Signalen uit de familie Glimmerveen

Colofon

Zeg nou zelf...

e-mail

Home

     

Markt bederft de omroep

door Henk Glimmerveen

Dit artikel is in 1997 geschreven op verzoek van het blad De Helling, een uitgave van GroenLinks. De redactie wist dat zij iemand benaderde die niet tot haar partij behoorde. Niettemin wilde ze het artikel graag hebben; maar uiteindelijk is zij er toch voor teruggeschrokken het te publiceren. Het is dus nooit afgedrukt, maar staat nu wel op internet.
Hier en daar zijn gegevens wat achterhaald (bijvoorbeeld over de omroepbijdrage). Maar het totaal vertolkt nog steeds de mening van de schrijver.

Het is schadelijk voor de geestelijke volksgezondheid om de omroep over te laten aan de markt.

Wie enkele decennia geleden deze waarheid verkondigde, kreeg hooguit het verwijt een open deur in te trappen.

Wie dit nu zegt, krijgt nog net geen rotte tomaten naar het hoofd geworpen; maar is minstens oerconservatief en niet van deze tijd. Zelfs in een politieke groepering die een eeuw lang de uitwassen van de vrije markt heeft bestreden, kan het niet (of slechts gedeeltelijk) door de markt gedicteerde deel van de omroep geen goed meer doen. Enerzijds komt dit door het slechte imago dat bestuurlijk Hilversum heeft gekregen sinds de artikelenserie van De Telegraaf uit de jaren zeventig, waarin de kreet ‘De holle bolle NOS’ werd gelanceerd; anderzijds door de nog steeds voortgaande verheerlijking van ‘de markt’.

Iedereen laat zijn levenswijze, zijn levensovertuiging, zijn standpunten beïnvloeden door anderen; vaak doordat men anderen nadoet; ook doordat anderen een mens aan het denken zetten en soms doordat men zich uitdrukkelijk tegen anderen afzet. Zo gaat het vanouds in dorpen en steden, in scholen en fabrieken, in families en clubs.

Na de komst van de televisie zijn de buurman, de tante en de collega op het tweede plan gekomen als de personen waaraan mensen zich spiegelen. De omroep bepaalt nu in hoge mate het denken en doen van mensen. De beeldbuis toont anderen in alle mogelijke omstandigheden. Buurman en tante laten niemand toe in hun privédomein; televisiepersoonlijkheden kunnen we ongegeneerd waarnemen in alle mogelijke levenssituaties, tot in de slaapkamer toe. En de televisie biedt gelijke referentiepunten aan mensen in de Amsterdamse Pijp, in Oost-Groningen en op Walcheren.

In het begin van het televisietijdperk veronderstelden wetenschappers dat vooral de informatieve programma’s kijkers zouden beïnvloeden. Inmiddels is duidelijk dat soaps en ander drama, films en shows bij vele kijkers meer hun gedrag en denken bepalen dan het journaal en de actualiteitenrubrieken.

Wat er uitgezonden wordt, drukt een stempel op de samenleving. Dat de levensstijl in vele Europese landen steeds meer op de Amerikaanse is gaan lijken, is zonder twijfel het gevolg van de vele Amerikaanse series en films die hier al decennia lang worden uitgezonden.

Juist vanwege die grote invloed op de samenleving hebben overheden in vele landen zich al sinds de opkomst van de radio in de jaren 20 en 30 van deze eeuw bemoeid met de omroep. De eersten die na de uitvinding van de radio daarmee iets gingen doen, waren amateurs: hobbyisten die vanuit hun zolder of slaapkamer programma’s gingen uitzenden in de hoop dat amateurs elders deze zouden opvangen.

Zij werden onmiddellijk gevolgd door mensen en bedrijven die geld roken. Aan de ene kant industrieën die radiotoestellen gingen fabriceren en beseften dat mensen deze alleen kopen als daarmee aardige programma’s te ontvangen zijn. Dus ging bijvoorbeeld Philips vanuit zijn radiotoestellenfabriek in Hilversum zelf uitzendingen verzorgen. Daarnaast waren er al spoedig lieden die in de radio een prachtig reclamemedium zagen. In Engeland begon de radio die zich richtte op een breed publiek, op dezelfde leest als de huidige commerciële omroepen. En dit voorbeeld vond navolging in andere landen.

In de Verenigde Staten heeft de overheid de commercie van het begin af haar gang laten gaan. Er ontstonden drie mammoetomroepen (CBS, ABC, NBC) die geheel dreven op reclame-inkomsten en het hele land van kust tot kust bedienden.

