Signalen uit de familie Glimmerveen

Colofon

Zeg nou zelf...

e-mail

Home

     

  

Dr. Pieter Bak schildert in zijn proefschrift Een meneer van een krant. Trouw en Bruins Slot 1943-1968 dr. J.A.H.J.S. Bruins Slot af als een hoofdredacteur die koers en inhoud van zijn krant bepaalde. Als journalist die elf jaar lang onder deze hoofdredacteur heeft gewerkt, heb ik dat anders ervaren.

Een hoofdredacteur op afstand

"D

Voorpagina van het proefschrift van dr. P. Bak, Een 'meneer' van een krant.

e krant is een meneer' is een oude uitdrukking, afkomstig uit Frankrijk (le journal est un monsieur).

De krant is gewoon mensenwerk en wat in de krant staat is gewoon de opvatting van een meneer. Dat wordt ermee bedoeld.

Pieter Bak, geboren in 1963, heeft de uitdrukking gebruikt voor de hoofdtitel van zijn proefschrift. Het dikke boek (440 bladzijden) gaat over dr. Bruins Slot ('B.S.' noemden wij hem vroeger op de krant), oud-hoofdredacteur van het dagblad Trouw. Het gaat alleen over Bruins Slot voor zover deze met de krant te maken had en het gaat alleen over de krant voor zover Bruins Slot ermee van doen had. Zo bezien lijkt het een heel zinnig feitenrelaas.

Maar door deze afgrenzingen van de materie wekt het boek naar mijn mening een niet helemaal juiste indruk.

Bruins Slot was van 1946 tot 1963 ook lid van de Tweede Kamer voor de Anti-Revolutionaire Partij (een partij die in 1980 met CHU en KVP is samengesmolten tot het CDA). B.S. was in die jaren in de eerste plaats politicus - zeker in de jaren waarin hij in Den Haag fractievoorzitter was. Hij gebruikte de hoofdartikelen in de krant vooral om de standpunten die hij in de Kamer had ingenomen, te herhalen, te verduidelijken, te verdiepen en aan te vullen. En om te discussiëren met hoofdredacteuren van andere kranten. Die discussie tussen kranten was een nu vrijwel geheel weggesleten genre in de journalistiek. Geen enkele lezer van Trouw las ooit Het Vrije Volk (het al lang verdwenen sociaal-democratische dagblad, toen spreekbuis van de PvdA), maar in de hoofdartikelen van Bruins Slot konden de Trouw-lezers vernemen wat er allemaal niet deugde in de opvattingen van de hoofdredacteur van Het Vrije Volk.

De kop van het illegale Trouw tijdens de tweede wereldoorlog.

Bak schrijft nauwelijks over de politieke en andere activiteiten van Bruins Slot en wekt daarmee ten onrechte de indruk dat het leven van Bruins Slot in die jaren beheerst werd door de krant.

Bak schrijft ook niet over de gang van zaken op de krant - maar wekt wel de indruk dat B.S. de krant waarvan hij hoofdredacteur was, stuurde en leidde.

Als journalist bij Trouw heb ik dat zo niet ervaren.

Trouw verscheen na de bevrijding en tot in het begin van de jaren '60 in het westen van Nederland als avondkrant; in het noorden, oosten en zuiden van het land als ochtendblad. Dat was een ingewikkelde constructie. Het was extra gecompliceerd omdat Trouw een groot aantal regionale edities had, met elk eigen streeknieuws en regionale advertenties.

De meeste 'zwaargewichten' op de redactie werkten uitsluitend overdag. Voor de avondredactie die de ochtendedities maakte, had Trouw een ploegje redacteuren, in hoofdzaak bestaande uit studenten (die wel in vaste dienst waren en een gewoon journalistensalaris kregen).

Zelf ben ik, Politieke en Sociale Wetenschappen studerend aan de Universiteit van Amsterdam, in 1954 als freelancer gaan werken voor de financiële rubriek van Trouw. Vanaf 1 december 1956 werd ik journalist in vaste dienst, uitsluitend voor wat werd aangeduid als 'de nachtredactie' (beter was: avondredactie). Aanvankelijk verzorgde ik de kopij voor de streekedities van Gelderland en Overijssel; al spoedig werd ik redacteur binnenland. Mijn collega's en ik werkten zes avonden per week. De zaterdagavond was de enige vrije avond. Op zondag verscheen er immers geen krant.

