.

Albertus Perk

Een klein aantal mensen heeft zijn stempel gedrukt op Hilversum in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Misschien wel de meest opmerkelijke figuur in bestuurlijk Hilversum is Albertus Perk (1795 - 1880) geweest. Niet minder dan 64 jaar lang heeft hij deel uitgemaakt van het dorpsbestuur. Perk stamde uit een oud erfgooiersgeslacht. De naam Perk kwam al in 1490 in Hilversum voor. In 1816 - hij was pas 21 jaar oud - werd hij gemeentesecretaris en ontvanger; in 1820 bovendien notaris.

Bij de invoering van de Gemeentewet werd de functie van gemeentesecretaris niet automatisch verlengd. Maar de gemeenteraad was kennelijk tevreden over Perk: op 11 oktober 1851 werd hij opnieuw benoemd (met een jaarwedde van vierhonderd gulden). Evenwel: onder de nieuwe wetgeving konden de functies van notaris en gemeentesecretaris niet in één persoon verenigd zijn, tenzij de koning dispensatie gaf. Die toestemming gaf de koning niet. Perk wilde notaris blijven en dus legde hij zijn gemeentelijke functies neer. Maar in dezelfde vergadering waarin hem eervol ontslag werd verleend, benoemde de raad twee zoons van Perk tot respectievelijk gemeentesecretaris en gemeenteontvanger. Al spoedig, in 1853, werd Albertus Perk zelf gekozen tot raadslid en het jaar erna tot wethouder. Het notariaat legde hij in 1871 na 51 jaar neer, maar raadslid en wethouder bleef hij tot zijn dood op 7 september 1880.

Perk was erg geïnteresseerd in mensen, maar ook in hun geschiedenis. Hij heeft uitvoerig de geschiedenis van ’t Gooi en de rechten van de erfgooiers beschreven. In maart 1852 kocht hij van Hendrik Hoeufft van Velsen het recht op de Gooise koptienden, een in 968 ingestelde belastingheffing. Sinds de Grondwetswijziging van 1848 mocht deze belasting niet meer geïnd worden. Daar ging het Perk ook niet om. Door de aankoop kreeg hij het eeuwenoude archief in handen en daarmee een belangrijke bron voor de Gooise geschiedschrijving.

Albertus Perk woonde in ‘het huis met de kettingen’ aan de ’s-Gravelandseweg, op de hoek van de straat die sinds 1883 Albertus Perkstraat heet. Toen de gemeente Hilversum op 4 maart 1955 het Gulden Boek instelde, werd Albertus Perk als eerste daarin ingeschreven.

Johannes Geradts, boekhandelaar, drukker, gemeenteraadslid.

Johannes Geradts

Een andere prominente Hilversummer was Johannes Geradts (1837 - 1925). Hij werd bij het naderen van zijn oude dag, in 1901, gemeenteraadslid. Hij bleef dat tot 1919. Al bij zijn leven en gedurende zijn raadslidmaatschap noemde de gemeenteraad een lange weg in Hilversum-Noord naar hem: de Johannes Geradtsweg. Hij protesteerde daar zelf heftig tegen, maar de raad vond dat hem, de toen tachtigjarige nestor, dit toekwam.

Zijn verdiensten voor Hilversum lagen niet zo zeer op het bestuurlijke vlak. Op negentienjarige leeftijd was hij in 1856 als ‘drukkersmaatje’ uit zijn geboortestad Zierikzee naar Hilversum geëmigreerd. Hij werd typograaf bij een boekdrukker. Drie jaar later nam hij dat bedrijf over.

 Op 11 november 1871 startte hij hier met het eerste plaatselijke nieuwsblad waar het dagblad De Gooi- en Eemlander uit zou voortkomen. "Het Gooi zal eerlang, meer nog dan vroeger, een middelpunt worden van druk en toenemend verkeer" voorspelde hij in het eerste nummer van zijn blad.

Geert van Mesdag was van 1915 tot 1919 voor de Liberale Staatspartij lid van de gemeenteraad. Daarvoor en daarna zette hij zich in voor de armen. Zo was hij in 1903 de oprichter van de vereniging Centrale Raad voor Hulpbetoon en Armenzorg; vanaf 1931 voorzitter van het plaatselijke crisiscomité. Van Mesdag vestigde zich in 1898, 35 jaar oud, in Hilversum, in de villa Quatre Bras. Hij werkte bij de cacaofabriek van Van Houten in Weesp. Naar hem werd de autoweg genoemd die langs de plaats werd aangelegd waar zijn woning had gestaan.

Het vaandel van de in 1895 opgerichte protestants- christelijke vakbond Patrimonium (die later ook arbeiderswoningen ging bouwen).

Emancipatie van de arbeiders

Onder de beter gesitueerden die in de negentiende eeuw het kiezerskorps vormden, bestond niet veel verschil van inzicht met betrekking tot het besturen van de gemeente. In Hilversum waren betrekkelijk veel bestuurders die oog hadden voor de armen en behoeftigen, maar niemand uit de eenvoudige agrarische of arbeidersklasse drong door tot de bestuurskringen. Dat veranderde met de uitbreiding van het kiesrecht, samenvallend met de emancipatie van de werknemers. Er ontstonden ‘kiesverenigingen’ waarin de verschillende stromingen in de bevolking zich verenigden.

Tekenend was wat er in de rooms-katholieke kiesvereniging in Hilversum gebeurde. Daarin hadden enkele vooraanstaande burgers het jarenlang voor het zeggen. Zij waren er zelf van overtuigd dat zij de hele rooms-katholieke bevolkingsgroep vertegenwoordigden. Maar tegen het eind van de eeuw groeide de katholieke werkliedenvereniging sterk. Enkelen uit die kring waagden zich van 1897 af in de vergadering van de r.k. kiesvereniging en gingen daar de confrontatie met de ‘patroons’ niet uit de weg. Gevolg: uit deze kring kwam in 1902 voor het eerst een arbeider, de heer A.C. van der Linden, in de Hilversumse gemeenteraad.

Een soortgelijke ontwikkeling deed zich voor in de anti-revolutionaire kiesvereniging (voornamelijk bestaande uit gereformeerden, eerder in de negentiende eeuw afgescheiden van de Nederlandse Hervormde Kerk). Leden daarvan namen in 1895 het initiatief om in Hilversum een afdeling van het uit 1877 stammende christelijk-sociale ‘werkliedenverbond’ Patrimonium op te richten. De leden van Patrimonium kregen geleidelijk meer te zeggen in de anti-revolutionaire kiesvereniging. In Hilversum was er tegen het eind van de negentiende eeuw verder een christelijk-historische (vooral hervormd) en een liberale kiesvereniging. Die beide hadden weinig aantrekkingskracht op de ‘eenvoudige burgers’.

De buitenkerkelijken uit de ‘werkende klasse’ kregen in 1897 een nieuw politiek onderdak. In dat jaar werd een afdeling Hilversum van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) opgericht. Omdat slechts weinig leden daarvan kiesrecht hadden, kreeg deze partij nauwelijks een voet aan de grond. Pas in 1909 verwierf de SDAP één zetel in de raad, bezet door Frank van der Goes. Tot 1919 bleef het bij een eenmansfractie.

Besturen tijdens de eerste wereldoorlog

Nederland raakte niet betrokken in de eerste wereldoorlog, maar de strijd in de omliggende landen gaf de Hilversumse bestuurders wel heel wat kopzorg. Op 11 augustus 1914 gaf burgemeester Gülcher in de gemeenteraad aan wat de zojuist uitgebroken oorlog voor Hilversum meebracht. Na de mobilisatie kwamen er zes- tot zevenduizend militairen naar het dorp. Voor hen werden de scholen ontruimd. Tegelijk vertrokken op 1 augustus 1914 950 mannen uit Hilversum ‘onder wie zeshonderd hoofden van gezinnen’ om onder de wapenen te komen. Natuurlijk betaalden hun werkgevers de lonen niet door. De burgemeester ging er prat op dat de gemeente al na vijf dagen geld aan de achterblijvende gezinnen kon uitbetalen.

De gemeente nam de zorg op zich dat er in de winter 1914/’15 voldoende levensmiddelen en brandstof zouden zijn. Er was nog een voorraad steenkool om de gasfabriek enkele maanden aan de gang te houden. Of er nog nieuwe aanvoer zou komen, was onzeker. Daarom drong het gemeentebestuur er bij de burgers op aan zuinig te zijn met gas. Het gaf het goede voorbeeld door de straatverlichting (gaslantaarns) te verminderen.

Het gemeentebestuur kocht voor ƒ 56.000 tarwemeel in. Op 30 mei 1916 besloot de gemeenteraad een tijdelijk levensmiddelenbedrijf (later ‘distributiebedrijf’ genoemd) in te stellen. In 1917 werd daar een arts aan toegevoegd, in 1918 nog twee. Pas in 1921, drie jaar na het eind van de oorlog, hief de raad dit bedrijf op.

De gemeente deelde aan ‘behoeftigen’ niet alleen brood, melk, aardappelen en fruit uit, maar ook warm water, schoeisel, sajet (een soort breiwol), cokes, turf, briketten en takkenbossen. De gemeente berekende daarvoor een laag bedrag en wie ook dat niet kon betalen, kreeg alles gratis.

Op particulier initiatief was er in Hilversum een ‘centrale keuken’. Maar de gemeenteraad leek het zekerder als de gemeente daarover zeggenschap kreeg. Daartoe besloot de raad op 25 september 1917. Burgemeester en wethouders kregen de bevoegdheid de bestuursleden van de gaarkeuken te benoemen. In januari 1920 werd de instelling opgeheven.

Van 1914 tot 1920 verstrekte de gemeente ook voeding aan schoolkinderen. Vanaf 1 april 1920 was dit geen gemeentelijke taak meer: volgens de Leerplichtwet moest de landelijke overheid voeding en kleding verstrekken aan kinderen die daaraan behoefte hadden.

Alles bij elkaar heeft de gemeente in en direct na de eerste wereldoorlog meer dan 2,2 miljoen gulden aan ‘crisisuitgaven’ betaald.

Mevrouw K. Wagenfeld-Meijer (SDAP), gemeenteraadslid vanaf 1919.

Mevrouw C.H. Delfos-van der Linde (Economische Bond), raadslid vanaf 1919. Zij en mevrouw Wagenfeld waren de eerste vrouwelijke raadsleden in Hilversum.

Algemeen kiesrecht

In 1917 voerde Nederland het algemeen kiesrecht voor mannen (van 25 jaar en ouder) in. Het aantal kiesgerechtigden in Hilversum werd dientengevolge meer dan verdubbeld: tot 7.311 bij de raadsverkiezing van 22 mei 1919. Twee maanden later stemde het parlement ermee in dat ook vrouwen kiesrecht kregen. Wat de gemeenteraad betreft had dit voor de eerste keer effect in 1923. Er waren toen 16.697 Hilversumse vrouwen en mannen kiesgerechtigd.