Europese overheden vonden dergelijke omroepbedrijven waarop ze nauwelijks greep hadden, te bedreigend. Twee alternatieven wisten de politici te bedenken: de staatsomroep en een soort min of meer onafhankelijke publieke omroep die moest weerspiegelen wat er in het volk leeft en die vooral het volk cultureel en religieus moest (op)voeden.

Staatsomroepen waren het populairst; niet alleen bij communistische regimes en bij de nationaal-socialistische dictator in Duitsland, maar ook in landen als Frankrijk en Italië. De andere vorm kreeg gestalte in Groot-Brittannië en de Scandinavische landen. Ook Nederland kreeg een bestel zonder commercie en met een beperkte overheidsinvloed. Een verschil met de Britse situatie: de BBC had tot taak het hele volk te representeren (interne pluriformiteit); in Nederland kreeg elke stroming in het volk gelegenheid onder eigen verantwoordelijkheid uitzendingen te verzorgen (externe pluriformiteit).

Financiering van de niet-commerciële omroep was een probleem. In onze samenleving betalen afnemers voor zowel materiële als ideële goederen. Alleen: bij de omroep is moeilijk na te gaan wie wel en wie niet naar een programma kijkt. Evenwel: iedereen die een ontvangtoestel in huis heeft, zal daar ook wel eens naar luisteren of kijken. En aangezien er tot in de jaren ‘80 geen andere programma’s te ontvangen waren dan die van de landelijke omroepen, was het redelijk iedereen met een toestel in huis te laten betalen. In de meeste Europese landen werd zo’n ‘omroepbijdrage’ al in de jaren 20 en 30 ingevoerd. In Nederland, waar de omroepverenigingen vijftien jaar lang zelf voor de financiering hadden gezorgd, werd deze heffing pas onder de Duitse bezetting ingevoerd (maar de regeling was al in 1939 door de Nederlandse regering voorbereid).

Het bedrijfsleven op het Europese vasteland zag in Amerika hoe effectief reclame via de televisie was om de verkoop van goederen en diensten te bevorderen. Ook Engeland liet dat zien. Daar had de conservatieve regering in 1954 een half commerciële half publieke omroep ingevoerd. De financiering was geheel uit reclame, maar de overheid stelde eisen aan de programmering die strenger waren dan waarmee de BBC te maken had.

Het bedrijfsleven oefende steeds grotere druk uit op de overheid om toegang te krijgen tot televisie. In vrijwel heel West-Europa zwichtten overheden voor de druk. Alleen enkele Scandinavische landen bleven tot in dit decennium televisiereclame-vrij.

In Nederland ontstond in de jaren 60 de STER in een zodanige constructie dat adverteerders wel toegang kregen tot de zenders, maar geen invloed hadden op de programma’s. Het bedrijfsleven maakte gretig gebruik van die mogelijkheid, maar kankerde heel wat af omdat het de omroep niet helemaal naar zijn hand kon zetten.

De afgelopen tien, vijftien jaar kreeg commerciële televisie kans door de toegenomen technische mogelijkheden: satelliet en kabel maakten het mogelijk het aantal kanalen verder uit te breiden dan de traditionele twee of drie per land. Zoals rondom 1970 de commerciële radiozender Veronica een tijdlang van buiten de landsgrenzen Nederland overspoelde met reclame en popmuziek, zo ging de Luxemburgse commerciële omroep RTL vanuit een hoog gelegen zender op Luxemburgs grondgebied programma’s uitstralen naar het aangrenzende Duitse land. Het bereik was klein (Trier en een stukje Moezeldal) maar de invloed groot. Ook richting België gingen Luxemburgse commerciële programma’s. De Nederlandse regering wist ze nog een tijdlang bij Sluis in Zeeuws-Vlaanderen tegen te houden. Maar bij de komst van omroepsatellieten wisten de Luxemburgers, met Nederlandse handlangers, heel Nederland te overspoelen.

Nieuw was dit Luxemburgse beleid niet. Al voor de oorlog zond Luxemburg (dat nooit een publieke omroep heeft gekend) met reclame doorspekte radioprogramma’s uit richting Nederland. Na de oorlog was commerciële radio uit Luxemburg populair zowel in Engeland als in Duitsland.

