|
Columns in het Friesch Dagblad, 2001 |
||||
|
Niet alleen voor Friezen
De columns gaan als regel over een kwestie die verband houdt met de media, maar soms over een ander onderwerp. Ze zijn vast en zeker voor niet-Friezen even interessant als voor Friezen. Hierna de columns die in 2001 zijn verschenen; de laatste bovenaan.
Toekomst, 14 december 2001 Beroepsgeheim, 15 november 2001
Sturen, 30 oktober 2001 Overdaad schaadt, 24 oktober 2001 Journalistiek, 16 oktober 2001 Overal op aarde,
19 september 2001 Einde van de
tv, 24 augustus 2001 Kerstpreek, 27 juli
2001 Feestloos, 22 juni
2001 Koop niet..., 25
mei 2001 Precies, 8 mei 2001 Vrije dagen, 24
april 2001 Nieuws, 2 april 2001 AM en FM, 28 maart
2001 Radio 1, 2 maart 2001 Naar het einde, 2 februari 2001 Naamloze
machtigen, 30 januari 2001 In Rome, 5 januari 2001 Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op vrijdag 14 december 2001 Toen ik het sleuteltje in het contactslot deed, ging de autoradio
vanzelf aan. Ik viel in een diepgravend gesprek over de overgang. Ineens
ging het door me heen: daar krijgen Flore en Indi ook nog mee te maken. Flore
(* 24.05.2000) Indi (* 5.12.2000) Terug naar het begin van deze pagina
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
donderdag 15 november 2001 E
en journalist weet soms meer dan de overheid. En een
journalist weet soms meer dan de overheid lief is. Dat kan spanningen geven. Minister Tineke Netelenbos Terug naar het begin van deze pagina
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
dinsdag 30 oktober 2001 E
en journalist hoort te rapporteren. Mag hij zijn kijkers,
luisteraars en lezers ook sturen? Dat gebeurt steeds vaker. Niet
vanuit de achtergrond van haar/zijn medium, maar collectief.
Televisiejournalisten, ook van de ‘neutrale’ NOS en NPS, spelen
een hoofdrol. Bij de oprichting van het CDA konden christen-democraten
geen goed doen. Later prezen zij Lubbers de hemel in; daarna lieten ze
Brinkman vallen als een baksteen. Nu is er weer zo’n ‘hype’.
Uit: Friesch Dagblad, dinsdag 30 oktober,
pagina 5. Elke vier jaar duiken voor Kamerverkiezingen nieuwe partijtjes op.
Journalisten hebben daar in het algemeen weinig belangstelling voor.
De meeste verdwijnen direct na de verkiezingen. Sommige halen met een
minifractie de Kamer om bij latere verkiezingen uit beeld te raken.
Alleen D66 bleek een blijvertje. Wat me verbaast: dat vrijwel alle media telkens weer tegelijkertijd
dezelfde houding aannemen. Het zal niet van Nagel en Fortuyn afhangen
of LN volgend jaar de Tweede Kamer haalt, maar van al die
parlementaire redacteuren die weliswaar graag hun onafhankelijkheid
benadrukken, maar die als een meute achter een op zich onbelangrijk
verschijnsel aanhollen. Terug naar het begin van deze pagina
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op woensdag 24 oktober 2001 N
ederland kent een veelheid aan tv-zender. We hebben nu negen landelijke zenders
die iedereen kan ontvangen; drie blokken met elk drie zenders: publieke omroep, HMG en SBS. Er is wel meer geld voor televisie
beschikbaar dan toen we het nog met drie zenders moesten doen, maar het bedrag is niet verdrievoudigd. En het talent, belangrijker
nog dan geld, is in het geheel niet toegenomen. De spoeling is dus dun. Bij die negen zenders moeten we de regionale en lokale omroepen optellen. Maar dan zijn we er nog niet.
Er is ook betaaltelevisie, alleen te ontvangen door wie enkele tientjes per maand gireert.