In 1919 groeide de SDAP van één naar zes zetels. Dit ging ten koste van de liberalen die terugvielen van tien naar vier zetels. Voor het eerst kreeg een communist een zetel. De confessionele meerderheid bleef evenwel bestaan. De Rooms-Katholieke Staatspartij verwierf zes, de Anti-Revolutionaire Partij en de Christelijk Historische Unie kregen elk drie zetels; samen twaalf in een raad van 23 zetels.

De liberalen hadden hun positie ernstig verzwakt door interne verdeeldheid. Er deden maar liefst vier liberale partijen aan de raadsverkiezing mee. De oude vrijzinnige partij verloor al haar vier zetels. De Vrijzinnig-Democraten en de Liberale Unie kregen elk één zetel, de Economische Bond twee. De ‘linkse’ (niet-confessionele) partijen, samen goed voor elf zetels, waren ideologisch te verdeeld om gezamenlijk een vuist te maken.

Weliswaar hadden vrouwen bij de gemeenteraadsverkiezing van 22 mei 1919 nog geen actief kiesrecht, maar zij mochten voor het eerst wel gekozen worden. En dat gebeurde in Hilversum ook. Er kwamen twee vrouwen in de raad: mevrouw K. Wagenveld-Meijer (SDAP, echt- en partijgenoot van G.L.A. Wagenfeld die ook werd gekozen) en mevrouw C.H. Delfos-van der Linde (van de liberale Economische Bond). De Gooi- en Eemlander schreef de volgende dag over ‘een kapitalistische en een proletarische vrouw’. Onder de SDAP’ers die in 1919 hun intrede deden in de raad, was ook de latere wethouder D. Lopes Dias.

Aanvankelijk bleven de SDAP’ers ondanks hun spectaculaire winst buiten het college van Burgemeester en Wethouders. Zij bliezen nogal hoog van de toren, kwamen met een ‘urgentieprogramma’ en predikten de revolutie. Dat zagen de andere fracties niet zitten. Dus kwam er in 1919 een college met drie wethouders uit de confessionele fracties en één liberaal, B.H. Bakker (het enige raadslid van de Liberale Unie). De afdelingssecretaris van de SDAP rapporteerde aan het landelijke partijbestuur dat de partij geen wethouder mocht leveren "daar de kerkelijke fracties niet wilden ingaan op ons bekende urgentieprogram; zij wilden dat wij de revolutie zouden afzweren, het bekende smoesje als zij de meerderheid hebben".

Een jaar later al, toen ook landelijk de SDAP’ers iets van hun revolutionaire ideeën hadden ingeslikt, veranderde de situatie. Bakker verdween uit het college en de SDAP’er G.L.A. Wagenfeld. kwam erin, naast de twee anti-revolutionairen en de ene rooms-katholieke wethouder die hun functie behielden.

In 1923 (bij de eerste gemeenteraadsverkiezingen waarin vrouwen mochten stemmen) viel de SDAP terug naar vier raadszetels. Met dit verlies verspeelde de fractie haar wethouderszetel. De Vrijheidsbonder Bakker kwam terug; hij en drie confessionelen vormden het college. Maar in 1927 was de SDAP terug op zes zetels en daarmee ook weer in het college. De CHU verloor haar wethouderszetel. Het dagelijks bestuur bestond dus uit de burgemeester en een anti-revolutionaire, een rooms-katholieke, een sociaal-democratische en een liberale wethouder. Tot 1940 bleef de samenstelling van het college ongewijzigd.

Het was niet ongebruikelijk dat wethouders zeer lange tijd die functie vervulden. Pieter Kuijper Dzn. (ARP) bijvoorbeeld (geboren 5 december 1879, overleden 30 maart 1942) werd in 1917 raadslid en was wethouder van 13 april 1920 tot 15 juli 1941. Hij had de portefeuille Openbare werken en was daarmee direct verantwoordelijk voor de bouw- en uitbreidingsplannen. Hij was dus degene die gemeentearchitect Dudok letterlijk en figuurlijk de ruimte gaf voor zijn projecten.

David Lopes Dias

SDAP-wethouder was vanaf 1927 tot aan de oorlog D. Lopes Dias, een Amsterdamse schoenmaker die wegens zijn gezondheid naar Hilversum was verhuisd. Hij beheerde de portefeuille van Gemeentebedrijven. In de tweede wereldoorlog werd hij slachtoffer van de jodenvervolging door de nationaal-socialisten.

De SDAP had aan het eind van de jaren twintig en in de jaren dertig de sterkste aanhang onder de Hilversumse bevolking. De partij kreeg ruim 25 (in 1939) tot bijna 30 (in 1929) procent van de stemmen. De Rooms-Katholieke Staats Partij verwierf steeds ongeveer 20 procent, de CHU en de ARP elk ongeveer 12 procent. De drie liberale partijen (Vrijheidsbond, Vrijzinnig Democratische Bond en Liberale Staatspartij) kregen samen 15 tot 20 procent van de stemmen.

De nationaal-socialistische NSB deed in 1935 in Hilversum niet mee aan de gemeenteraadsverkiezingen. Een andere ultrarechtse partij, het Verbond Nationaal Herstel wel. Deze haalde één zetel. Bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1937 en bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten in 1939 kreeg de NSB in Hilversum ongeveer vijf procent van de stemmen.

Tussen twee wereldoorlogen

In de serie ‘Ons mooie Nederland’ beschreef D.J. van der Ven in 1921 ’t Gooi als ‘de zomertuin der Amsterdammers’. "Onze kinderen zullen ’t waarschijnlijk nog beleven dat ’t Gooi één reusachtig complex van woningen wordt".

Zo ver wilde het Hilversumse gemeentebestuur het niet laten komen. In 1929 concludeerde de gemeenteraad dat er te weinig arbeiderswoningen gebouwd werden. Dudok reageerde geschrokken: Hilversum is juist onderweg een fabrieksstad te worden en verliest daarmee het karakter als woonoord, zei hij. Wethouder P. Kuijper (ARP) ging daarop rekenen en concludeerde dat de verkoop van grond voor woningbouw afgeremd moest worden. Toch lieten de bestuurders Dudok forse uitbreidingen van de bebouwde kom teken. Maar er waren grenzen, gesteld door de natuur. Het uitbreidingsplan dat op 2 september 1933 de goedkeuring kreeg van de gemeenteraad, werd dan ook aangeduid als ‘Beëindigingsplan’: groter dan in dit plan getekend zou Hilversum nooit mogen worden. "Naïeve trots over stijgende bevolkingscijfers gaat meer en meer plaats maken voor het inzicht dat het menselijke geluk niet is gebaat door onmatige groei van steden en dorpen... We dienen niet meer uitsluitend te denken aan stadsuitbreiding; het wordt tijd dat wij ons gaan bezinnen op stadsvoltooiing", schreven B. en W. in hun toelichting. Het gemeentebestuur ging ervan uit dat Hilversum maximaal honderdduizend inwoners zou krijgen. Het ging de gemeente niet om dit aantal, maar om de beschikbare bouwgrond. Tot 1940 dacht het bestuur uitsluitend aan laagbouw. Pas na 1945 zouden gemeentebestuurders bedenken dat op dezelfde grond meer mensen konden wonen als in de hoogte werd gebouwd.

De gekozen raadsleden vonden het in die jaren allemaal wel goed wat de burgemeester en enkele ambtenaren bedachten. Hun instelling werd aardig geïllustreerd in een debatje in de raadsvergadering van 12 december 1938. De sociaal-democratische fractie verweet bij monde van Van der Heeg de andere fracties dat zij zo weinig initiatief toonden. Kindermann vertolkte de opvatting van de anderen: Ambtenaren kunnen de behoefte van de gemeente veel beter aanvoelen dan raadsleden. Initiatief ligt niet bij raadsleden, maar "bij B. en W. en de ambtenaren die deskundigen zijn en het eerst voelen waar de schoen wringt".

De gemeenteraad besloot op 26 juni 1923 tot de uitgifte van een omvangrijk gedenkboek ter gelegenheid van de naderende vijfhonderdste verjaardag van de gemeente: op 4 maart 1424 was Hilfersem gescheiden van Laren en een zelfstandige gemeente geworden. De bescheiden vieringen van de verjaardag van de gemeente werd in latere jaren opgeluisterd met inschrijvingen in het Gulden Boek van de gemeente: een boek waarin sinds 1955 de namen gekalligrafeerd werden van mensen die zich verdienstelijk hadden gemaakt voor Hilversum.

De tweede wereldoorlog

Hilversum heeft het in de tweede wereldoorlog (1940 tot 1945) niet erg getroffen met zijn bestuurders. De gemeente ging de oorlog in met een pro-Duitse burgemeester en zijn opvolgers waren overtuigde NSB’ers. Erg veel verschil maakte het niet voor de burgers. Ook in gemeenten met - aanvankelijk nog - ‘goede’ burgemeesters werden de regels van de bezetter met harde hand opgelegd. In het beste geval kon een burgemeester nog iets voor burgers bereiken, zoals burgemeester Boot - in de oorlog burgemeester in Wisch en Terborg, later burgemeester van Hilversum - beschreven heeft in zijn boek Burgemeester in bezettingstijd.

Burgemeester mr. dr. K.L.C.M.I. baron de Wijkerslooth de Weerdestein bereidde kort voor de Duitse inval de bevolking voor op mogelijke oorlogshandelingen. "De omstandigheid dat in deze gemeente geen afvoerkaarten zijn uitgereikt, heeft bij vele ingezetenen twijfel doen rijzen of er in Hilversum met de mogelijke afvoer van de burgerbevolking rekening moet worden gehouden", zo begon een door hem ondertekend geschrift van 15 april 1940, drie pagina’s vol aanwijzingen voor een eventuele evacuatie. "Als Nederland in een oorlog mocht worden betrokken, moet de bevolking in haar woonplaats blijven zolang de afvoer niet door de overheid wordt bewerkstelligd", schreef de burgemeester, die verder aangaf wat de burgers moesten meenemen bij een evacuatie: papieren (waaronder spaarbankboekjes en belastingbiljetten), kleding en uitrusting (‘indien aanwezig het gasmasker’), verband- en geneesmiddelen. Van de huisdieren mochten alleen de honden en de katten mee, gaf de burgemeester aan. De voorzorg bleek niet nodig: in de meidagen van 1940 werd Hilversum niet geëvacueerd.

Tijdens het burgemeesterschap van jhr. mr. E.J.B.M. von Bönninghausen verloren de gekozen raadsleden hun functie. Op 12 augustus 1941 hief A. Seys-Inquart, de Duitse zetbaas in Den Haag, alle gemeenteraden en gemeentelijke commissies op. Alle verantwoordelijkheid kwam bij de burgemeester te liggen. Hij stond onder controle van de ‘provinciale commissaris’ (de aanduiding Commissaris van de Koningin was afgeschaft). Zo werkte het Duitse ‘leidersprincipe’ op gemeentelijk niveau door.