In Duitsland had RTL een deel van de politici mee. Omroepjournalisten hebben niet als eerste taak overheden te behagen. Als ze hun werk goed doen, hebben ze al gauw de naam ‘links’ te zijn. De CDU had het daarom nogal moeilijk met de publieke omroepen ARD (samenwerkingsorgaan van de omroepen van de deelstaten) en ZDF. Deze partij verwachtte meer support van een omroep die steunde op het bedrijfsleven en bevorderde dus de toegang van commerciële omroepen. Dat brak de CDU later lelijk op: de commerciële omroepen hadden en hebben er helemaal geen behoefte aan deze of welke andere partij ook te steunen: ze brandden eenvoudigweg hun handen niet aan politiek; zo min als de winkelier op de hoek die het niet in zijn hoofd zal halen een verkiezingspamflet van welke partij dan ook aan zijn raam te plakken.

Intussen hebben de commerciële omroepen vaste grond onder de voeten gekregen in alle Europese landen; ook in Nederland. Naast RTL (de L staat voor Luxembourgeoise) ook SBS6, Veronica en TV10. Terwijl vijftien, twintig jaar geleden vrijwel iedereen nog walgde van de gedachte aan reclame-omroepen, stelt nu niemand deze omroepen meer ter discussie. Hooguit vlamt er soms even een korte discussie op over de grote hoeveelheid reclame waarmee RTL ook kleine kinderen voortdurend bestookt; of over de overmaat aan grof geweld.

Waarom zou er ook iets tegen commerciële omroep zijn? Gedrukte media zijn immers al anderhalve eeuw commercieel en juist daardoor kunnen ze onafhankelijk functioneren en een belangrijke rol spelen bij de uitoefening van het grondwettelijke recht op vrije meningsuiting. Ho ho! Die redenering klopt niet. Kranten hebben zich in de vorige eeuw ontworsteld aan de greep van de overheid door een directe band aan te knopen met de lezers. Zeker, ze bieden ook ruimte aan adverteerders die graag meeliften; maar voorop staat de bediening van de lezers.

Dat is anders bij commerciële omroepen waar alleen adverteerders tellen. Feitelijk verkopen die omroepen pakketten kijkers (en luisteraars) aan de adverteerders; een vorm van slavenhandel die blijkbaar weinig weerzin oproept bij degenen die zich gewillig laten verhandelen.

Curieus: nu is de publieke omroep dubieus geworden. Nee, niemand wil de publieke omroep van de kaart vegen. Ook de commerciële omroepen niet. Stel je voor: als er geen publieke omroep meer is, zou iemand op het idee kunnen komen de commercie te verplichten af en toe ook iets cultureels uit te zenden. Nee, laat de publieke omroep maar blijven voor alles waaraan geen droog brood te verdienen valt.

De VVD-fractie in de Tweede Kamer zegt dit de managers van de commerciële omroepbedrijven van harte na. Maar ook sommigen in de PvdA neigen naar dit standpunt; de jonge, ambitieuze Marjet van Zuijlen bijvoorbeeld die momenteel mediawoordvoerder van de sociaal-democraten in de Kamer is. Geen wonder dat haar oudere partijgenoot André van der Louw destijds als voorzitter van de NOS in interviews soms voorzichtig maar duidelijk afstand van haar nam.

De breed samengestelde commissie onder voorzitterschap van ir. M. Ververs die op 26 juni 1996 op verzoek van staatssecretaris drs. A. Nuis adviseerde over de toekomst over de publieke omroep, zag het goed. De taak van de publieke omroep is volgens deze commissie niet beperkt tot die onderwerpen die de commerciëlen laten liggen; nee, de publieke omroep moet zorgen voor ‘een aantrekkelijke totaalprogrammering’. Dezelfde commissie gaf een goede omschrijving van de doelstelling van de publieke omroep: "Het bedrijven van omroep zonder winstoogmerk en via een open kanaal, waarbij het doel is om een objectieve, betrouwbare, integere, pluriforme en onafhankelijke bijdrage te leveren aan de cohesie binnen de maatschappij en zo te fungeren als referentiepunt in een altijd woelige samenleving. De publieke omroep doet dit door maatschappelijk relevante onderwerpen aan de snijden, door initiatief te nemen voor vernieuwingen, door cultuur uit te dragen en door te fungeren als platform van meningen en uitingen, zodat een evenwichtig beeld van de samenleving wordt gegeven".

Helaas heeft de commissie, na een zorgvuldige, lezenswaardige analyse, een nogal omstreden beeld geschilderd van de in haar ogen ideale omroep van de toekomst. Vooral haar voorstel voor omroepverkiezingen viel bij iedereen verkeerd; en daarmee belandde het rapport snel bij het oud papier.

De paarse kabinetten hebben zich een ingrijpende reorganisatie van het omroepbestel voorgenomen. Dat gaat niet in één keer, maar bij stukjes en beetjes; waarschijnlijk om zo de tegenstellingen tussen de coalitiefracties te verbloemen. De eerste stap heeft de Tweede Kamer gezet bij aanvaarding van een wetsvoorstel voor liberalisering van de Mediawet. Daarna kwamen er nog twee wetswijzigingen.

