|
Een stukje omroepgeschiedenis |
||||
|
P.K. Dommisse Een verreikend initiatief van een werkloze "Vader, als ik eens een christelijke radiovereniging oprichtte..." De aangesprokene reageerde niet erg enthousiast, maar zei toch: "Jongen, je kunt het allicht proberen. Er is in elk geval niets mee verloren". Het gesprek vond plaats op de avond van de 13e maart 1924 in de studeerkamer van de burgemeester van Maassluis, C.P.I. Dommisse. Hij was een man met gezag en relaties, met name in de Anti-Revolutionaire Partij. Bij Abraham Kuyper, de oprichter van die partij, geboren in datzelfde Maassluis, kwam Dommisse senior regelmatig op bezoek en één van Kuypers dochters logeerde van tijd tot tijd in de Maassluise burgemeesterswoning. De succesvolle burgemeester had wat zorgen over zijn zoon Pieter Kors. De jongen was inmiddels 25 jaar oud, maar hij woonde nog steeds bij zijn ouders thuis en had nog niet een solide basis gelegd voor een verzekerde toekomst. Zeker, hij had als journalist een tijd gewerkt voor het christelijke dagblad De Rotterdammer en ook had hij zich beziggehouden met de technische kant van radiotelefonie. Maar sinds hij in 1921, nadat hij op z'n eentje de stadsredactie van het Leids Dagblad had moeten verzorgen, overspannen was geweest, had hij geen vaste baan. Zijn vader meende bij hem belangstelling voor het predikantschap te bespeuren. Vooral door het overlijden van zijn grootmoeder, met wie hij veel contact had gehad, was zijn geestelijk leven zeer verdiept. Op die avond in maart 1924 had vader Dommisse zijn zoon bij zich geroepen om eens over diens toekomst te praten. In de loop van dat gesprek kwam zoon Pieter met die suggestie over een christelijke radio-actie. Er werden maar een paar zinnen over gewisseld. Vader Dommisse zag er niet veel in. Tot daadwerkelijke actie werd pas een kleine twee maanden later, in de eerste week van mei, besloten. Dat gebeurde in diezelfde studeerkamer. Ietwat ongeduldig, maar ook bezorgd over zijn zoon, informeerde Maassluis' eerste burger bij Pieter of deze nu al een besluit had genomen over zijn toekomst. De zoon moest bekennen dat hij de afgelopen weken niets beters had kunnen verzinnen dan die christelijke radiovereniging. Als die zou worden opgericht, zou hij daarin stellig bezigheden kunnen vinden. Vader stemde in en zo stond er op zaterdag 10 mei 1924 een forse advertentie in de protestants-christelijke dagbladen, De Standaard, De Nederlander en de vier bladen van De Rotterdammer: Draadloze telefonie Personen, Verenigingen, Corporatien, die hun steun of medewerking geven willen aan de vorming eener Christelijke Vereeniging voor Draadloze Telefonie en de oprichting van een Zendstation, gelieven zich in verbinding te stellen met den Heer P.K. Dommisse te Maassluis, die alle gewenste inlichtingen verschaft. (Men zie ingezonden schrijven). (Dat ingezonden schrijven werd in geen der bladen geplaatst). Is de NCRV dus in 1924 bedacht terwille van de werkgelegenheid? Het zou geen schande zijn; in onze tijd worden wel slechtere dingen gedaan om arbeidsplaatsen te scheppen. Het feit dat de 25-jarige Pieter Kors Dommisse begin 1924 geen betaald werk had, heeft stellig een rol gespeeld bij de uitvoering van zijn initiatief. Maar zelf heeft hij steeds met kracht betoogd dat de oprichting van de NCRV voor hem door en door een geloofszaak was. Bovendien heeft hij de stap pas gezet nadat hij verbaasd en geërgerd had geconstateerd dat de christelijke leidslieden in dit land in het geheel niets deden met de radio en dit medium-in-opkomst geheel overlieten aan de commercie en de liberalen. Het is aardig dat de geschiedenis van de NCRV, uit de gezichtshoek van de oprichter, tot in details voor het nageslacht vastligt, al zal een deel daarvan voorlopig verborgen blijven. Dommisse, een wat in zichzelf gekeerde man, heeft van zijn zestiende jaar af tot kort voor zijn dood in 1971 nauwgezet een dagboek bijgehouden en zelfs heeft hij, kort nadat hij met die dagboeken begonnen was, in een apart cahier de eerste zestien jaar van zijn leven beschreven. Hij begon hiermee