In Hilversum golden uiteraard de regels die in heel Nederland van kracht waren; zoals het verbod om tussen middernacht en 4.00 uur (later: van 20.00 tot 06.00 uur) in de openlucht te zijn, de plicht woningen te verduisteren, de verplichting voor iedereen van veertien jaar en ouder om een persoonsbewijs bij zich te hebben en zo meer. De NSB-burgemeesters zagen erop toe dat de regels strikt werden nageleefd. Ook die inzake het inleveren van radiotoestellen en het vorderen van fietsen en kerkklokken.

Bij het uitbreken van de oorlog woonden in Hilversum zeshonderd joodse families. Toen de oorlog was afgelopen, waren er nog veertig over. Hilversum had al in de achttiende eeuw een joodse gemeenschap. Sinds 1789 beschikte deze over een synagoge. Al in 1940 nam Hilversum maatregelen tegen joodse inwoners. Op 21 augustus 1940 vroeg de burgemeester in een brief aan de schoolhoofden om een opgave van namen en adressen van joodse kinderen. Dezen mochten voortaan alleen joodse scholen bezoeken. Er rees nauwelijks protest, waarschijnlijk uit vrees voor de fanatieke burgemeester. In februari 1941 had Hilversum een landelijke ‘primeur’: burgemeester Von Bönninghausen bepaalde dat de toegang tot cafés en badhuizen voortaan voor joden verboden was. In januari 1942 werden tachtig joden met een Duitse achtergrond uit Hilversum naar Westerbork afgevoerd. In juni 1942 gaf de burgemeester de opdracht dat alle joden uit Hilversum naar Amsterdam moesten worden overgebracht. Hij wist zonder twijfel wat er daarna met hen zou gebeuren, maar dat was buiten zijn gezichtsveld. De Duitsers roofden de synagoge leeg. Wat er in het gebouw nog aan hout over was, verdween in de hongerwinter in de kachels van Hilversummers. (Na de oorlog werden de restanten van de synagoge gesloopt om ruimte te maken voor de uitvoering van het ‘structuurplan’).

De achtereenvolgende burgemeesters lieten zich veelvuldig voor Duitse karretjes spannen. Zo vaardigde burgemeester Fijn op 25 oktober 1944 het bevel uit dat alle mannen van zeventien tot vijftig jaar zich moesten melden in het Sportpark. Ze zouden worden ingezet voor graafwerkzaamheden.

Op 7 oktober 1942 werd het raadhuis gevorderd. Het werd het hoofdkwartier van de bevelhebber van het Duitse leger (Wehrmacht). Na de oorlog kreeg het zijn oude functie terug. In de tussentijd zetelde het gemeentebestuur in Gooiland.

Oppositie

In de negentiende eeuw kwamen de raadsleden uit de welgestelde klasse. Veel verschillen van inzicht heersten er onder hen niet, of zij nu rooms-katholiek, protestants of liberaal waren (de liberalen waren trouwens ook lid van een kerkgenootschap). Na de invoering van het algemeen kiesrecht kende de gemeenteraad fracties met verschillende politieke achtergronden. Dat bracht wel wat meer leven in de brouwerij, maar tot 1970 was er een vrij grote mate van eensgezindheid. Die werd in de hand gewerkt doordat tientallen jaren lang alle grote fracties een vertegenwoordiger in het college van Burgemeester en Wethouders hadden.

De ommezwaai kwam in 1970. PvdA, D66 en de voorlopers van GroenLinks vormden één oppositionele fractie, Progressief Hilversum. Dat leidde voor het eerst tot een harde en onafgebroken confrontatie in de gemeenteraad. Bij de besluitvorming stond Progressief Hilversum steevast tegenover de rest van de raad. W. de Groot, woordvoerder van PH, noemde later de getalsverhouding 14-23 spreekwoordelijk: veertien stemmen tegen, 23 voor, praktisch bij elk voorstel van B. en W.

Op 13 mei 1971 bracht burgemeester Platteel de raadsfracties bijeen in een poging de verhoudingen te verbeteren. Om aan te geven dat het geen raadsvergadering was, droeg de burgemeester zijn ambtsketen niet. Achteraf zei Platteel: "Het wederzijds schilderen van het beeld dat men van elkaar heeft, is naar mijn mening nuttig geweest, al moet ik wel zeggen dat het resultaat aan beide zijden doet denken aan ’t werk van de moderne portretschilder die zijn model pleegt af te beelden met het linkeroog ter hoogte van de navel en met een blote ronde groene buik".

N.J. Schiltmans herinnerde het zich haarscherp in 1991, terugkijkend op meer dan een kwart eeuw raadslidmaatschap, eerst voor de KVP, later voor het CDA. Er was in zijn beginjaren van oppositie weinig te merken. "De raadsleden vormden een gezelschap dat samen optrok. Het was zakelijker. Ook meer een erebaantje". Hij vertelde verder: "In Progressief Hilversum kwam het ongenoegen van de bevolking heel sterk tot uiting. Die lui deden aan niets mee: ze verzetten zich tegen alles... Na vier jaar hebben we tegen elkaar gezegd: dit nooit weer. De progressieven moeten mee achter de collegetafel. Ze moeten mee verantwoordelijkheid dragen".

Zo ging het ook: Progressief Hilversum kwam in 1974 in het college. Een belangrijk gevolg: de uitvoering van het structuurplan voor het centrum van Hilversum werd gestopt.

'Jan Nagel (25) als komeet aan politieke hemel'.
Onder deze kop bracht De Gooi- en Eemlander in maart 1965 het bericht dat de 25-jarige Vara-medewerker Jan Nagel bestuurslid van de Partij van de Arbeid was geworden. Het congres in Amsterdam had hem benoemd, hoewel hij met zijn felle uithalen 'heel wat congresgangers pijnlijke schenen' had bezorgd.

Maar het ongenoegen bleef bij een deel van de burgers. Nu de gevestigde partijen daarvoor niet meer de uitlaatklep konden zijn, sprong een nieuwe groepering in het gat: Hilversum 2000. Zeven zetels verwierf die bij de verkiezingen van 1990. Maar het bleek niet mee te vallen om als geheel nieuwe fractie, zonder enige ervaring, een weg te vinden in het raadswerk. Hilversum 2000 stelde de kiezers teleur en moest al bij de volgende verkiezingen, in 1994, zijn plaats afstaan aan een nog nieuwere groepering die inspeelde op het onbehagen bij een deel van de bevolking: Leefbaar Hilversum. De fractie van deze partij had evenmin raadservaring; maar zij werd gedomineerd door een VARA-coryfee, Jan Nagel, die een rijke ervaring had in de landelijke politiek. Al begin 1965 was hij - 25 jaar oud - gekozen tot landelijk bestuurslid van de PvdA, nadat hij in het partijcongres (volgens het verslag in De Gooi- en Eemlander) pittig kritiek had geleverd op partijleiding en partijdagblad Het Vrije Volk. Volgens de Gooise krant bezorgde hij daarmee heel wat congresgangers pijnlijke schenen, maar hij oogstte ook bijval. De krant herinnerde eraan dat Nagel ook voorzitter was van het Politiek Jongeren Contact ’t Gooi.

In een vraaggesprek dat De Gooi- en Eemlander in maart 1965 naar aanleiding van de benoeming in het PvdA-bestuur met Nagel had, noemde deze Hilversum ‘een dode stad’ en hij richtte zware verwijten tot het Hilversumse college van B. en W., dat de invoering van het tweede landelijke televisienet niet had aangegrepen ‘om de woningbouwzaak onder de neus van de publieke opinie te schuiven’. De verslaggever eindigde zijn artikel met de zin: "Men hoeft geen politieke koffiedikkijker te zijn om te voorspellen dat Jan Nagel ook in de ‘echte’ raad zijn stem nog eens zal verheffen". De voorspelling is uitgekomen, zij het pas na 29 jaar.

Na de raadsverkiezingen van 1998 leek het er even op dat Leefbaar Hilversum (met veertien zetels in de raad), doorgedrongen in het college van Burgemeester en Wethouders, het bestuur naar zijn hand zou gaan zetten. Maar het met steun van een raadsmeerderheid uitvoeren van constructieve plannen bleek een te zware opgave die bovendien het risico meebracht dat het deel van de bevolking dat structureel ontevreden is, bij de volgende verkiezingen ook Leefbaar Hilversum zou laten zakken. De fractie ging in de oppositie en daarmee was de situatie van de jaren 1970 tot 1974 praktisch terug.
Noot: in 2001 kwam er een eind aan het college waarin vrijwel alle fracties - maar niet Leefbaar Hilversum - een wethouder hadden. In het college dat in het voorjaar van 2001 gevormd werd, nam Leefbaar Hilversum de helft van de vier wethouderszetels in. Jan Nagel werd wethouder.

Informatie en inspraak

In de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw groeide bij de bestuurders het besef dat de burgers tenminste moeten weten wat er in het raadhuis omging. Het eerste blijk daarvan was de uitgave van Wij in Hilversum, een blad dat gratis huis aan huis werd verspreid. Doel was ‘bevordering van de burgerzin’. Het blad bevatte betrekkelijk weinig saaie, ambtelijke stukken en vele goed leesbare artikelen. Zo stond er in het nummer van 12 augustus 1959 een interessant verhaal over de oude Schapenkamp ‘op de plaats waar nu de Prins Bernhardstraat is’. Het ging over ‘bouwvallige woninkjes’ met ‘beestjes in huis’: ‘’t waren net koekelezaantjes’. Over die buurt: ‘voor bijna alle deuren een vette mestvaalt en iets verder houten gemakken voor gemeenschappelijk gebruik. Soms werd daarvan een loszittende plank weggebroken om daarmee de kachel te stoken, zodat dan moeilijk meer van een zitten in algehele afzondering gesproken kan worden".

Dit leverde een lange, kwade brief op van iemand die op de foto bij het artikel zijn ouders, zijn zus en zichzelf herkende. Zijn vader en hij werden overal aangesproken over het ‘wandgedierte’, de ‘koekelezaantjes’. "Edelachtbare, gelooft u mij, ik zak in de grond van schaamte’. ‘Edelachtbare, ik was nog een kind toen wij verhuisden en weet nog wel te herinneren van die diepe, diepe armoe die daar heerste. ’t Was ellendig , maar moet nu zo’n stuk worden geschreven dat de personen die daar woonden, zich voelen als vunzige paria’s?’.

Enkele jaren na de start van dit periodiek, in 1965 besloot de gemeenteraad tot de oprichting van de Stichting Hilversumse Gemeenschap (SHG). Doel van de - op 4 april 1966 officieel gestarte - stichting was door overleg en samenwerking tussen overheid en particulier initiatief bij te dragen aan een beleid, gericht op een evenwichtige ontwikkeling. Hiertoe werd sociologisch onderzoek uitgevoerd, opbouwwerk verricht en nieuwe projecten van de grond geholpen (zoals het project Sociaal Raadslieden en de Coördinatiecommissie Begeleiding Stadsvernieuwing). Later kwamen er nog andere projecten bij: het welzijnswerk voor woonwagenbewoners en de advisering over en begeleiding van de inspraak.