‘Meer markt" is de slogan (net als bij de Nederlandse Spoorwegen en de PTT). Kernvraag blijft in hoeverre de omroep aan ‘de markt’ overgelaten kan en moet worden. De concurrentie van omroepen die uitsluitend de adverteerders naar de ogen kijken, kent de publieke omroep al. Bij deze omroep dringt langzaam maar zeker het besef door dat hij niet kan winnen door de commercie na te volgen; maar alleen door een eigen, standvastig beleid te voeren.

Dat wil niet zeggen dat de programma’s steeds beter worden. De financiële middelen krimpen (al jaren is er geen verhoging van de omroepbijdrage geweest en uiteindelijk is die omroepbijdrage afgeschaft; teruglopende STER-inkomsten) en de kosten stijgen (schrikbarend oplopen van de prijzen van rechten op sportevenementen en films als gevolg van de concurrentie). Dat moet wel leiden tot afkalving van de kwaliteit.

Dat verschijnsel valt overal in Europa waar te nemen. De Vlaamse publieke omroep is al jaren het stiefkindje van de Vlaamse overheid (die een deel van de inkomsten uit de omroepbijdragen aan de omroep onthoudt en in de schatkist stopt) en daarmee de verliezer van de commerciële VTM, sinds de oprichting het troetelkindje van de politiek. In Duitsland hebben ARD en ZDF het zwaar tegenover een reeks commerciële omroepbedrijven waarvan de grootste (RTL en SAT 1) zich met hun jaarlijkse miljardenomzetten alles kunnen permitteren. In Frankrijk heeft de staat zelfs de succesvolste van de publieke zenders, TF1, aan de meest biedende verkocht. In Italië is de RAI (waarvan elk van de drie zenders vanouds vastgeknoopt zat aan een politieke hoofdstroming) meegesleurd bij de politieke schoonmaak en maar met moeite staande gebleven; ten dele ook uitgeleverd aan ‘de vijand’ toen commerciële-omroeppotentaat Silvio Berlusconi even premier was.

Nee, vele glanzende voorbeelden zijn er in Europa niet. Ook niet in Oost-Europa waar velen bij de val van het communisme in hun onnozelheid de commerciële omroep zagen als een lokkende verworvenheid van de kapitalistische samenleving; overal snel ingevoerd, soms door mensen als Berlusconi de vrije hand te geven.

De publieke omroep kan - voor zover de middelen dat toelaten - wel laten zien wat hij waard is. Maar de politici die beslissen over de toekomst van het bestel, hebben vaak andere overwegingen: hun visie op ‘de markt’, hun liefde voor het bedrijfsleven en soms ook hun afkeer van bepaalde presentatoren die hen ooit publiekelijk in het zonnetje hebben gezet. En vaak hebben zij een beperkt zicht op het totale aanbod van de publieke omroep; want zij behoren geen van allen tot de zware televisiekijkers, zoals wel velen van hun kiezers.

Maar gelukkig zijn er ook parlementariërs die doorzien dat de kwaliteit van de samenleving mede afhangt van het goede functioneren van een solide en niet armlastige publieke omroep. Om met de commissie-Ververs te spreken: "Een samenleving moet zeker zijn van een betrouwbare bron van informatie, mede gezien de functie daarvan voor het democratisch proces. Publiek debat, de maatschappelijke agendavorming, het functioneren van een pluriforme samenleving zijn alle aangewezen op de mogelijkheden die de publieke omroep biedt. Hetzelfde geldt voor de functie van omroep als ‘anker’ voor maatschappelijke identiteit en culturele eenheid en eigenheid".

Dit betekent dat de publieke omroep een breed aanbod moet hebben voor alle geledingen van de samenleving, van kunst tot grootschalig amusement. De publieke omroep mag nooit een speeltje zijn alleen voor de elite. Dus mag het aanbod niet beperkt worden tot kunst, cultuur en zware informatie. Tegelijk moet de publieke omroep op elk terrein kwaliteit bieden. Kwaliteit - er valt langdurig te discussiëren over de vraag wat daaronder verstaan moet worden. Maar in elk geval niet het product van de werkwijze van de commerciële omroepen: de goedkoopste ingrediënten, te snel gemaakt (want opnamestudio’s en bedienend personeel zijn duur) en grove effecten, desnoods ten koste van mensen. De publieke omroep moet de beste cabaretiers en showmasters, de beste toneelschrijvers en -spelers, de beste musici en journalisten aan zich binden en zij moeten bovendien de tijd krijgen om hun talenten te ontplooien.