Canal + is de bekendste, maar er zijn er meer. Nederland loopt daarin niet voorop. In een recente publicatie van de NOS las ik dat Engeland meer dan tweehonderd televisiekanalen
kent. De grote, algemene zenders (zoals die van de BBC) zijn gebleven, maar daarnaast zijn er talloze themakanalen. Die bieden elk
maar één genre: kinderprogramma's, Amerikaanse films, weer en noem maar op. Het gevolg is soms averechts. Er was Eurosport. Toen kwamen er nog vier Britse sportkanalen. Het resultaat: al die kanalen
trokken samen minder kijkers dan vroeger dat ene kanaal. Eén van de nieuwe sportkanalen, Screensport, is alweer opgedoekt. Van de weeromstuit komen de omroepen van het open net ook met meer kanalen. De BBC, traditioneel met twee netten, wil starten met
BBC3 en BBC 4; het commerciële Channel Four heeft het amusementskanaal E4 opgericht. Als we flink betalen, kunnen we straks dag en nacht kiezen uit honderden programma's. Maar grote, boeiende
uitzendingen waarin programmamakers veel energie steken en waarvan miljoenen kijkers tegelijk genieten, worden schaars.
De overdaad werkt niet alleen verrijkend. Terug naar het begin van deze pagina
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op dinsdag 16 oktober 2001 T
oen ik dertien was, bedacht ik dat ik journalist wilde worden. Nu, 54 jaar
later, is de journalistiek in mijn ogen nog steeds het mooiste vak. Maar ook een
beroep dat de beoefenaar soms voor onoplosbare problemen plaatst. Wat we van de strijd in Afghanistan lezen, hebben journalisten nauwelijks uit
eigen waarneming. Veel informatie komt van de Amerikaanse overheid. In de
Golfoorlog waren de 'officiële' feiten gekleurd, om het thuisfront en de
tegenstander te beïnvloeden, zo bleek achteraf. Dat is nu niet anders. Sterker
geldt dit voor 'informatie' uit het kamp van Bin Laden. Wat moet een journalist
met de uitspraak van deze terroristenleider dat mensen in Amerika maar beter
niet een vliegtuig of een hoog gebouw kunnen binnengaan? Televisiestations
hebben die woorden uitgezonden. Later waarschuwde de Amerikaanse overheid dat er
geheime boodschappen in verstopt kunnen zitten. Maar belangrijker: Bin Laden
hoeft niets meer te doen dan dreigementen uitspreken om de westerse samenleving
te beschadigen. Feiten over en verdenkingen van miltvuur wakkeren de onrust verder aan. Vast
staat dat antrax is verspreid, tot in de Amerikaanse senaat toe. Maar vele
gemelde gevallen bleken onschuldig. De publiciteit richt meer schade aan dan de
bacterie zelf. In dictaturen bepalen overheden wat gepubliceerd wordt. Bij ons maken
journalisten dat uit. Ze hebben wel te maken met beslissingen van collega's bij
andere media. Een krantenredactie kan niet zinvol besluiten een uitspraak van
Bin Laden te verzwijgen als CNN en NOS-journaal deze al hebben uitgezonden. Een schrale troost: als de vrede is weergekeerd, zullen hooggeleerden
bestuderen wat de media allemaal verkeerd hebben gedaan. Intussen moeten
journalisten van dag tot dag knopen doorhakken. Ik ben ervan overtuigd dat dit
in Nederlandse redactielokalen met veel verantwoordelijkheidsgevoel gebeurt. Terug naar het begin van deze pagina
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
woensdag 19 september 2001 Die cynische opmerking, die ik vorige week opving, bevat een kern van
waarheid. In de beeldcultuur doen zich twee tegengestelde ontwikkelingen voor.
Aan de ene kant is er een vergaande versnippering. Zelden kijkt op een
willekeurige avond ‘iedereen’ naar hetzelfde programma, waardoor televisie
nauwelijks meer gespreksonderwerp is bij de ochtendkoffie. Maar bij
dramatische gebeurtenissen zien honderden miljoenen mensen overal op aarde -
onder wie de aanstichters van het onheil - dezelfde gebeurtenissen op
hetzelfde moment. Het Amerikaanse nieuwsstation CNN speelt daarbij al jaren
een centrale rol. Dat was tien jaar geleden tijdens de Golfoorlog het geval en
vorige week bij de aanslagen in de Verenigde Staten opnieuw.