In de jaren zeventig startte de SHG de uitgave van een huis aan huis verspreid weekblad, HIK (Hilversumse Informatie- en Kommunicatiekrant). Het blad had twee functies. Alle officiële gemeentelijke berichten verschenen erin en verder kon iedere Hilversumse burger erin schrijven over ieder onderwerp dat met Hilversum te maken had. Aanvankelijk maakten vooral mensen met heftige onlustgevoelens - bijvoorbeeld uit de krakersbeweging - gebruik van die mogelijkheid, wat in de CDA-fractie leidde tot afkeer van het blad. Totdat het CDA een geestverwante journalist vond die in het bestuur van HIK wilde gaan zitten en later - gekozen tot raadslid - veelvuldig in het blad schreef.

Kort voordat HIK in de brievenbussen kwam, had de gemeente - na vele aarzelingen in het college van B. en W. - besloten een gemeentevoorlichter te benoemen.

Ook verder groeide de betrokkenheid van bestuurden vanaf 1970. De gemeenteraad besloot op 12 november van dat jaar dat de commissievergaderingen (ter voorbereiding van de vergaderingen van de gemeenteraad waar de besluiten vallen) soms openbaar zouden worden: alleen ‘als een onderwerp zich daartoe leent’. Een raadscommissie zou zelf mensen kunnen uitnodigen om hun standpunt met betrekking tot aan de orde zijnde onderwerpen te geven; maar de commissies konden ook besluiten dat iedereen zijn zegje zou kunnen doen.

Algemene regel was dit nog niet. De raad vond dat de openhartigheid van raadsleden beter gediend was met besloten vergaderingen. Bij zijn afscheid als burgemeester schilderde Platteel in de raadsvergadering van 26 augustus 1976 vooral nadelen van openheid en openbaarheid "die tot tijdrovende verantwoording en verklaring van voornemens noopt" en die leidt tot de noodzaak zich grondig in onderwerpen te verdiepen alvorens aan het ‘discours’ deel te nemen. Beide hebben volgens hem niet bijgedragen tot ‘vertrouwen in elkaar’: "Het gevaar groeit dat een groot deel van het politieke leven door wantrouwen wordt gevoed".

Pas in de jaren tachtig van de twintigste eeuw voerde het gemeentebestuur een beleid van communicatie, openheid en inspraak in. Openbaarheid van commissievergaderingen werd regel en bij belangrijke onderwerpen ging de gemeente aparte inspraakbijeenkomsten beleggen. In raadsvergaderingen werd merkbaar dat de vox populi aan invloed won.

In de jaren negentig sloeg de gemeente nieuwe wegen in. De SHG, waarover het gemeentebestuur weinig te vertellen had, werd buiten spel gezet. (De gemeente had niet de bevoegdheid de stichting op te heffen; in 2000 was de SHG nog steeds in liquidatie). De gemeente ging zelf de inspraak organiseren. Nadat HIK was verdwenen, kocht de gemeente een wekelijkse pagina in het huis-aan-huisblad De Gooi en Eembode, waarop het gemeentebestuur zijn boodschappen kwijt kon zonder dat deze gemengd werden met meningen van burgers.

Van de weeromstuit verrezen in vele Hilversumse wijken buurt- en wijkverenigingen, soms als reactie op gemeentelijke plannen, soms ook met als doel een buurt die geteisterd werd door inbrekers, beter te beveiligen.

"Gestapelde woningen". Voor de tweede wereldoorlog kende Hilversum die niet; na de oorlog werden ze gebouwd om te voorzien in de enorme vraag naar woningen. Deze foto is genomen in de Jacob van Campenlaan.

Woningen, woningen, woningen

In de crisisjaren voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog stonden in Hilversum - zoals in vele Nederlandse gemeenten - woningen leeg, zoals W. van der Schaft, vele jaren hoofd van het gemeentelijke huisvestingsbureau, in 1967 getuigde. Velen zouden wel een eigen woning willen huren, maar hadden daar het geld niet voor en huisden dus maar ergens op een zolderkamer.

Direct na de oorlog sloeg de situatie om. Wethouder Straalman-Kremer zei medio oktober 1946 dat er ‘duizenden en nog eens duizenden aanvragen voor woonruimte’ op het bureau Volkshuisvesting lagen ‘en er zijn zojuist zestig woningen aanbesteed’. Het college van Burgemeester en Wethouders kondigde aan, gebruik makend van een nieuwe wet, woonruimte te gaan vorderen van mensen die een deel van hun woning niet voor eigen gebruik nodig hadden. De gemeentelijke overheid kreeg in dezelfde jaren ook de bevoegdheid zich te bemoeien met de kwaliteit en de financiering van woningen en de verdeling van woonruimte.

Op oudejaarsdag 1946 noemde burgemeester Van Hellenberg Hubar in een interview hét probleem van 1947: "Huisvesting, huisvesting, huisvesting. Maar", voegde hij eraan toe, "dat mag niet ten koste gaan van het natuurschoon". En dat bleef tientallen jaren het uitgangspunt van het gemeentelijke beleid. Bij het afscheid van burgemeester Boot en bij dat van Platteel werden dezelfde drie problemen genoemd die het gemeentebestuur nog niet had weten op te lossen: de woningnood, een nieuw politiebureau en ‘het hygiënische aspect van loslopende honden’.

De vraag naar woningen was vanaf het einde van de tweede wereldoorlog tot in de jaren negentig groter dan het aanbod en het gemeentebestuur spande zich uitermate in om ‘de woningvoorraad’ te vergroten. Grote invloed op dit beleid had in de jaren zeventig en tachtig Nico Schiltmans, voorzitter/directeur van de rooms-katholieke woningbouwvereniging Sint-Joseph en fractievoorzitter van de KVP, later het CDA in de gemeenteraad; zeker in de jaren waarin zijn fractiegenoot dr. G.P. Freeman als wethouder de portefeuille volkshuisvesting beheerde. Het streven was elk jaar - in het jargon van de volkshuisvesters - zoveel mogelijk ‘woninkjes weg te zetten’. Het ging daarbij uitsluitend om (vooral ‘gestapelde’) woningen in de lage prijsklasse. De beter gesitueerden konden zichzelf wel redden, zo was de redenering. Dat mensen met een goede baan veelal hun woningen buiten Hilversum kochten en daarmee ook als klanten voor de middenstand verloren gingen, baarde het gemeentebestuur geen zorg.

Toen in Nederland na de eerste naoorlogse fase van wederopbouw en herstel van oorlogsschade weer mogelijkheden kwamen om nieuwe woningen te bouwen, vulde Hilversum zowel de Kerkelanden (agrarisch land dat eeuwenlang aan de kerk had toebehoord) als de Hilversumse Meent met kwalitatief goede woningen. Maar ook daarmee was nog niet aan de vraag naar huizen voldaan. Probleem was dat er geen grote lappen bouwgrond meer beschikbaar waren. Hilversum had nog wel veel onbebouwde grond, maar die was als natuurgebied beschermd. Omliggende gemeenten hadden meer ruimte. Dit leidde tot het besluit het hele Gooi als één woningmarkt te beschouwen, geleid door het bestuur van het gewest Gooiland (later uitgebreid tot ‘gewest Gooi- en Vechtstreek’). Het gewest kreeg aanvankelijk ruime bevoegdheden, maar de betekenis ervan brokkelde in de jaren negentig van de twintigste eeuw sterk af.

Werkgelegenheid had tientallen jaren lang weinig aandacht. Er kwamen elke dag enkele duizenden mensen meer van elders naar Hilversum om hier te werken dan er Hilversummers naar elders togen voor hun dagelijkse werk. In de jaren zeventig en tachtig was dan ook het streven werkgelegenheid te ruilen voor woningen: waar bedrijven verdwenen, werden appartementencomplexen opgetrokken. Zelfs de omroep stond niet in hoog aanzien: sommige gemeentelijke bestuurders zagen die graag naar Almere in het nieuwe land vertrekken, zodat op de plaats van de studio’s woningen opgetrokken konden worden. Enkele aan de omroep verwante bedrijven hebben zich inderdaad in Almere gevestigd; maar in de studiocomplexen hadden de omroeporganisaties zoveel geïnvesteerd dat vertrek uit Hilversum wel door enkele is overwogen, maar niet gerealiseerd.

Pas omstreeks 1990 kreeg het gemeentebestuur weer oog voor het belang van werkgelegenheid in Hilversum. Wethouder mr. Bert Meulman kreeg veel applaus toen hij erin slaagde het Europese hoofdkwartier van het Amerikaanse bedrijf Nike naar Hilversum te halen. Op het voormalige sportterrein dat de naam Arena kreeg, kwamen meer bedrijven die met gejuich werden ingehaald.

De naoorlogse modernisering

Hilversum moest uitgroeien tot een moderne stad. Dat vonden de burgemeesters en andere bestuurders in de twee decennia na het einde van de tweede wereldoorlog. Gedacht werd aan nieuwe wijken op plaatsen waar in 1945 nog de hei bloeide en de koeien graasden. Maar ook het centrum, met een wel erg dorps karakter, moest op de schop. Stadsarchitect Dudok begon al te tekenen tijdens de oorlogsjaren toen er verder toch weinig werk voor hem was. In 1946 lekte een plan uit om nagenoeg het hele centrum af te breken en te vervangen door een Amerikaans aandoend stadshart. Burgemeester Van Hellenberg Hubar bevestigde in de gemeenteraad dat de gedachten in die richting gingen. Burgemeesters Boot stelde in 1956 in het eerste nummer van het gratis huis aan huis verspreide blad Wij in Hilversum met voldoening vast: "Een gemeente die in een halve eeuw is uitgegroeid van een eenvoudig heidedorp tot een gemeente die in vele opzichten een stukje stedelijke allure heeft gekregen".

Het plan uit 1946 moest nader vorm krijgen. Vele jaren werd gedokterd aan een ‘structuurplan’. De Rotterdammer jhr. ir. J. de Ranitz die daarvoor van de gemeente de opdracht kreeg, zei in 1962: "Ik zie voor Hilversum grote gevaren wanneer men de groei van de gemeente met geweld wil tegenhouden. Natuurlijk moeten hier geen nieuwe industrieën gevestigd worden, maar het stopzetten van de woningproductie is voor Hilversum funest... Zonder ruimte kan verpaupering niet uitblijven".

Die gedachten werden weerspiegeld in het ‘stedenbouwkundig ontwikkelingsprogramma’ dat de gemeenteraad op 7 juni 1962 met algemene stemmen aanvaardde. De burgemeester kondigde bij die gelegenheid aan dat voor 1970 alle industrieën uit de binnenstad verdwenen moesten zijn.