nadat hij op zijn zestiende verjaardag voor dit doel een blanco boek had gekregen van zijn vader die eveneens tientallen jaren een dagboek heeft bijgehouden. De Dommisses waren dan ook een familie van archivarissen. Al die dagboeken liggen veilig opgeborgen in de brandvrije kelders van de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar ze, aanvankelijk onder de hoede van dr. G. Puchinger, deel uitmaken van het waardevolle documentatie-archief van protestants-christelijk Nederland. De familie Dommisse heeft de dagboeken afgestaan onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij niet eerder van 25 jaar na de dood van Dommisse voor publicatie beschikbaar zijn. Gelukkig heeft de heer Dommisse, naast zijn dagboekaantekeningen, nog eindeloos veel andere notities gemaakt. Ze gaan niet alleen over de omroep. Curieus is bijvoorbeeld dat hij in een dik schrift gedetailleerde beschrijvingen heeft gegeven van iedere woning van van iedere bewoner van de plaatsen waar hij heeft gewoond: Maassluis, Leiden en Vlissingen. Dommisse komt uit zijn geschriften naar voren als een man die vooral veel nadacht en enkele uren per dag besteedde aan het noteren van al zijn gedachten en gevoelens. Daarnaast heeft hij ook veel feiten vastgelegd in zijn keurige, regelmatige handschrift. Niet erg duidelijk is in hoeverre hij daarbij gedacht heeft aan andere lezers dan hemzelf. In elk geval heeft hij die tienduizenden bladzijden tekst nooit aan een uitgever aangeboden ter publicatie. Weggegooid heeft hij ook nooit iets. In die nalatenschap is een geschrift dat de titel draagt: "De Christelijke Radio-actie vanaf het Beginstadium" met als ondertitel "Strijd en wedloop om den Chr. Radio-Omroep in Nederland". Het is, naar hij zelf in de inleiding (gedateerd maart 1928) schrijft, "in geen geval een stuk studiewerk, maar artikelen vlot uit de pen" met het doel dat de feiten "voor later vruchtbaar kunnen worden opgehaald uit het verleden". Als jongen was Dommisse gefascineerd door de radio. Al sinds het einde van de negentiende eeuw werden draadloos berichten verzonden, met name ten behoeve van de pers en voor militaire doeleinden. "Na den grooten wereldoorlog 1914-1918 brak het tijdperk van de ontwikkeling der Radio-telefonie aan", aldus begint Dommisse zijn relaas. Dommisse zelf hoorde in 1917 (hij werd in dat jaar 19) voor het eerst geluid dat draadloos door de koptelefoon kwam. Toen al besefte hij dat dit nieuwe medium grote mogelijkheden in zich borg. Aanvankelijk meende hij dat het op de weg van de christelijke pers zou liggen "de Radio voor ons Volksleven te benutten". Het heeft hem teleurgesteld dat de christelijke kranten hier geen taak zagen. Voor Dommisse was 9 oktober 1922 volgens zijn eigen woorden "de beslissende dag". Dat najaar verscheen in het weekblad Het Leven een serie artikelen waarin beschreven werd hoe men zelf een radio-ontvangsttoestel kon bouwen. Zoals nu een fatsoenlijk mens uitsluitend bij de kapper of in de wachtkamer van de tandarts kennis kan nemen van de inhoud van Privé of Story, zo hield in die tijd een anti-revolutionair zich verre van Het Leven. Maar via kennissen was Dommisse te weten gekomen dat dit wereldse blad die technische artikelen publiceerde. En ver van huis, op een reis met zijn vader naar Arnhem, Ede en Wageningen, kocht hij het blad. Thuis ging hij ermee aan het werk, en enkele maanden later bezat hij zijn zelfgebouwde kristalontvanger. Nog jarenlang is hij bezig geweest het toestel te vervolmaken. Ietwat spijtig stelde hij later vast dat hij het apparaat, net toen er niets meer aan te verbeteren viel, aan de kant moest doen omdat er toen nieuwe versies ontvangsttoestellen (met luidsprekers) op de markt kwamen. Het bezit van een radio-ontvanger gaf omstreeks 1922 veel prestige en ook toeloop. Dommisse beschrijft de bezoeken van buren en kennissen aan radioamateurs: "Het kon goed treffen, maar ik zou het schier regel willen noemen dat er iets aan de ontvangst haperde. Dan gleden de glijcontacten langs de spoel, een oorverdovend gekraak teweegbrengend in de koptelefoon. Menigmaal