Matteüs 24:29 en volgende
Opvallend: steeds vaker zijn schokkende beelden afkomstig van toevallige
voorbijgangers. Als grote gebeurtenissen te verwachten zijn, rukken
cameraploegen met kostbare apparatuur uit. Maar bij onverwachte gebeurtenissen
gaan vaak met een simpele camcorder opgenomen beelden de wereld rond. De
vallende Concorde bij Parijs, de binnenkomst van Slobodan Milosevic in de
Scheveningse strafgevangenis en de indringendste videobeelden uit New York
zijn gemaakt door amateurs. Zo hoeft niets de mensheid meer te ontgaan. CNN verspreidt de beelden en
alle televisiezenders ter wereld nemen ze over. Ineens schieten me de fantasieën te binnen die zo’n zestig jaar geleden
bij me opkwamen als Matteüs 24 (over ‘de komst van de Mensenzoon’) ter
sprake kwam: ‘Alle volkeren op aarde zullen ... de Mensenzoon zien komen’.
Ik kon niet begrijpen hoe dat mogelijk is: dat iedereen, overal op de aardbol,
Jezus bij Zijn terugkomst zal zien. Dat moest een groot wonder zijn, dacht ik
toen. Nu vinden we het vanzelfsprekend dat miljarden mensen in alle landen
binnen een etmaal hetzelfde zien. Nog niet de komst van het heil, maar wel die
van het kwaad. Terug naar het begin van deze pagina
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 24 augustus 2001 Zo’n tachtig jaar geleden ontstond radio als medium voor een groot publiek
en ook die heeft zich gehandhaafd. Televisie was er in enkele West-Europese landen al voor de tweede
wereldoorlog, maar bloeide pas op na 1945. In Nederland was de officiële start
vijftig jaar geleden. Ook een blijvertje? Ik zet daar een vraagteken achter. Altijd heb ik gedacht dat media, als ze
eenmaal ingang hebben gevonden, nooit meer verdwijnen. De krant is niet ten
onder gegaan bij de komst van radio en radio niet door de televisie. Waarom en
waarvoor zou televisie dan wel wijken? Natuurlijk, de doorgifte van beeld en geluid samen blijft. Er zijn
transportwegen bijgekomen (kabel, satelliet), maar dat is geen principieel
verschil. Wel geheel nieuw is de individuele bediening. Daarmee wordt nu
geëxperimenteerd. Internet vormt de transportweg. In zekere zin gaat het om een
veredelde vorm van het afspelen van een gehuurde videoband op het tijdstip dat
de kijker past. Alleen de keuze wordt veel gevarieerder. Er kunnen zelfs beelden
apart voor u worden doorgegeven, bijvoorbeeld van de bruiloft van een nichtje in
Canada. Internet is nu nog ongeschikt voor doorgifte van televisiebeelden, al gaat
het met ‘breedband’ (nog voor weinigen weggelegd) beter dan zonder. Maar er
wordt hard gewerkt om de kwaliteit te verbeteren. Vroeger keken vaak zeven of acht van de tien Nederlanders naar hetzelfde
programma. Dat is al lang niet meer zo, behalve bij voetbalkampioenschappen en
prinselijke bruiloften. Het lijkt me waarschijnlijk dat openbare televisie zich
in de toekomst zal concentreren op het live uitzenden van dergelijke
evenementen. Voor de rest halen we wel zelf de beelden die we willen zien, in
huis op het tijdstip dat ons schikt. Dat is geen televisie in traditionele zin. Terug naar het begin van deze pagina Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 27 juli 2001 Morgen
zou de vakantie beginnen als er sinds mijn kindertijd niets
veranderd was. Ik ben grootgebracht met de zekerheid dat augustus vakantiemaand
is. Na schooltijd op de laatste zaterdag van juli begon de vakantie en die
eindigde de eerste dinsdag van september. Nee, niet op maandag; dan zouden
sommigen in de verleiding komen op de voorafgaande zondag van een logeeradres
naar huis te reizen. De traditionele vakantiemaand is verloren gegaan. Juni en juli zijn
toegevoegd, mei en september voor tweeverdieners met kleine kinderen en
senioren, december, januari en februari voor de wintersport. In de vier maanden
die niet direct doen denken aan vakantie brengen toch talloze Nederlanders vrije
dagen door in allerlei uithoeken van de aarde. Dat blijkt als daar een
natuurramp of revolutie plaats vindt. Altijd zijn ter plekke vakantie vierende
landgenoten die ternauwernood aan het gevaar zijn ontsnapt en graag aan het
vaderland vertellen wat ze hebben doorstaan. Het is met ‘vakantietijd’ al net als met andere tijden. Vroeger had je
een tijd voor aardbeien en een tijd voor appelen, een tijd waarop de eerste
nieuwe aardappelen juichend werden binnengehaald. Tegenwoordig zijn alle
vruchten en groenten er elke dag van het jaar, binnengevlogen of diepgevroren. Alleen de kerk houdt nog vast aan schema’s. Na deze periode zonder
duidelijke accenten volgen ze elkaar vanaf 2 december in hoog tempo op: advent,
Kerstmis, veertigdagentijd, Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag en Pinksteren.