De gemeenteraad had ook aandacht voor de cultuur en ook op dit terrein was het allermooiste nauwelijks goed genoeg voor Hilversum. In 1961 besloot de gemeenteraad een cultuurcentrum te stichten, waarin alle mogelijke culturele activiteiten ondergebracht zouden worden: het Goois Museum, expositieruimten voor schilderijen en beeldhouwwerken, een archeologische afdeling, een aula voor muziekuitvoeringen en lezingen, avant-gardetoneel en nog veel meer. In het gebouw dat tegenover de raadhuisvijver zou verrijzen, zou ook een café-restaurant worden ondergebracht.

In 1969 maakten Burgemeester en Wethouders een ontwerp-structuurplan openbaar. "Er is visie en durf nodig", schreef redacteur S. Stokvis in januari 1970 in Wij in Hilversum. "Stadssanering vraagt om een samenspel van overheid en burgerij". En hij schilderde hoe het allemaal zou worden:

‘Stelt u zich voor dat u in het jaar 2000 met een helikopter boven Hilversum zou vliegen, uw hoofd buiten boord zou steken en naar beneden kijken... Is dat de Groest met zijn kastanjebomen, fabrikeurswoningen, cafeetjes, winkeltjes, kleine huisjes? Waar zijn de dorpse Leeuwenstraat, het klein-provinciale Stationsplein, de Biersteeg en de Spuisteeg gebleven? Waar het oude kerkhof, de vele scholen, de oude weverijen? We zoeken er tevergeefs naar. Niet langer nauwe straatjes... maar een moderne binnenstad, planmatig van opzet, met hoogbouw, brede boulevards, forse snelwegen, parkeergarages en een veilig wandelgebied’.

Een onderdeel van het structuurplan was de aanleg van een ‘binnenringweg’, een vierbaans autoweg rondom het centrum. De aanleg van het eerste kwart van de weg is kort na 1970 uitgevoerd: van het station tot Gooiland. Daarvoor verdwenen een hele woonbuurt alsmede rooms-katholieke scholen bij de Sint-Vituskerk.

Voor het tweede deel (van Gooiland tot de Kerkbrink) kocht de gemeente alle panden aan de noordzijde van de Langestraat aan: deze zouden verdwijnen om de gewenste verbreding mogelijk te maken. Aan de Kerkbrink moest onder andere het oude raadhuis verdwijnen.

De parkeergarage aan het Noodse Bosje werd zo aangelegd dat deze aan het noordelijke deel van de ringweg zou komen te liggen. De parkeergarage staat er inderdaad, maar de makkelijke toegang is er niet gekomen. Want in 1974 kwam de omslag. De raad besloot Progressief Hilversum een plaats te geven in het college van Burgemeester en Wethouders. Daarbij moest wel de eis van PH worden ingewilligd: stopzetting van de uitvoering van het structuurplan.

Achteraf zal menigeen daar dankbaar voor zijn: vele oude panden en buurtjes werden gespaard en daarmee bleef iets van het karakter van het oude ‘schapendorp’ behouden. Maar er zat ook een negatieve kant aan. Het gemeentebestuur had niet meer de moed aan de toekomst te denken, behalve waar het ging om de bouw van ‘woninkjes’. En ook projectontwikkelaars zonder wie in nieuwbouw in het centrum niet geïnvesteerd werd, keerden Hilversum de rug toe: het gemeentebestuur was niet te vertrouwen.

Gevolg was dat er nog wel panden afgebroken werden, maar er kwam meestal niet meer voor in de plaats dan parkeerterreinen. Pas omstreeks 1990 durfde het gemeentebestuur - met enkele jonge, energieke wethouders - aan het inhalen van de achterstand van twee decennia te denken. In 1992 nam de gemeenteraad het plan Binnenstad Beter aan en er kwam ook een veelomvattend plan om de wegen geschikt te maken voor het intensieve verkeer.

Kort voor 2000 werd het in het centrum inderdaad voor iedereen zichtbaar dat Hilversum weer aan zijn toekomst durfde te werken. Symbolisch was dat het beruchte ‘gat aan de Kerkbrink’ gedicht werd.

Het gemeentebestuur liet het daar niet bij. In juli 1999 presenteerde het college van Burgemeester en Wethouders een ‘integrale toekomstvisie’ met de titel Hilversum 2015. Het plan is - zo staat in de inleiding - voortgekomen uit de constatering dat Hilversum een fors aantal sterke kanten heeft, maar ook een aantal hardnekkige onevenwichtigheden: een sterk dalend inwonertal (hoewel het aantal woningen is toegenomen van 26.700 in 1964 naar 37.000 in 1999), een onevenwichtige bevolkingssamenstelling (‘de middelste leeftijd- en inkomensklasse dreigt te verdwijnen door ontbrekende passende huisvesting’) en de groeiende automobiliteit die zorgt voor toenemende bereikbaarheidsproblemen. De gemeenteraad sprak uit ernaar te streven het evenwicht terug te brengen.

Het streven is volgens de toekomstvisie gericht op 82.000 inwoners in 2015, 46.000 arbeidsplaatsen (waarvan vele in de multimediasector), een breed scala op elkaar afgestemde vervoerswijzen, een verrassende mengeling van jonge monumentale gebouwen en beeldbepalende moderne architectuur en een groene gordel om Hilversum heen.

De Hilversumse bevolking kreeg in 1999/2000 ruim de gelegenheid zich over deze visie uit te spreken. Of het de gemeentebesturen van na 2000 zal lukken het ideaal te verwezenlijken zal er vooral van afhangen of zij erin slagen een ruime meerderheid van de bestuurden achter de plannen te krijgen.

Burgemeesters

Sinds de instelling van het ambt in 1825 heeft Hilversum zeventien burgemeesters gehad. Vanaf 1851 kiest de bevolking de gemeenteraadsleden. De raad kiest op zijn beurt de wethouders die samen met de burgemeester het dagelijks bestuur, het college van Burgemeester en Wethouders vormen. Maar na anderhalve eeuw is de weg om burgemeester te worden nog steeds dezelfde als voor 1851: via een koninklijk besluit.

Hilversum heeft in de negentiende en twintigste eeuw enkele burgemeesters gehad die uit de kring van plaatselijke bestuurders voortkwamen (J.C. Gülcher, mr. P.J. Reymer). Maar de meesten kwamen van elders. Velen sloten hier een bestuurlijke carrière af. Een halve eeuw lang, van 1873 tot 1922, kwamen de burgemeesters van Hilversum uit liberale kring (J.E.C. Schook, J.C. Gülcher en mr. dr. M.S. Koster). Daarvoor (W. de Wit Gzn.) en daarna (mr. P.J. Reymer, J.M.J.H. Lambooy en mr. J.A.G.M. van Hellenberg Hubar) was het burgemeestersambt in handen van leden van de Rooms-Katholieke Staatspartij. Ook de oorlogsburgemeesters mr. dr. K.L.C.M.I. baron de Wijkerslooth de Weerdesteyn en jhr. mr. E.J.B.M. von Bönninghausen waren rooms-katholiek, maar zij waren niet lid van een democratisch ingestelde partij.

Vanaf het midden van de twintigste eeuw was het burgemeesterschap van Hilversum tientallen jaren lang weggelegd voor iemand uit de Anti-Revolutionaire Partij, na 1980 - toen deze partij samensmolt met CHU en KVP - uit de ARP-bloedgroep van het CDA (J.J.G. Boot, dr. P.J. Platteel, mr. W.R. van der Sluis en J.G. Kraaijeveld-Wouters). Aan dit gebruik kwam een eind onder het eerste ‘paarse’ kabinet-Kok, toen eind 1997 de D66'er E.C. Bakker, tot dan wethouder in Amsterdam, benoemd werd tot opvolger van mevrouw Kraaijeveld.

Van de burgemeesters die na De Wit kwamen, zijn enkelen nog steeds bekend, vooral doordat een straat of laan naar hen is genoemd.

Bernardus Andriessen, geboren in 1782, werd in 1816 schout in Hilversum. In 1825 werd in Nederland het ambt van burgemeester ingesteld en Andriessen werd de eerste burgemeester van Hilversum. Hij bleef dit tot 1850. Dit schilderij is gemaakt door Rienk Jelgerhuis.

De eerste burgemeester van Hilversum was B. Andriessen, die daarvoor (vanaf 1816) in Hilversum een vergelijkbare functie, die van schout, had vervuld. (Andriessen woonde op de hoek van de Kerkstraat en de tegenwoordige Schoutenstraat. Deze laatste straat is naar zijn ambt genoemd. Omdat zijn naam daarin niet tot uitdrukking kwam, is later een zijstraat van de Albertus Perkstraat Burgemeester Andriessenstraat genoemd).

Als opvolger van de eerste burgemeester kwam op 3 april 1850 W. de Wit Gzn. Hij hanteerde als eerste de voorzittershamer in een gekozen gemeenteraad. Na tien jaren vroeg hij aan de Koning ontslag ‘uit hoofde van gevorderde jaren’. Dit werd verleend per 1 januari 1861.

Zijn opvolger, J. Alberti, burgemeester van 13 maart 1861 tot 21 september 1873, heeft weinig sporen nagelaten in Hilversum. J.E.C. Schook (leefde van 1821 tot 1909, was burgemeester van 2 december 1873 tot 1 mei 1898) publiceerde in 1895 het boekje ‘Een stukje dorpsgeschiedenis van Hilversum 1766 - 1882' dat de tekst bevatte die hij dertien jaar eerder had uitgesproken bij de opening van het verbouwde raadhuis op de Kerkbrink.

J.C. Gülcher (leefde van 1851 tot 1933, was burgemeester van 10 juni 1898 tot 1 oktober 1915) kwam voort uit de Hilversumse bevolking. Hij was van 1887 af raadslid en van 1889 ook wethouder geweest voordat hij tot burgemeester werd benoemd.

Mr. Paul J. Reymer (burgemeester van 6 maart 1922 tot 10 augustus 1929), geboren op 11 april 1882 in Renkum, was sinds 1910 advocaat in Hilversum. Van 1914 was hij raadslid en wethouder (Sociale Zaken) geweest, sinds 1918 ook Tweede-Kamerlid. De benoeming tot burgemeester stemde het Nieuwsblad Vooruit niet vrolijk: ‘Mr. Reymer heeft het er in zijn wethouderschap nu juist niet op aangelegd zijn politieke tegenstanders voor zich in te nemen. Herhaaldelijk heeft hij getracht een zaak te winnen door zijn tegenstanders belachelijk te maken of minder serieus te behandelen". Reymer zag kans met zijn toespraak bij de installatie alle argwaan weg te nemen. Hetzelfde blad was daags na de installatie ronduit enthousiast.

Na zijn vertrek uit Hilversum werd hij minister van Waterstaat. In deze functie nam hij in mei 1930 het ‘Omroepbesluit’ waarbij de ‘algemene’ AVRO en de NCRV, de KRO en de VARA gelijke rechten kregen. Daarmee legde hij de grondslag voor het Nederlandse omroepbestel dat tot na 2000 zou standhouden. In een extra uitgave van De Omroepgids huldigde de NCRV de oud-burgemeester van Hilversum als ‘de man die ons recht deed’.