Dat kost geld, veel geld. De STER brengt de nodige middelen niet op. De inkomsten van de STER liepen terug; en dus is er aandrang om de programma’s zo in te richten dat de adverteerders terugkomen. Helaas: dat werkt averechts. Zo verlaagt de publieke omroep zich tot het niveau van de commerciëlen. Afschaffen van reclame bij de publieke omroep - door sommigen bepleit - werkt ook niet goed: dan gaat alle reclamegeld naar de commerciëlen die daarmee de concurrentie kunnen versterken (bijvoorbeeld in de strijd op uitzendrechten van sportevenementen). De beste weg zou zijn dat de overheid de STER-gelden incasseert en tegelijk de publieke omroep een bedrag per jaar garandeert, ongeacht de reclame-inkomsten.

De overheid heeft de publieke omroep de laatste jaren nogal karig bedeeld. De omroepbijdrage - vrijwel de laagste van Europa - mag al jaren niet stijgen van de politici en met de teruglopende STER-inkomsten wordt het voor Hilversum steeds moeilijker kwaliteit te leveren. Want kwaliteit is per definitie duur.

De omroepbijdrage is een relikwie uit het verleden toen sommigen wel, anderen geen ontvangtoestel hadden. Misschien is de beste keuze: de omroepbijdrage afschaffen, de inkomstenbelasting een tikkeltje minder verlagen en de publieke omroep financieren uit de algemene middelen.

Aan die financiering kan de overheid wel eisen verbinden; met name op het gebied van de efficiency. Het geld moet zoveel mogelijk aan programma’s ten goede komen en dus zo min mogelijk aan bestuursstructuren, gebouwen en luxe aankleding.

Maar de overheid moet de verleiding weerstaan zich met de programma-inhoud te bemoeien. Hoogstens kan de overheid aangeven dat er in elk geval programma’s moeten zijn op het gebied van informatie, educatie, verstrooiing, kunst en cultuur en dat er royaal plaats moet zijn voor programma’s van Nederlandse respectievelijk Europese herkomst.

Wat de organisatie betreft: staatssecretaris Nuis neigt ertoe één uitzendvergunning te verlenen voor de hele publieke omroep. Uit het oogpunt van efficiency en kostenbesparing is dat niet onbegrijpelijk. Maar belangrijker is dat de Nederlandse omroep alle sectoren van de Nederlandse samenleving weerspiegelt en op allerlei terreinen ook voorop loopt en durft te experimenteren. Drie uitzendvergunningen (één per televisienet) bevordert dit doel beter. En wat de radio betreft: het is al decennia lang historisch wel verklaarbaar maar praktisch vreemd dat de geluidsomroep bestuurlijk gekoppeld is aan de beeldomroep. Het is wenselijk de radiostructuur op zichzelf vorm te geven, los van wat er met de televisie gebeurt.

Een complicatie: de techniek opent de weg naar nieuwe vormen van omroep: verspreiding van programma’s (via satellieten) naar alle delen van Europa en (via internet) de hele wereld. Abonneetelevisie (betaling voor het recht programma’s op een bepaald net te ontvangen), pay per view (betaling voor de ontvangst van afzonderlijke programma’s, bijvoorbeeld films en sportwedstrijden) en op een later tijdstip interactieve televisie. Bij deze laatste vormen is er per definitie sprake van commerciële exploitatie (met een directe relatie tussen aanbieder en afnemer). Het is niet redelijk de publieke omroep van deze toekomstige vormen van omroep uit te sluiten; vooral vanwege het verband tussen de oude en de nieuwe vormen. Dikwijls zullen uitzendrechten alleen verkregen kunnen worden voor een combinatie van uitzendvormen. Als de publieke omroep bepaalde uitzendvormen ontzegd worden, zal hij dikwijls achter het net vissen.

De publieke omroep moet ruimte hebben voor activiteiten met nieuwe omroepvormen. Voorwaarde is dat het doel niet mag zijn de winst te maximeren om aandeelhouders een hoog dividend te kunnen uitbetalen. Dat is niet irreëel. In de dagbladwereld streeft De Telegraaf al sinds de oprichting naar winstmaximalisatie. Maar de Perscombinatie (uitgever van De Volkskrant, Trouw en Het Parool en nu ook van NRC/Handelsblad en Algemeen Dagblad) heeft een ander doel: continuïteit van de uitgegeven bladen om daarmee de pluriformiteit in de informatievoorziening in stand te houden.

Terug naar het begin van deze pagina