De combinatie was in mijn ogen ideaal. Overdag kon ik college lopen en studeren; 's avonds oefende ik het beroep uit waarnaar ik vanaf m'n dertiende jaar had uitgekeken. Het ging wel om een volledige werkweek: zes dagen in de week van 17.30 tot 01.00 uur (zonder pauze!) is 45 uur per week. Geen wonder dat m'n studie wat trager verliep dan bij studenten zonder baan. Maar het lukte: in juli 1960 slaagde ik voor m'n doctoraal.

Ik had jaar na jaar uitstel van militaire dienst gehad, maar van uitstel kwam geen afstel. In september 1960 moest ik opkomen en pas twee volle jaren later, in september 1962, kwam ik terug bij de krant.

Dat schiep een nieuwe mogelijkheid voor de redactie. De krant had nooit een 'chef nieuwsdienst' gehad: de verslaggevers verdeelden onderling de klussen. Mij werd gevraagd die nieuwe functie op me te nemen. Dat deed ik graag.

Februari 1971: dr. J.A.H.J.S. Bruins Slot (links) neemt afscheid als hoofdredacteur van Trouw. Bij het afscheid prof. Kuitert, ds. J.J. Buskes en ds. Pijlman.

Voor m'n diensttijd had ik in de 'nachtredactie' intensief samengewerkt met Hans van Maanen, student rechten aan de Vrije Universiteit. Hij deed buitenland, ik binnenland en samen 'coverden' we dus zo ongeveer al het nieuws. Hans was in mijn diensttijd afgestudeerd en als mr. J.F. van Maanen was hij chef van de nachtredactie geworden. Hij was ook getrouwd, kreeg een kind en alleen avondwerk vond hij op de duur wel bezwaarlijk. De oplossing: mij werd gevraagd of ik, wisselend met Hans van Maanen, ook chef nachtredactie wilde worden. Hans en ik deden dus hetzelfde werk: overdag chef nieuwsdienst, 's avonds en 's nachts (de chef bleef tot 02.00 uur en in de nacht van zondag op maandag zelfs tot 04.00 uur) redactiechef.

In diezelfde tijd schafte Trouw de middagkrant en de regionale edities af. Het zwaartepunt van de landelijke krant kwam te liggen bij de nachtredactie. Natuurlijk deden redacteuren overdag allerlei voorbereidend werk. Maar de nachtredactie maakte de krant. En de chef had de eindbeslissing: hij bepaalde wat er op de voorpagina en de overige redactionele pagina's kwam te staan, zowel qua vorm als qua inhoud.

De nachtredactie had de allergrootste vrijheid van handelen. Ik heb het werk bijna vijf jaren lang gedaan en ik herinner me niet dat ik ooit een aanwijzing heb gekregen van de hoofdredactie.

Ook overdag was aanvankelijk het werkoverleg minimaal. Ieder redactielid had zijn taak en voerde die naar eigen inzicht en naar beste weten uit.

Dit veranderde nadat Bruins Slot zijn Kamerlidmaatschap had opgegeven. Ik herinner me nog de kop, rechts boven op de voorpagina, waarmee we dit aankondigden: Bruins Slot kiest voor Trouw. Vanaf die dag kwam B.S. regelmatig op de krant. Er kwam zelfs gestructureerd werkoverleg: elke dag om 12.00 uur kwam een klein groepje chefs bijeen op de kamer van de hoofdredacteur om de krant van die ochtend te bespreken en de plannen voor de krant van de volgende dag op een rij te zetten. Die besprekingen hadden niet zo erg veel om het lijf. B.S. zat daar bepaald geen richtlijnen uit te vaardigen. Het ging er meer om dat hij bijgepraat werd over wat er bij de krant omging dan dat hij de lijn bepaalde.

Dat is dus ongeveer het tegendeel van de suggestie die uitgaat van het proefschrift van dr. Bak. Wat was de verdienste van dr. Bruins Slot voor de krant? Op een feestje vroeg ik het oordeel van een andere oud-Trouw-redacteur, Ben van Kaam. Zijn antwoord: De grote verdienste van Bruins Slot voor de krant was dat hij de redactie afschermde tegen de invloeden van de buitenwereld.

Ik denk dat Ben van Kaam daarin gelijk had. Trouw was een christelijke krant en een politiek orgaan. Dit betekende dat vele topfiguren uit kerk en politiek graag zagen dat de krant dienstbaar was aan hun doeleinden. Er was zonder twijfel voortdurend druk om bepaalde onderwerpen te behandelen of juist te verzwijgen. Er was ook verontwaardiging over wat de redactie nu weer had gedaan (of nagelaten). Dat valt te lezen in het boek van Bak. Uiteraard wendden fractievoorzitters, synodepresides, vakbonds- en werkgeversleiders zich tot de hoofdredacteur. Het is inderdaad opmerkelijk dat ik als chef nachtredactie (en daarmee eindredacteur) nooit iets van die druk gemerkt heb. Inderdaad, Bruins Slot had blijkbaar vertrouwen in zijn redactie, gaf de redacteuren de gelegenheid de journalistieke overwegingen te laten tellen en was kennelijk niet geneigd ooit de wens van een pressiegroep aan de verantwoordelijke eindredacteuren door te geven.