J.M.J.H. Lambooy (leefde van 1874 tot 1942, was burgemeester van 21 oktober 1929 tot 1 januari 1940) was een in Maastricht geboren militair van rooms-katholieken huize. Op 4 augustus 1925 verliet hij als majoor der infanterie de landmacht om de volgende dag minister van Oorlog en Marine in het kabinet-Colijn te worden. Direct nadat het ministerschap achter de rug was, werd hij benoemd tot burgemeester van Hilversum, door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken mr. Chr.J.M. Ruijs de Beerenbrouck gekenschetst als ‘het neusje van de zalm’. Van hem werd gezegd dat hij uitmuntte door zijn warme medeleven met mensen uit alle lagen van de bevolking, zijn strikte rechtvaardigheid en onpartijdigheid.

Mr. dr. K.L.C.M.I. baron de Wijkerslooth de Weerdesteyn, met wie Hilversum de oorlog inging, was op 1 februari 1940 tot burgemeester benoemd. Hij zei rechtstreeks af te stammen van Willem de Zwijger en was ervan overtuigd dat niet Duitsland de grote vijand was, maar Engeland dat streefde naar wereldheerschappij. Het oude democratische systeem had volgens hem afgedaan. De nieuwe Duitse orde was goed, meende hij. In een toespraak voor de Hilversumse draadomroep noemde hij Adolf Hitler een genie. Het lijkt achteraf opmerkelijk dat het kabinet-De Geer iemand met dergelijke opvattingen het ambt van burgemeester in een middelgrote gemeente toevertrouwde. Maar met die ideeën kwam hij pas vanaf juni 1940 voor de draad.

De Wijkerslooth richtte kort na het begin van de Duitse bezetting een partij op, De Nationale Eenheid, nam ontslag als burgemeester en liet op 6 juli 1940 in een pamflet (oplage: 400.000 exemplaren) weten dat hij de leiding van het Nederlandse volk op zich had genomen. Zijn proclamatie las hij aan de verbijsterde gemeenteraad voor waarna hij het Wilhelmus zong en naar Maastricht vertrok om niet meer terug te komen. Tot zijn diepe teleurstelling erkende evenwel vrijwel niemand hem als leider (hij kreeg uit heel Nederland niet meer dan vijfhonderd steunbetuigingen) en niemand meldde zich aan als lid van zijn partij. Bovendien hoorde hij in Maastricht dat zijn verloofde de relatie had verbroken. Hij meldde zich toen maar aan als lid van de NSB, voegde zich in 1942 bij de SS en vertrok naar het ‘oostfront’ om met de Duitsers tegen de Russen te vechten. Formeel eindigde zijn burgemeesterschap op 11 juli 1940.

De rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied, dr. Arthur Seyss-Inquart, benoemde op 16 september 1940 jhr. mr. E.J.B.M. von Bönninghausen tot burgemeester van Hilversum. De ongetrouwde Von Bönninghausen (geboren 26 juli 1900) was advocaat in Enschede en Eerste-Kamerlid voor de NSB. In een interview, gepubliceerd in De Telegraaf van 27 september 1940, zei hij onder andere: "Het Nederlandsche volk gaat eindelijk leeren, dat het een eenheid vormt en moet vormen. Aan die eenheid wil ik in Hilversum al mijn krachten geven". Het benoemingsbesluit was in het Duits. Von Bönninghausen werd op 30 september in Amsterdam beëdigd. Het Departement van Binnenlandse Zaken deelde dit achteraf in een kort briefje aan de Hilversumse raad mee. De benoeming ging in op 1 oktober 1940. Lang hield hij het in Hilversum niet uit: tot 13 december 1943. Toen werd hij burgemeester van Tubbergen. Daar volgde hij zijn broer Egon L.M.T.J. von Bönninghausen op. Deze was geruime tijd tevoren aan het front in Rusland gestorven. Sindsdien was de burgemeester meer in Overijssel dan in Hilversum, naar hij meldde om de zaken van zijn broer af te handelen. Op 24 november 1943 schreef hij een kwaad briefje aan de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken: "Door dezen verzoek ik u mij per ommegaand mee te delen welke zaken, het bestuur van Hilversum betreffende, in den vervolge rechtstreeks door u met mijn ambtenaren achter mijn rug om behandeld zullen worden en welke op de hiërarchische weg met mij". Hij voegt eraan toe dat hij al acht maanden eerder om ontslag heeft gevraagd. "Het ware juister geweest dit ontslag te bevorderen, dan mijn gezag hier op slinksche wijze te ondermijnen en mij hier onmogelijk te maken". Bij zijn vertrek wenste hij van slechts weinigen persoonlijk afscheid te nemen. Wel van de Wehrmachtsbefehlhaber in den Niederlanden die op het raadhuis in Hilversum zetelde. Op 16 december 1943 betaalde hij aan de gemeente Hilversum ƒ 3,40 terug voor de ‘door mij overgenomen vloeilegger van mijn bureau".

Het naoorlogse gemeentebestuur was niet tevreden met deze terugbetaling. Het wilde meer. Op 18 november 1946 vroegen B. en W. aan een notaris in Tubbergen uitgaven terug te vorderen die Von Bönninghausen had gedaan en die niet in het belang van de gemeente waren. Het ging om het salaris van de NSB’er H. Stein, die zonder voorkennis van de directeur van Publieke Werken was benoemd tot opzichter publieke werken. "De benoemde, die voorts nog lid was van de Waffen-SS, was niet terzake kundig en voor het bekleden van het ambt van opzichter volkomen ongeschikt". Ook de benoeming - zonder overleg met diensthoofden - van een zekere W.A. van der Sluis bij de plantsoenendienst en van iemand van de Waffen-SS bij het abattoir waren ‘een volkomen mislukking’.

De NSB’er G.J.H. Fijn, eerder burgemeester van Egmond aan Zee en Egmond Binnen en tijdelijk ook van Bergen aan Zee, was burgemeester van Hilversum van 13 december 1943 tot 6 mei 1945. Voor zijn installatie op 12 februari 1944 kreeg hij 8 bonnen, elk voor één rantsoen koffiesurrogaat, 8 bonnen elk voor één rantsoen taptemelk en 4 bonnen, elk voor een halve portie suiker. "Tot mijn spijt is het mij niet mogelijk U hiervoor ook nog broodrantsoenen te verstrekken", schreef de directeur van het Centraal Distributiekantoor hem.

Fijn vroeg ‘de majoor-commandant van politie’  Gooiland - het gebouw waar het gemeentebestuur zetelde sinds de Wehrmacht het raadhuis had gevorderd - nauwkeurig te inspecteren; ook de ruimten boven en onder de plaats waar de installatie zou plaatshebben "gezien de aanwezigheid van vele vooraanstaande gezagsdragers, de huidige omstandigheden en de aanslagen elders in den lande gepleegd".

B.H. Bakker, voor de oorlog wethouder, trad van 7 mei 1945 tot 31 maart 1946 op als waarnemend burgemeester. Hij was architect (onder andere bouwer van de kerk van de Nederlandse Protestanten Bond aan de Tesselschadelaan die in 2000 op de nominatie stond afgebroken te worden).

De eerste naoorlogse burgemeester, mr. J.A.G.M. van Hellenberg Hubar (geboren op 11 augustus 1896 in Tilburg) werd benoemd per 1 april 1946 en bleef in functie tot zijn plotselinge overlijden op 4 juni 1951. Hij was van 1923 tot 1933 raadslid en wethouder, vanaf 1934 burgemeester in Rijswijk geweest. Hij was ook van 1929 tot 1934 lid van de Tweede Kamer. Aan het begin van de oorlog hadden de Duitsers hem ontslagen als burgemeester van Rijswijk, maar direct na de oorlog was hij terug in het ambt. Hij was lid van de R.K. Staatspartij en onder andere bestuurslid van de KRO. Hij is de laatste burgemeester geweest naar wie een Hilversumse laan is genoemd.

Zijn plotselinge overlijden schokte velen. Op 4 juni 1951 had hij nog een koninklijke onderscheiding uitgereikt en in Amsterdam een vergadering van het Goois Natuurreservaat bijgewoond. ’s Avonds kwam zijn einde. In de rouwbijeenkomsten kreeg vooral zijn grote belangstelling voor het verenigingsleven aandacht. Hij was lid, erevoorzitter of beschermheer van niet minder dan twintig organisaties.

Burgemeester Boot
1902 - 2002

J.J.G. Boot (geboren 12 december 1902; overleden 20 januari 2002; burgemeester van Hilversum van 1 oktober 1951 tot 1 januari 1968) was al op z’n 28e verjaardag burgemeester van Winsum geworden. Later was hij achtereenvolgens burgemeester van Wisch en Terborg, van Ede en van Hilversum. Boot heeft zijn ervaringen uit de oorlogsjaren vastgelegd in het boek ‘Burgemeester in bezettingstijd’. Daarin vertelt hij dat Hilversum al in 1940 onder zijn aandacht is gebracht: de secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken dr. K.J. Frederiks adviseerde hem met de Commissaris van de Koningin in Noord-Holland te gaan spreken over de vacature-Hilversum. Het lokte hem niet aan: in Wisch is het ‘heerlijk burgemeesteren’ en "Hilversum heeft weinig karakter. Een forensengemeente. Een duiventil. In- en uitvliegend".

De praktijk bleek mee te vallen. "We hebben hier een leuke burgerij. Ik heb prachtige contacten gelegd", zei hij in een afscheidsinterview in Wij in Hilversum van januari 1968.

"Midden onder de mensen heb ik geleefd: weten wat de mensen denken, hun beweegredenen doorgronden, dat is mijn lust en mijn leven... Ik mag met voldoening zeggen dat in de Hilversumse raad op hoog niveau wordt gedebatteerd. We hebben hier een gemeenteraad met stijl". En verder: "Ons college streeft naar eenheid... men moet een gemeente realistisch besturen. In dit college weet men genuanceerd te denken. Het streven is de antithese die er dikwijls is, om te buigen naar een door allen verantwoorde synthese".

Dr. P.J. Platteel (geboren 14 augustus 1911, burgemeester van 16 mei 1968 tot 1 september 1976) was voor de oorlog opgeleid voor de Indische bestuursdienst. Na de oorlog was hij onder andere directeur van de sociale dienst van de gemeente Den Haag geweest. Op 1 mei 1958 werd hij gouverneur van het enige stukje van Indonesië dat toen nog door Nederlanders bestuurd werd en dat werd aangeduid als Nederlands Nieuw-Guinea. Toen ook dit gebied aan Jakarta werd overgedragen, moest Platteel daar op 22 september 1962 vertrekken. In hetzelfde jaar werd hij burgemeester van Ede, daarna van Hilversum.