Dat geeft houvast. Ik vergis me. Plotseling schiet me een verhaal te binnen over Calvijn. In
zijn vlijt om eeuwenlang ingeslepen rooms-katholieke gebruiken te bestrijden
betoogde hij dat het vastprikken van de herdenking van heilsfeiten op bepaalde
data mensenwerk was. Hij onderstreepte dit door op eerste paasdag een kerstpreek
te houden. Zo bezien is een meditatie over de stal van Bethlehem in deze warme
zomerdagen niet misplaatst. Terug naar het begin van deze pagina Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 22 juni 2001 De
langste dag van 2001 hebben we achter de rug. Pinksteren is alweer
bijna drie weken geleden en Kerstmis ligt meer dan een half jaar in het
verschiet. Volgens verhalen die vroeger in journalistieke kring de ronde deden,
was dit de tijd voor een jaarlijkse happening op redacties van bladen als
Libelle en Margriet. De gordijnen gingen dicht, een kerstboom werd opgetuigd,
kaarsen ontstoken. Terwijl buiten de zon heet brandde, begon in een stemmig
schemerduister een intensieve brainstorming over het kerstnummer. De
productietijd was lang en dus moesten de lijnen maanden tevoren worden uitgezet
om artikelen en illustraties op tijd bij de drukker te krijgen. In de televisiewereld is het ook gebruikelijk heel ver vooruit te kijken. Er
wordt nu al gewerkt aan programmaschema’s voor en uitzendingen in het seizoen
2002-’03. Maar vreemd: over speciale programma’s voor de feestdagen piekert blijkbaar
(bijna) niemand in omroepkringen. Al jaren verbaas ik me erover dat de televisie
op feestdagen nauwelijks van het gewone schema afwijkt. Voor en tijdens de
kerstdagen wordt soms een takje dennengroen in een decor geprikt. Pasen en
Pinksteren leveren blijkbaar helemaal geen inspiratie op en bij ‘oudjaar’
schiet de verantwoordelijken alleen ‘cabaret’ te binnen. Steeds terugkerende
missers. Misschien vragen de kijkers niet om speciale programma’s op feestdagen.