schrok de gast dan zo dat hij er voorlopig genoeg van had". Dommisse kreeg er géén genoeg van. En terwijl hij bezig was zijn ontvanger te bouwen, dacht hij na over "een christelijke toepassing van de Radio,op zulk een wijze dat wij niet op een enge plaats zouden worden gedwongen". Dommisse constateerde dat de zaak van de radio-omroep van liberaal-neutrale zijde - hij doelde op de eigenaars van fabriekszenders - niet goed werd aangepakt. "Laten hier nu Christenen een voorbeeld geven en deze opkomende toepassing van een vinding die later een zeer grote betekenis zal krijgen, terstond benutten", dacht Dommisse. Tot zijn diepe teleurstelling deed echter niemand iets. Hij zag daarvoor drie oorzaken. Men wist niets van radio af; men beschouwde radio als iets van de enkeling, de hobbyist en 'zag over het hoofd dat duizenden en nogmaals duizenden in de gelegenheid kwamen om één uitzending gelijktijdig aan te horen'. "Het derde punt", aldus Dommisse, "was niet minder misleidend, want men zag in de radio een vrij brutaal surrogaat van levensopenbaring, dat zich als zogenaamd 'echt' aan de werkelijkheid wilde opdringen en waarmee velen genoegen zouden nemen, waardoor zij iets schoons uit hun leven verloren, want én smaak én verlangen zouden bij dergelijke radio-mensen worden verknoeid en hopeloos verward". Er gebeurde toch wel iets; en misschien was Dommisses NCRV er nooit gekomen als een Amsterdamse koopman geen streek had uitgehaald. Dommisse was namelijk niet de eerste uit christelijke kring die actief werd. Die eer komt toe aan de advocaat mr. J.H. Monnik. Na een bezielende preek van ds. Brussaert in de gereformeerde kerk van zijn woonplaats Bloemendaal besloot hij in 1923 een radiozender te kopen, in eerste instantie om de kerkdiensten een bredere verspreiding te geven, maar verder ook om te komen tot een groot zendstation, dat voor veel christelijke arbeid zou kunnen worden ingezet. Helaas: de zender die hij voor veel geld in Amsterdam kocht, bleek 'pruts-rommel' die ook na vele verbeteringen maar een beperkt bereik had. Door die miskoop is het ideaal van mr. Monnik - hij overleed in 1928 in Zuid-Afrika - niet verwezenlijkt, al doet radio-Bloemendaal op lokale schaal tot de dag van vandaag zegenrijk werk. Een andere christen die de kans greep iets met radio te doen, was de evangelist en orgelhandelaar Johannes de Heer. Voor veel geld huurde hij één avond, vrijdag 4 april 1924, de zender van de Nederlandse Seintoestellen Fabriek (NSF) in Hilversum. Er kwamen enthousiaste reacties. "Het was alsof wij engelen hoorden zingen", schreef een luisteraar aan Johannes de Heer. Dommisse maakte zich echter ook zorgen. Hij vreesde "dat onze tegenstanders zouden inzien welke invloed op de luisteraars van zulk een avond uitgaat". Vooral omdat deze stap ongeorganiseerd geschiedde (het ging immers van één persoon uit, die bovendien een bepaalde richting christenen vertegenwoordigde) vreesde hij dat de tegenstanders, die immers de beschikking hadden over de zenders, voortaan de deur wel eens dicht zouden kunnen houden. Met opzet nam Dommisse dan ook geen contact op met Johannes de Heer om initiatieven te coördineren. In een later stadium is De Heer overigens lange tijd bestuurslid van de NCRV geweest. Het effect van de advertenties van 10 mei 1924 lijkt Dommisse overdonderd te hebben. Uit zijn eigen aantekeningen valt op te maken dat hij tot op de dag van de plaatsing de reikwijdte niet ten volle overzag. Dat veranderde van maandag 12 mei af, toen de brieven begonnen binnen te stromen. Het duurde maar een paar dagen of het hele gezin-Dommisse had de handen vol aan het radio-initiatief. Niet alle reacties waren positief. Sommigen schreven zelfs het zondig te vinden om de boze geesten uit de licht te halen. De tekst is bewaard gebleven van een brief van J.C.J. Kuiper, redacteur van het christelijke dagblad De Rotterdammer die tevens namens zijn directeur schreef. Hij heeft grote twijfels, vooral over de financiële kant van de zaak. Hij merkt op dat bij de 'neutrale massa' zelfs de 'van kunstgenot vrijwel