Burgemeester W.R. van der Sluis en zijn opvolgster, burgemeester J.G. Kraaijeveld-Wouters.

Mr. W.R. van der Sluis (burgemeester van 16 maart 1977 tot zijn overlijden op 25 mei 1988) was de eerste professionele secretaris van de Anti-Revolutionaire Partij geweest. Hij trok voor heel wat spreekbeurten het land in. "Nederland bij nacht ken ik nu wel", zei hij bij het afscheid uit deze functie. Hij was tien jaar lid van Gedeputeerde Staten van Utrecht geweest voordat zijn benoeming in Hilversum afkwam. Hij vond de maatschappij verkild en het ergerde hem wanneer een afstand leek te ontstaan tussen burgerij en gemeentebestuur. Hij vertelde eens dat hij in zijn Hilversumse tijd meer dan tweehonderd toespraken per jaar hield. Hij wilde zich niet bemoeien met de inhoud van de portefeuilles van de wethouders, maar vond het wel zijn taak dat alles gesmeerd liep. Daarin slaagde hij: in zijn elf jaren zijn er nauwelijks conflicten in het college van Burgemeester en Wethouders geweest. Hij zou na zijn 65e verjaardag voorzitter van de ANWB worden. Maar het geplande afscheid op 31 augustus 1988 ging niet door: drie maanden eerder werd hij ten grave gedragen, niet uit een gereformeerde kerk, maar uit de r.k. Sint-Vituskerk aan de Emmastraat waar hij eens per jaar, eind december, de kansel beklom om tijdens de massale volkskerstzang uit het evangelie te lezen.

J.G. Kraaijeveld-Wouters (geboren 4 november 1932, geïnstalleerd op haar 56e verjaardag, afscheid op 27 november 1997) was voor haar benoeming onder andere staatssecretaris van emancipatiezaken en lid van de Tweede Kamer geweest.

E.C. Bakker (geboren in 1946 in Nijverdal, volgens kabinetsbesluit van 5 december 1997 per 1 februari 1998 benoemd tot burgemeester van Hilversum) was eerder onder andere beleidsadviseur bij Gedeputeerde Staten in Groningen, medewerker van de D66-fractie in de Tweede Kamer en raadslid en wethouder in Amsterdam geweest.

Het oude raadhuis op de Kerkbrink in Hilversum.
(Foto uit 1922).

Raadhuis

De zetel van het gemeentebestuur heeft de bestuurders de afgelopen anderhalve eeuw heel wat hoofdbrekens gekost. In de tweede helft van de negentiende eeuw gingen de bestuurders - werkend in het eeuwenoude Regthuis aan de Kerkbrink - serieus nadenken over een representatief raadhuis, passend bij de groeiende gemeente. Aanvankelijk gingen de gedachten uit naar de bouw van een nieuw raadhuis aan de Kerkbrink. Maar dat ging de financiële mogelijkheden te boven. Daarom steunde de gemeenteraad uiteindelijk het voorstel van gemeentearchitect J. Rietbergen om het Regthuis te verbouwen en uit te breiden. Op de eerste verdieping kon de raadzaal komen, op de zolder het gemeentearchief. Op de begane grond was dan voldoende ruimte voor een politiepost (met vijf cellen).

Op 17 mei 1882 opende burgemeester J.E.C. Schook het karakteristieke gebouwtje met een rede waarin hij de ontwikkeling van Hilversum sinds de Franse tijd schilderde. Hij greep de gelegenheid aan om zijn visie op de voortgang in de gemeente te schetsen. "De muren en balken van het oude raadhuis zijn gebleven als stevige grondvesten van het nieuwe", zei hij. "Geen haastige omverwerping van het oude alsof alleen het nieuwe goed ware, geen krampachtig vasthouden aan het oude alsof het nieuwe slechts ijdel spel der verbeelding ware, maar uit het oude... nog betere en frissere toestanden te voorschijn brengen’.

Aanvankelijk was het raadhuis groot genoeg. In 1901 telde de gemeentesecretarie niet meer dan zeven personeelsleden. Maar met de groei van het aantal inwoners werd het ambtenarenkorps groter. Al aan het begin van de twintigste eeuw rees de gedachte het raadhuis fors uit te breiden. In 1907 had het gemeentebestuur het idee een prijsvraag onder architecten uit te schrijven. Daar kwam het niet van. In 1915 trad Willem Marinus Dudok als directeur van Publieke Werken in dienst van de gemeente. Hij werd voldoende capabel geacht om de uitbreiding van het raadhuis aan de Kerkbrink voor zijn rekening te nemen. Hij begon al spoedig tekeningen te maken. Ook een gebouw aan de ’s-Gravelandseweg werd even overwogen. Maar Dudok voelde het meest voor de bestaande plek aan de Kerkbrink, ‘een knooppunt van verkeer’.

Toch ging de uitbreiding daar niet door: er was te weinig ruimte en het onteigenen van omliggende gronden zou te veel voeten in de aarde hebben. Daarom besloot de gemeenteraad op 19 maart 1918 tot de bouw van een geheel nieuw raadhuis. Maar daar was geen geld voor. In 1922 riep het gemeentebestuur een ‘raadhuisfonds’ in het leven, waarin ƒ 500.000,- werd gestort. Toen was de weg vrij voor volgende stappen. Op 31 juli 1923 kocht de gemeente het landgoed ‘Witte Hull’ aan de Oude Enghweg en de Koninginnelaan aan. In 1924 werden de bouwplannen van Dudok goedgekeurd. Dudok liet het gebouw aansluiten op de ‘omliggende tuinarchitectuur’. Hij vond dat het raadhuis als ‘opperste bestuursgebouw’ een representatief karakter moest hebben, maar ook een ‘machtig kantoorgebouw’ moest zijn.

Het raadhuis van Hilversum

Geldgebrek vertraagde de uitvoering van het plan. Het proces van besluit een nieuw raadhuis te laten bouwen tot ingebruikneming ervan duurde dertien jaren. Tien jaren na het besluit, in 1928 begon de feitelijke bouw. Daarna ging het tamelijk snel. In 1931 was het raadhuis klaar.

Dudok ontwierp niet alleen het gebouw, maar ook het interieur en de beplanting rondom het raadhuis. Hij lette meer een fraai uiterlijk dan op gebruiksgemak. In het huis aan huis verspreide gemeentelijke blad Wij in Hilversum van februari 1962 klaagde het raadslid mr. J. Derks: "De grote architect heeft alleen rekening gehouden met de schoonheid. Ter wille van die schoonheid zitten Hilversumse raadsleden in een volmaakte hoek van negentig graden". Hij voegde eraan toe dat de raadsleden ‘ter wille van hun geliefde Hilversum gaarne hernia riskeren’. Dezelfde stoelen waren in 2000 nog steeds in gebruik. Van hernia is nooit iets gebleken. Wel bekruipt Hilversumse raadsleden soms een gevoel van jaloezie wanneer zij elders - bijvoorbeeld in het moderne gemeentehuis van Almere - de raadzaal bezoeken en zien hoe comfortabel hun collega’s daar kunnen zitten.

Het oude raadhuis aan de Kerkbrink werd in 1934, nadat het nieuwe raadhuis was betrokken, ingericht als Goois Museum. Die functie bleef tot 1971. Toen verhuisde het museum naar de Vaartweg en de gemeente richtte in het oude raadhuis een gemeentelijk informatiecentrum in. In 1984 keerde het Goois Museum in het oude raadhuis terug.

Door verkeerde zuinigheid verwaarloosde de gemeente het onderhoud van Dudoks raadhuis in hoge mate. Bovendien bleek dat Dudok duurzaamheid had opgeofferd aan uiterlijke schoonheid. Zo liepen de regengoten niet aan de buitenkant van het gebouw, maar door de spouwmuren. Toen ze doorgeroest waren, leidde dat tot schimmelvorming en wateroverlast. De ijzeren spijlen van de ramen waren in de muren ingemetseld. Ook die roestten door. Ze konden alleen vervangen worden als grote stukken muur afgebroken werden.

Het raadhuis lag er vele jaren deplorabel bij. Totdat de gemeente op 24 oktober 1986 aan het architectenbureau van ir. T. van Hoogevest in Amersfoort opdracht gaf een restauratieplan op te stellen. In 1988 begon het herstel. Dat ging niet zonder horten en stoten. De restauratie moest zo’n dertig miljoen kosten. Cultuurminister mr. drs. L.C. Brinkman zegde in de tweede helft van de jaren tachtig toe fors te zullen bijspringen; maar zijn opvolger mevrouw drs. H. d’Ancona draaide het rijksbeleid 180 graden om en zei in 1990 geen cent meer te zullen betalen voor de restauratie van het raadhuis. Hilversum zat met de handen in het haar. Wethouder mr. Bert Meulman haalde zelfs de voorpagina van een landelijke krant met de suggestie het raadhuis maar in de verkoop te doen. Een gerenommeerd internationaal bedrijf zou er wellicht zijn Europese hoofdkwartier in willen vestigen, veronderstelde hij. Van de opbrengst zou een nieuw raadhuis gebouwd kunnen worden. Zo ver kwam het niet: een heftige lobby in Den Haag en eigen gemeentelijke inspanningen zorgden ervoor dat het geld voor het herstel er toch kwam. Toen de renovatie jaren later was voltooid, zagen vele Hilversummers voor het eerst hoe mooi het raadhuis werkelijk was.

(Dit artikel is geschreven begin 2000)

Terug naar het begin van deze pagina

 

Aantekeningen bij dit artikel

Raadszetels

Op grond van de Gemeentewet hangt het aantal raadsleden samen met het aantal inwoners van een gemeente. Na 1851, toen de Hilversumse raad negen leden telde, werden het er al spoedig elf, in 1872 dertien, in 1891 vijftien, in 1901 zeventien, in 1911 23 en in 1923 25. In 1958 waren het er al 37. Heel even kwam het aantal op 39, maar toen het inwonertal onder de 100.000 daalde, ging het aantal raadsleden terug naar 37. Daarop staat het in 2001 nog steeds.

Inwonertal

De afgelopen twee eeuwen groeide het aantal inwoners van Nederland fors; maar het inwonertal van Hilversum ging nog veel sneller omhoog. Tegen het eind van de twintigste eeuw vond een omgekeerde ontwikkeling plaats: het inwonertal liep gestadig terug.

In 1500 telde Hilversum ongeveer zeshonderd inwoners; in 1800 ongeveer 3.500;

in 1850    5.454;
in 1860    5.852;
in 1870    6.600;
in 1881    9.688;
in 1891   12.602;
in 1901   20.238;
in 1911   31.792;
in 1921   39.026;
in 1931   57.059;
in 1941   76.269;
in 1951   89.447;
in 1958   98.998;
in 1959  100.369;
in 1964  103.435;
in 1965  102.992;
in 1969  100.404;
in 1970   99.792;
in 1975   94.932;
in 1980   92.964;
in 1985   87.190;
in 1990   84.608;
in 1995   83.841;
in 1999   82.308;
op 1 januari 2001   82.773;
op 1 januari 2002 vermoedelijk boven de 83.000.