Want Hilversum luistert wel, al duurt het soms lang. Vele, vele jaren lang is
geklaagd over nietszeggende programma’s en vooral over talloze herhalingen in
drie zomermaanden. Terwijl op kille, natte avonden in juli bijna evenveel mensen
voor de buis zitten als in januari. De klachten lijken een kentering veroorzaakt
te hebben. Hilversum heeft althans beloofd dat ons deze zomer ook tal van
boeiende programma’s voorgeschoteld zullen worden. We wachten af. Laten de
programmadiensten intussen eens gaan brainstormen over uitzendingen met
Kerstmis. O, is dat nu al te laat? Dan maar voor Kerstmis 2002. Terug naar het begin van deze pagina Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 25 mei 2001 Probleem:
hoe voorkom ik dat mijn geld gestoken wordt in omroepen waarvan ik niet houd? De publieke omroepen zijn van ons allemaal samen. We betalen ervoor (vroeger
via de omroepbijdrage, nu via de belastingen) en we kijken ernaar. De
commerciële omroepen zijn van zakenlieden. Zij verkopen pakketten kijkers aan
adverteerders. Hoe groter het pakket kijkers, des te hoger het tarief. Programma’s
zijn slechts een middel om kijkers te trekken die aan adverteerders verkocht
kunnen worden. Dat vind ik onsympathiek. Daarom kijk ik nooit naar commerciële
omroepen. De adverteerders krijgen hun geld van de producten die ze verkopen. In de
prijs van elk potje jam, elke tube zonnebrandolie, elke nieuwe fiets zit een
bedragje dat aan reclame wordt uitgegeven. Door mijn gewone boodschappen betaal
ik dus toch mee aan die commerciële omroepen die ik niet wil zien. Het liefst
zou ik dus geen producten kopen waarvoor op die stations reclame wordt gemaakt.
Maar hoe weet ik voor welke zaken daar wordt geadverteerd? Dan zou ik naar die
zenders moeten kijken - en dat wil ik nu juist niet. Soms wordt het me makkelijk gemaakt. Konmar die bezig is achthonderd
supermarkten in het land op te tuigen, heeft bekend gemaakt alleen bij SBS te
zullen adverteren. Handig om te weten: ik zal dus niet bij Konmar gaan kopen.
Unilever daarentegen heeft aangekondigd een contract van enkele honderden
miljoenen, voor drie jaar, te sluiten met de STER (van de publieke omroep).
Unilever heeft erbij gezegd zo’n contract met commerciële omroepen niet te
willen omdat die veel te onstabiel zijn. Als consument weet ik dus: wat
omroepreclame betreft deugt Unilever. Maar voor de rest heb ik geen idee wie ik moet mijden. "Koop bij onze
adverteerders" lees ik wel eens in mijn kerkblad. Ik heb behoefte aan het
tegenovergestelde: "Koop niet bij hun adverteerders!" Terug naar het begin van deze pagina Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
dinsdag 8 mei 2001 "Wat is er vanmorgen precies gebeurd in Genemuiden?" Daar heb je
het weer. Op Bevrijdingsdag in het Radio 1 Journaal. Het is de laatste tijd
schering en inslag op de televisie en vooral op de radio. Een verslaggever of
presentator heeft contact met een politiefunctionaris, een brandweerpersoon,
een burgemeester of een ander die alles af weet van een incident en vraagt dan
wat er precies aan de hand is geweest. De verslaggever zou schrikken als de ondervraagde aanstalten zou maken om
het gedetailleerde antwoord te geven. De rest van de dag zou er geen zendtijd
meer zijn voor andere onderwerpen. Een rechercheur en een rechter willen alles precies weten. Daar trekken ze
veel tijd voor uit en het leidt soms tot dikke dossiers. De journalistiek
heeft niet tot taak alles tot in de kleinste details door te geven. U en ik
zouden zich als lezers, luisteraars, kijkers al gauw afwenden. Bijna de belangrijkste taak van de journalist is: selecteren. Kranten,
radio en televisie moeten de grote lijnen aangeven. Iemand die bij een dagblad
werkt, krijgt wel eens de vraag: "Hoe krijgen jullie toch elke dag de
krant weer vol?" Mijn standaardantwoord: "Door zoveel kopij weg te
gooien dat je juist genoeg overhoudt". De vraag hoe alles precies in elkaar zit, kan tot een lichte staat van
paniek leiden. Menige geleerde heeft al gezegd van zijn vakgebied nog maar
bitter weinig te weten. Zondagmorgen vroeg een jongere aan een oudere
kerkganger: "Wat gelooft u nou precies?" Mensen die vroeger getraind
zijn op de meisjes- of jongelingsvereniging, hebben wel een mooie zin klaar,