uitsluitend levende mensen' ontzaglijk moeilijk te bewegen zijn geld te geven voor iets dat immers toch in de ether is en dat men gratis kan hebben. Zal hetzelfde niet gelden in onze kleinere kring, waarin we bovendien nog met andere bezwaren hebben rekening te houden?" De journalist vraagt zich verder af welk voordeel de christelijke pers (als 'sprekend lid') van de christelijke radiotelefonie kan hebben. "De pers heeft veeleer van de toename van de draadloze telefonie te vrezen dat dat zij erdoor kan floreren". Kortom: geen steun van de christelijke kranten behalve dat men misschien wel een enkele keer een berichtje wil opnemen "waarvan de inhoud voor Uwe verantwoordelijkheid blijft". Toen de reacties binnenstroomden, moest Dommisse zijn eigen plaats bepalen. Hij zocht weliswaar bezigheden, maar hij besefte dat hij nooit leiding zou kunnen geven aan de grote organisatie die hem voor ogen stond. Hij wist dat hij daarvoor de capaciteiten miste. Tekenend is het motto dat hij boven zijn aantekeningen plaatste: "De idealist heeft tot taak om datgene wat in hem leeft, door anderen te laten uitvoeren". Dommisse heeft wel zelf die uitvoerders uitgezocht. Uit de 89 positieve brieven die als eerste reactie binnenkwamen (de namen zijn in volgorde van binnenkomst genoteerd; de eerste is J. de Keizer uit de Kuiperstraat in Amsterdam) heeft Dommisse zes mensen uitgezocht die hij heeft gevraagd zitting te nemen in het oprichtingscomité. Bijzonder onder de indruk was Dommisse van een brief die op maandag 12 mei 1924 in Bennekom op de post was gedaan. Op prachtig briefpapier met een indrukwekkend briefhoofd meldde mr. A. van der Deure, advocaat en lector aan de Landbouwhogeschool in Wageningen, dat hij bereid was zijn medewerking te verlenen. Dommisse besefte direct dat deze de leider van zijn organisatie zou moeten worden. Hij heeft later verklaard ervan overtuigd te zijn dat God zelf Van der Deure op zijn pad heeft gebracht. Van der Deure is na een aanvankelijke weigering in 1924 voorzitter van de NCRV geworden. Hij bleef dit tot na de tweede wereldoorlog. Het initiatiefcomité kwam voor het eerst bijeen op zaterdag 21 juni 1924 in Utrecht. In die vergadering werd vastgesteld dat de grondslag van de vereniging positief-christelijk zal zijn en zal worden omschreven als volgt: "Zij erkent de Bijbel als Gods Woord en Jezus Christus als de Redder van de wereld". Interessant is hoe men toen de christelijke omroep zag. Mr. Van der Deure heeft daarover in de tweede vergadering van het oprichtingscomité, op 13 september 1924, een uiteenzetting gegeven. Hij trok een vergelijking met een gebouw voor christelijke belangen, zoals dat in veel plaatsen stond. De eigenaar stelde ruimte beschikbaar aan allerhande christelijke organisaties en weerde alles wat strijdig was met de christelijke belangen, maar was niet verantwoordelijk voor wat in het gebouw gebeurde. Zo zou ook de christelijke omroep faciliteiten beschikbaar kunnen stellen aan geestverwante organisaties die daarvan, tegen betaling, gebruik wilden maken. Inderdaad hebben in de eerste jaren kerkelijke gemeenten moeten betalen voor de uitzending van hun kerkdiensten. Een omroepbijdrage bestond nog niet; die is pas later, door de Duitse bezetter, ingevoerd. De christelijke omroepvereniging moest dus eigen financieringsbronnen aanboren. De officiële oprichtingsvergadering werd gehouden op 15 november 1924 in het gebouw van de Christelijke Vereniging van Jonge Mannen in Den Haag. Vele zaken die door het initiatiefcomité waren voorbereid, werden op deze drukbezochte vergadering bekrachtigd. Er werden ook wijzigingen in de voorstellen aangebracht. De door Dommisse steeds gehanteerde naam 'Christelijke Vereeniging voor Draadloze Telefonie' werd, op initiatief van een Rotterdamse bezoeker, gewijzigd in "Nederlandsche Christelijke Radio-Vereeniging". De eerste vereniging van radioluisteraars ter wereld. was geboren. De Hilversumse Draadloze Omroep (HDO) waarvan de huidige AVRO (opgericht 28 december 1927) zegt de voortzetting te zijn, was een initiatief van de Nederlandse