Het gaat hier om inwoners die ingeschreven waren in de burgerlijke stand. Maar in en direct na de tweede wereldoorlog kunnen er (veel) meer inwoners geweest zijn. Het dagblad Gooische Klanken maakte op 16 oktober 1946 melding van twintigduizend ‘clandestiene inwoners’ van Hilversum.

 

Minder schapen, meer tappers

In 1882, bij de opening van het raadhuis aan de Kerkbrink, schetste burgemeester J.E.C. Schook de ontwikkelingen in Hilversum die hem het meest frappeerden. Hilversum telde in 1807 nog 77 boerderijen, vertelde hij. In 1882 waren dat er nog maar 38. In 1866 waren er nog 1900 schapen binnen de grenzen van de gemeente, in 1881 slechts zeshonderd. (Schapen waren eeuwenlang van groot belang geweest voor Hilversum: ze leverden vlees, melk en wol die vaak in huisvlijt gesponnen werd en die de talloze weverijen draaiende hield; en bovendien leverden schapen de mest voor de boekweitvelden rondom Hilversum). Een stijging constateerde de burgemeester in het aantal herbergiers-tappers. In 1807 waren er 21, in 1882 niet minder dan 91.

Erfgooiers

Een opmerkelijke groep onder de inwoners van Hilversum vormden eeuwenlang de ‘erfgooiers’, agrariërs die al sinds de Middeleeuwen het recht hadden vee te weiden op de ‘meenten’, gemeenschappelijke gronden. In 1836 en in 1843 werden de Gooise gronden verdeeld tussen het Domein (staatsbezit) en de Vergadering van Stad en Lande, sinds 1629 de vereniging van de erfgooiers. In die tijd vielen de bestuurders van de gemeente (burgemeester en raden) vrijwel samen met de leiding van de erfgooiers. Tot 1861 waren de burgemeesters in de regio zelf ook erfgooiers. De gemeentebesturen behartigden dus de belangen van de erfgooiers.

Vanaf 1861 werden ook niet-erfgooiers tot burgemeester benoemd. Uit hoofde van die functie werden zij wel bestuurslid van Stad en Lande. In 1890 bepaalden de burgemeesters uit de regio dat alleen hen stemrecht toekwam in de Vergadering van Stad en Lande. De erfgooiers zagen dit als een bedreiging van hun belangen, mede omdat nog slechts één burgemeester van geboorte erfgooier was. De erfgooiers klaagden dat de burgemeesters de belangen van de rijke villabewoners behartigden en niet die van de boeren.

Het kwam tot een uitbarsting in 1899 toen Harmen Vos, erfgooier en onbezoldigd veldwachter, een haas schoot op een stuk hei dat verhuurd was aan koningin-moeder Emma. De vraag rees of de bestuurders wel de bevoegdheid hadden grond te verpachten aan een buitenstaander, daarmee een erfgooier het recht ontnemend daarop te jagen. De erfgooiers kwamen massaal in actie. Ze hielden protestoptochten, gewapend met seizen en hooivorken. De burgemeester van Blaricum riep in 1903 de hulp in van militairen om de regels inzake het drijven van vee naar de meenten te handhaven. Daarbij viel een dode: op 4 mei 1903 schoten soldaten de 22-jarige Larense erfgooiers Hendrik Smit neer.

Tegen Harmen Vos volgde een jarenlang proces dat nooit tot een uitspraak leidde. Wel ging de landelijke overheid zich ermee bemoeien. In 1912 aanvaardde het parlement de door minister mr. Th. Heemskerk ingediende Erfgooierswet en in 1913 benoemde de koningin E. Luden tot voorzitter van Stad en Lande. Hij hield deze functie tot zijn overlijden op 9 januari 1942. Hij bracht orde en liet ook de sterk verwaarloosde meenten opknappen.

In 1933 verkochten de erfgooiers 1524 hectaren bos. Dit leverde tweemiljoen gulden op. Bij de verdeling van dat geld meldden zich 2973 mannen, van wie nog geen driehonderd een boerenbedrijf hadden.

Sindsdien hadden de erfgooiers weinig invloed meer op het gemeentebestuur. In juli 1971 werd de Vergadering van Stad en Lande van Gooiland geliquideerd.

Het district Gooi en Eemland van de Communistische Partij Nederland (De Waarheid) vroeg in een beleefde brief van 22 maart 1948 aan B. en W. toestemming voor een optocht op 1 mei, met leuzen als 'Proletariërs aller landen verenigt u' en 'Hogere lonen, lagere prijzen'. De toestemming werd verleend.

Verzoeken aan het gemeentebestuur

Hilversummers wendden zich veelvuldig tot het gemeentebestuur als zij iets voor elkaar wilden krijgen.

Voor sommige dingen moesten zij dat wel als voor hun geplande activiteiten toestemming nodig was. Zo verzocht het district Gooi en Eemland van de Communistische Partij Nederland in een vriendelijke brief van 22 maart 1948 toestemming voor een optocht op zaterdag 1 mei. "Wij wensen in de optocht een propagandawagen met paardbespanning mede te voeren, voorstellende de kaart van Nederland met de volgende opschriften: "Scheepsbouw en scheepvaart van Nederland in eigen hand; Nederlandse boter voor het Nederlandse volk, Meer textiel voor het volk", enzovoort.

Enkele voorbeelden van verzoekschriften die het gemeentebestuur jaar in jaar uit ontving:

Op 27 oktober 1908 kwam in het raadhuis op de Kerkbrink een brief binnen, ondertekend door twintig bewoners van de ’s-Gravelandseweg, de Langestraat, de Emmastraat en de Soestdijkerstraatweg. Door het toenemende automobielverkeer hebben zij steeds meer last van een stofplaag. De gemeente probeerde dat te bestrijden door op warme, droge dagen de zandwegen te besproeien. Maar dat gebeurde niet op zondag ‘op welken dag juist het verkeer het drukst is’. ‘Alsdan maken groote stofwolken het ondergetekenden onmogelijk hunne ramen geopend te houden of van hun tuin te profiteeren, terwijl ook de vele wandelaars alle lasten ondervinden en met de bewoners in hun gezondheid ernstig worden bedreigd". Het verzoek is dus de wegen ook op zondagen flink te besproeien.

Op 16 oktober 1934 zonden enige tientallen marktkooplieden een brief waarin zij er bezwaar tegen maakten dat bij de verloting van vrije marktplaatsen ‘buitenlanders welke hier tijdelijk een of ander handeltje drijven, dezelfde rechten worden toegekend als aan ondergetekenden bonafide handelaren van Nederlandsche nationaliteit’.

Op 27 november 1940 vroegen vijftien bewoners van de Gijsbrecht van Amstelstraat en de Hilvertsweg een eind te maken aan de colportage van politieke weekbladen van de NSB. Bij de verkoop op de hoek van de Hilvertsweg en de Gijsbrecht deden zich herhaaldelijk opstootjes voor. De voorafgaande zaterdag was het handgemeen zo hoog opgelopen dat verscheidene personen werden gewond, aldus de briefschrijvers.

Ongeschikt voor meisjes

Op vrijdag 16 mei 1941 riep burgemeester Von Bönninghausen zes rectoren en directeuren van Hilversumse HBS’en, lycea en het gymnasium bijeen om advies. "De burgemeester zegt de bijeenkomst te hebben belegd omdat hij persoonlijk steeds van oordeel is geweest, dat het onderwijs aan de gymnasia, hogere burgerscholen en lycea niet geschikt is voor meisjes en hij het op prijs stelt daaromtrent het oordeel en de ervaring van bij uitstek deskundigen te vernemen", aldus het handgeschreven verslag van de bijeenkomst. De burgemeester kreeg geen voet aan de grond: alle directeuren en rectoren zeiden dat meisjes het op gymnasia minstens even goed doen als jongens. Bovendien, zo verzekerden zij, kon plaatselijk niet afgeweken worden van de landelijke regels.

Derde lustrum van het raadhuis

Op maandag 15 juli 1946 herinnerde het dagblad Gooische Klanken eraan dat precies vijftien jaar eerder het Hilversumse raadhuis was geopend. Ter gelegenheid daarvan publiceerde de krant het volgende sonnet van Jules Goossens:

Gebannen in de schaduw van zijn droomen
lag jaar na jaar de Witten Hull, een oord
van altijd fluisteren, als wilde een woord
dat klaarheid schiep de schemering ontstroomen.

Toen kwam Dudok, hij luisterde en vernam
dit ruischend woord, dat rond de stammen waarde,
dat strengen vorm aan milden vrede paarde
en in zóó’n evenwicht tot leven kwam,

dat hij dien droom moest bouwen tot een huis
voor vreedzaam overleg, voor wijs beraden
op ’t welzijn van de stad en ’t algemeen belang.

En waar de boomen vielen in gedruisch
over de schemering der kronkelende paden
verrees het Raadhuis als een steenen zang.

 

Amerikaans aanzien

‘Hilversum’s centrum krijgt ‘Amerikaans’ aanzien’, zo luidde de openingskop in het dagblad Gooische Klanken van dinsdag 30 april 1946. Onderkop: ‘Kernplan beoogt radicale wijziging van het stadsbeeld der Gooische hoofdstad’.

"Op de gemeentelijke bureaus is een groots plan ontworpen dat het oude Gooise ‘dorp’ dusdanig zal veranderen dat het centrum, door grote flats en brede boulevards, een Amerikaans aanzien zal krijgen", meldde de krant. Het plan was geheim, maar enkele dagen laten vertelde burgemeester Van Hellenberg Hubar in de gemeenteraad dat de weergave ervan correct was geweest.

De krant meldde dat al tien jaar eerder aan de opstelling van het plan was begonnen. Kennelijk was er vlijtig aan doorgewerkt in de oorlogsjaren toen de ambtenaren geen tijd konden besteden aan het realiseren van stadsuitbreidingen.

"Vooral de Kerkbrink, de Groest en het Stationsplein zullen radicaal worden gewijzigd", aldus het blad. Van de driehoek Kerkbrink-’s-Gravelandseweg-Oude Torenstraat zullen alleen de kerktoren en het gebouw van de Nederlandse Handelmij. blijven staan. Er zou elders een hervormde kerk worden gebouwd". De Kerkstraat zou worden verbreed, evenals de Heerenstraat die geflankeerd zou worden door ruime winkelpanden. "De Groest wordt een brede boulevard met een dubbele rijweg en van begin tot eind een plantsoen in het midden". Langs de Groest zullen flats verrijzen met in de benedenverdieping grote winkels, aldus de krant. De Kapelstraat zou worden verbreed en in het verlengde ervan zou een winkelstraat komen die parallel zou lopen aan de Groest. Ook de Havenstraat en de Vaartweg zouden worden verbreed. Er komen ruime winkelpanden aan, meldde de krant.

Terug naar het begin van deze pagina