maar daar heeft die jongere niets aan. Is u dat hinderlijke stopwoordje van omroepverslaggevers nog niet
opgevallen? Let er maar eens op. Het is natuurlijk wel te hopen dat zij dit
stukje niet lezen; want anders beteren ze hun leven en wacht u tevergeefs. Terug naar het begin van deze pagina Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
dinsdag 24 april 2001 Toch komen wij er bekaaid vanaf: naast 104 zaterdagen en zondagen slechts
zeven vrije dagen per jaar: Nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag,
tweede pinksterdag, Koninginnedag en twee kerstdagen. Nee, dan de Italianen. Die hebben zestien speciale dagen per jaar. Dat komt
omdat ze het Vaticaan trouw zijn gebleven. Calvinistisch Nederland heeft, met de
Beeldenstorm van 1566, ook feestdagen als Driekoningen, Maria-Lichtmis, Maria
Hemelvaart en Allerheiligen verbrijzeld. Daar moeten we nu spijt van hebben. Want meer vrije dagen leiden niet alleen
tot meer geluk, maar ook tot een hogere arbeidsproductiviteit, hebben
deskundigen uitgerekend. Het schijnt dat we een tandje extra bijzetten in weken
met een vrije dag, zodat er uiteindelijk meer uit onze handen komt. Wat let ons om er wat vrije dagen bij te bedenken. Er moet wel wat te vieren
zijn, vindt u? Nee hoor. Op Koninginnedag denken we de verjaardag van de
koningin te vieren, maar de schoonmoeder van Máxima is helemaal niet jarig op
30 april. En hoevelen vieren op Hemelvaartsdag en tweede pinksterdag werkelijk
de heilsfeiten? Alle reden dus om het Suikerfeest, Grote Verzoendag en de Dankdag voor het
gewas tot vrije dagen te verheffen. Sommigen weten heel goed wat er te vieren
valt. En de rest kan gewoon de toeristenindustrie aan extra inkomsten helpen. Een andere besteding is ook denkbaar: een extra bezoekje aan dat bejaarde
familielid dat zich te pletter verveelt. Voor minister Borst hoeft dat niet. Die
bejaarde redt zich wel, als de apotheken maar open zijn, denkt zij. Meer medemenselijke contacten: het gebod van naastenliefde, nietwaar?
Trouwens, daar zijn geen extra vrije dagen voor nodig. Wie in die hoogbejaarde
een naaste ziet, vindt voor haar of hem altijd wel tijd. Terug naar het begin van deze pagina Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op maandag 2 april 2001 Waar
of niet waar? Opmerkelijke staaltjes in de afgelopen dagen. Vele dagen streden twee
onderwerpen om de eerste plaats in kranten, radio en televisie: mond- en
klauwzeer en de spoorwegen. Het lag voor de hand dat daar ook vrijdag en
zaterdag zware accenten hadden gelegen. Maar nee: een prins verloofde zich en de
rest leek even niet van belang, zeker bij radio en tv. Verderop in de krant was
er nog enige ruimte voor. Conclusie voor nieuwsconsumenten als u en ik: nieuws
is betrekkelijk. Vaak hoor je dat het allemaal ellende is wat krant en NOS-journaal aanreiken.
Klopt dat wel? Het nieuws van de media is naar aard niet zoveel anders dan het
nieuws aan de eettafel. Waar praten we over tijdens de maaltijd? Inderdaad, over
ziekte en dood in de familie en de buurt, over een ontslag, een echtscheiding.
Maar ook over neutrale thema’s zoals buren die gaan verhuizen. En over
vrolijke onderwerpen: een buurvrouw die zwanger is geworden, een neef die gaat
trouwen, een vriendin die slaagt voor een examen. Alleen over die oom en tante
die rustig hun huwelijksleven voortzetten en trouw elke dag hun werk doen,
hebben we het zelden of nooit. Na alle spanningen bij de aanloop naar de verloving van Willem-Alexander en
Máxima beschouwt de overgrote meerderheid van het Nederlandse volk het verhaal
van vrijdagavond als heel goed nieuws. Om te onthouden als iemand over een
tijdsje weer een opmerking maakt over ‘alleen maar slecht nieuws’. Het goede nieuws is zo zeldzaam en duurt altijd zo kort, zegt u? Dat valt wel
mee. "Dat de treinen vandaag gewoon rijden, is geen nieuws", wordt
leerling-journalisten bijgebracht. "Pas als een trein niet ongeschonden
aankomt, is het nieuws". Meestal klopt dat. Vandaag niet. Dat de treinen
vandaag gewoon rijden, blijkt nu ineens groot nieuws. En ook nog goed nieuws. Zo zie je: wat wel en niet nieuws is, valt nauwelijks in theorieën onder te
brengen. Noot:
Dit was een extra column op verzoek van de redactie omdat een andere columnist
was uitgevallen. De column is in iets andere woorden in de krant gekomen.