Het gebrek aan sturing was de directe aanleiding voor mijn vertrek per 1 augustus 1967. Hans van Maanen en ik waren misschien wel heel verschillende figuren; maar we hadden wel gelijke opvattingen over hoe de krant eruit moest zien. Alleen wie ons heel goed kende, kon soms aan het ochtendblad zien wie de voorafgaande avond en nacht als chef van de nachtredactie had gefunctioneerd.

Dat veranderde toen Hans van Maanen per 1 januari 1967 bij de NCRV in Hilversum was gaan werken. Jaap Thijs, tot dan toe chef binnenland (bij de dagredactie) werd mijn tegenhanger. Jaap had me al eens eerder laten merken dat wij naar zijn mening een veel te bonte krant maakten. Als chef nachtredactie kon hij daar iets aan doen. Het gevolg was: Jaap maakte twee weken lang een in mijn ogen uiterst gezapige, saaie krant. Daarna maakte ik een krant met forse koppen, opvallende foto's, pakkende intro's.

Dat kon natuurlijk niet. Trouw was feitelijk twee kranten geworden: twee weken de ene, twee weken de andere krant. Niemand zei mij dat ik me aan Jaap Thijs moest aanpassen en Jaap zag blijkbaar niets in mijn aanpak. En ook hij kreeg geen aanwijzing om mijn stijl over te nemen.

Maar niemand deed er iets aan. Bruins Slot niet, de secretaris van de hoofdredactie Johan C. Francken niet, de redactiechef (die alleen overdag werkte) G. Brinkman niet.

Toen Hans van Maanen na enige maanden, vanuit Hilversum bij ons thuis in Bussum lunchend, zei: "Waarom kom je ook niet naar de NCRV?" was ik snel vertrokken. Per 1 augustus 1967 was ik omroepjournalist.

Mijn herinnering aan hoe het werkelijk toeging bij Trouw in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw botst met het betoog van dr. Bak. Overigens: dit verhaal is geen verwijt aan mijn toenmalige hoofdredacteur. Natuurlijk had Bruins Slot, vanuit zijn functie, zich meer inhoudelijk met 'zijn' krant moeten bemoeien. Maar aangezien hij dit niet deed, had ik als eindredacteur alle vrijheid om een krant te maken zoals ik vond dat die moest zijn. Daarvan genoot ik wel.

Terug naar het begin van deze pagina.

Enkele personalia:

Jan Albertus Hendrik Johan Sieuwert Bruins Slot werd op 8 januari 1906 in Drachten geboren.
In 1918 ging hij naar het Marnixgymnasium in Rotterdam. Daarna studeerde hij rechten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam waar hij in 1931 promoveerde tot doctor in de rechtsgeleerdheid. Zijn proefschrift: Groen van Prinsterer en het herstel der hierarchie in de Rooms Katholieke Kerk in Nederland.
Aanvankelijk werkte hij als burgemeester. In 1943 begon hij als redacteur van het illegale Trouw. Hij was daar bekend onder de schuilnaam Zwart. Na de bevrijding, in 1945, werd hem gevraagd minister van Buitenlandse Zaken te worden, maar dat weigerde hij. Hij wijdde zich aan de krant die vanaf de bevrijdingsdag een legaal bestaan ging leiden. Bij de verkiezingen van 1946 (de eerste verkiezingen na de oorlog) werd hij lid van de Tweede Kamer voor de Anti-Revolutionaire Partij. Later werd hij ook fractievoorzitter voor die partij.
In 1963 trok hij zich terug van het parlementaire werk. Trouw meldde dit op de voorpagina onder de kop Bruins Slot kiest voor de krant. Vanaf dat moment was hij vaker aanwezig op de redactie. Hij voerde onder andere een vergadering met enkele leidinggevende journalisten in, elke werkdag om 12.00 uur. Deze vergadering diende vooral om de hoofdredacteur in te lichten over de lopende zaken en voor onderlinge afstemming van de chefs. Bruins Slot gebruikte de vergadering zelden of nooit om richtlijnen aan de redactie te geven.
Dr. Bruins Slot verliet de krant in 1971. Hij overleed in Haarlem op 4 april 1972.