Seintoestellen Fabriek die luisteraars mobiliseerde om aan hen ontvangtoestellen te verkopen. Dommisse schrijft over de HDO: Deze "diende zich als 'neutraal' aan. Maar men zag heel goed dat het een liberale stichting was, d.w.z. één die geleid werd volgens de liberale principes. Dat wij als christenen daarmee geen genoegen konden nemen, stond wel vast..." Dezelfde Seintoestellenfabriek, die een eigen experimentele zender bezat, werd bereid gevonden voor drieduizend guldens per jaar één zendavond per week aan de NCRV te verhuren. Woensdagavond 24 december 1924 was de NCRV voor de eerste keer in de ether. Pieter Kors Dommisse, in het eerste NCRV-bestuur secretaris-penningmeester, heeft in de organisatie nooit een hoofdrol gespeeld. Hij wist ook zelf dat daar niet zijn kracht lag. Maar hij was wel de man die een visie inbracht op toekomstige ontwikkelingen waarvoor anderen nog geen oog hadden. Een voorbeeld. In het midden van de jaren dertig van de twintigste eeuw was televisie nog slechts een verschijnsel waarmee in Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten enkele ingenieurs proeven deden. Toen in 1936 de NCRV plannen smeedde voor een eigen radiostation aan de Schuttersweg in Hilversum, heeft hij in het bestuur de gedachte geopperd daarin in elk geval ook een ruimte voor televisie te reserveren. Na de tweede wereldoorlog droeg Dommisse de overtuiging uit "dat de NCRV thans de leiding moet nemen op het gehele terrein der christelijke techniek-toepassing om te komen tot heroriëntering, tot vormgeving, tot stelselmatig onderzoek en tot opleiding van krachten en tot het inzetten van personen met christelijke levensovertuiging en met uitgesproken begaafdheid op deze terreinen". Eén van de projecten die hij voor ogen had, betrof een korte-golfzender waarmee de hele wereld bestreken kon worden. In latere jaren zijn dergelijke zenders met een christelijke boodschap inderdaad ontstaan, met name in Afrika, Zuid-Amerika en Azië en dikwijls vooral door Amerikanen betaald. Het NCRV-bestuur dat wél een taak zag in het nieuwe medium televisie, heeft in zo'n wereldzender geen opdracht gezien, tot diepe teleurstelling van Dommisse. Gezien de betekenis die korte-golfzenders vooral in derde-wereldlanden hebben, moeten we nu constateren dat Dommisse gelijk had. Nu, zestig jaar na de oprichting van de NCRV, zijn er nieuwe uitdagingen van de techniek aan christen van deze tijd, veelal samengevat onder de aanduiding 'nieuwe media': abonneetelevisie, satelliettelevisie, kabelkrant, videocassettes enz. Zonder dat hij al deze ontwikkelingen precies kon voorzien, moet Dommisse, met zijn visionaire gaven, daarop gedoeld hebben toen hij de NCRV opriep alle nieuwe technische mogelijkheden te grijpen om de oude boodschap te kunnen blijven uitdragen. Nu is inmiddels zijn vrees uit 1924 bewaarheid. Hij zei toen: als onze tegenstanders (en hij doelde vooral op de neutraal-liberalen en zij die met de nieuwe techniek slechts commerciële successen willen boeken) in de gaten krijgen welke geweldige mogelijkheden christenen krijgen als zij de beschikking hebben over het nieuwe medium, zullen zij ons de voet dwars zetten. Zestig jaar later is dat gebeurd. De liberalen in ons land hebben weten te bewerkstelligen dat de nieuwe media uitgebuit mogen worden door ieder gezelschap, groot of klein, dat daarmee geld wil verdienen, maar taboe zijn voor daarvoor in het leven geroepen organisaties met honderdduizenden leden die als hoogste doel hebben het Evangelie uit te dragen. Hebben christen-democraten en socialisten die in dit opzicht de liberalen gesteund hebben, de draagwijdte van hun beleid doorzien? Ach, zestig jaar geleden klaagde Pieter Kors Dommisse al over het gebrek aan visie bij vele christen-voormannen als het ging om de toepassing van nieuwe, nog nauwelijks ontwikkelde techniek. Desondanks is de NCRV groot geworden.
Dit artikel stond op zaterdag 10 november 1984 in het ochtendblad Trouw. Op 15 november van dat jaar was het zestig jaar geleden dat de NCRV werd opgericht.
|
|
|
Terug naar het begin van deze biografie
|
|