Nadat deze tekst geschreven was, viel de computer uit. Daardoor was het
onmogelijk de column per e-mail naar Leeuwarden te versturen. Bovendien kon de
schrijver zijn tekst niet meer bereiken. De auteur heeft daarop maandagmorgen
vroeg met een eenvoudige pen de tekst min of meer herschreven en deze
vervolgens per telefoon gedicteerd aan Anneke van het redactiesecretariaat. Terug naar het begin van deze pagina Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op woensdag 28 maart 2001 Deze week wordt het ons ingeprent als een verandering die zo slecht nog niet
is: de indeling van Radio 1 en Radio 5 (straks: 747AM), die zondag ingaat. Radio 5 heeft inderdaad niet te klagen. Deze zender lijkt vooral te bestaan
om enkele omroeporganisaties een uitlaatklep te geven. Het aantal luisteraars
rechtvaardigt het voortbestaan niet. Misschien brengt de ophef over de
verplaatsing naar de huidige golflengte van Radio 1 verbetering. Met Radio 1 is het droeviger gesteld. Breed wordt uitgemeten dat deze zender
op de middengolf blijft, overstappend naar 1008 AM, de oude plek van Radio 5.
Maar dat is slechts voor even. Die golflengte ligt in de etalage voor een
commerciële omroep. Het verlies van de middengolf zou zo erg niet zijn als Radio 1 een goede
verspreiding via de FM had. Maar dat is niet zo. In sommige regio’s is de
nieuws- en sportzender niet via de FM te ontvangen. Tegelijk worden de programma’s door elkaar geschud. Het is een kwaal van
oude en conservatieve mensen om elke verandering een verslechtering te vinden.
Daaraan lijd ik niet. Maar het kost me wel moeite het als een verbetering te
zien dat de NCRV en de KRO nooit meer in de ochtenduren aan bod komen. Al voor
de oorlog was de NCRV elke maandagmorgen te horen en de KRO op dinsdag. Voorbij.
Voortaan komt elke ochtend (onder andere) de VPRO aan bod. Sinds september 2000 zijn ook op televisie de programma’s door elkaar
gehusseld. Voor de kijkers is het er niet overzichtelijker op geworden. Allemaal symptomen van de manier waarop de paarse politiek met de publieke
omroep omgaat: geleidelijke invoering van het ‘BBC-model’ (een
eenheidsomroep) en voorrang voor commercie. Het duurt nog een jaar voordat wij, eenvoudige kijkers/luisteraars/kiezers
ons daarover kunnen uitspreken. Of het dan nog mogelijk is de foute beslissingen
terug te draaien, is de vraag. Terug naar het begin van deze pagina Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op vrijdag 2 maart 2001 Voor
Radio 1 moet er ook maar een e-mailcampagne komen. Dat lijkt de
enige manier om aandacht van Tweede-Kamerleden te krijgen. Alleen Radio 1 informeert consequent over politiek en parlement. Toch is de
zender het stiefkind van de Kamer. Indertijd is hem een aantal sterke
FM-frequenties ontnomen ter wille van multinationals en multimiljonairs die
lichte-muziekzenders exploiteren. Daardoor is Radio 1 in sommige regio’s via
de FM slecht te ontvangen. Gelukkig is er de middengolffrequentie 747AM, in heel
Nederland en ver daarbuiten te horen. Maar die wordt Radio 1 eind deze maand
afgepakt. De commerciële zenders wisten dat dit hun lot was. Maar het zinde hen niet.
Ze wisten één procent van de radioluisteraars te mobiliseren en kijk aan: de
veiling is van de baan. Intussen laten parlementsleden Radio 1 verkommeren; naar het lijkt omdat tot
nu toe alleen programmamakers ervoor in de bres gesprongen zijn. Politici horen zelf beleid uit te stippelen en zich in te zetten voor de
uitvoering ervan. Bij mediabeleid blijkt een pressiegroep in staat de hele
Tweede Kamer van het rechte pad af te leiden. Misschien is er ook pressie nodig
om Kamerleden met betrekking tot Radio 1 terug te brengen op het rechte pad. Terug naar het begin van deze pagina Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op vrijdag 2 februari 2001 Programma’s
van hoge kwaliteit, 24 uur per etmaal. Uitstekende kijkcijfers.
Voor weinig geld. Dit eisen de paarse politici van de publieke omroepen. Het ziet eruit als
boze opzet: het onmogelijke vragen en als daaraan niet voldaan wordt, het mes
erin. Natuurlijk: kijkers en luisteraars mogen van de publieke omroepen
kwaliteitsprogramma’s verwachten. Maar wat zijn dat? Wat de VPRO het summum
van kwaliteit vindt, doet bij mij soms de rillingen over de rug lopen. Sommige
goede EO-programma’s wekken afkeer bij het ongelovige deel van de bevolking.
Wij hadden dan ook zo’n aardig systeem: de leden van een omroepvereniging
beoordelen de producten van hun eigen organisatie. De vorige zin schrijf ik in de verleden tijd. De omroepverenigingen hebben
geen uitzendvergunning meer; die heeft alleen de NOS. Daaraan ontleent de
NOS-leiding het recht in te grijpen in programma’s. De AVRO heeft dat als
eerste gemerkt. Een partijgenoot van NOS-voorzitter Gerrit Jan Wolffensperger, het
D66-Kamerlid A.D. Bakker heeft maar vast aangekondigd dat er wel een publieke
televisiezender kan verdwijnen als de omroep toch niet in staat is kwaliteit te
leveren. Over voldoende geld sprak hij niet. Evenmin als PvdA-staatssecretaris
Van der Ploeg, die deze week wel onderstreepte dat kijkcijfers een rol spelen. Deze paarse pogingen het leven van de publieke omroep zuur te maken vallen
samen met de opzet van Veronica en SBS om een nieuwe televisiezender te
lanceren. Als de commercie meer ruimte nodig heeft, moet de publieke omroep
teruggedrongen worden. Dat de VVD daarbij staat te applaudisseren ligt voor de hand. Onbegrijpelijk
dat de PvdA het allemaal laat gebeuren. Maar ja, sinds oud-vakbondsvoorzitter
Wim Kok het heft in handen heeft, vertonen de sociaal-democraten steeds meer
liberale trekjes. Als dit zo doorgaat hebben we over een paar jaar slechts keus
uit een overvloed aan smakeloze, voor weinig geld gemaakte programma’s waarbij
alleen de kijkcijfers tellen. Terug naar het begin van deze pagina Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
dinsdag 30 januari 2001 NOOT: Dit is een extra
column, in haast geschreven omdat de redactie van het Friesch Dagblad op deze De
machtigste mensen in de televisiewereld zijn volslagen onbekend.
Nog geen drieduizend Nederlanders bepalen welke programma’s worden uitgezonden
en welke programma’s het stempel ‘mislukt’ krijgen. Hun stem bepaalt ook
op welk tijdstip een programma wordt uitgezonden. Bovendien sturen zij jaarlijks
anderhalf miljard gulden reclamegeld. Ze krijgen er bijna geen cent voor. Wie zijn die naamloze machtigen? De 2800 kijkers uit 1300 huishoudens die
elke dag doorgeven naar welke programma’s ze hebben gekeken. Het aantal
huishoudens wordt binnenkort nog ingekrompen: tot 1250. Via een simpel kastje,
gekoppeld aan het televisietoestel, en een verbinding in het holst van de nacht
verneemt onderzoekbureau Intomart dagelijks waarnaar die 2800 gekeken hebben. De
kijkcijfers die daaruit voortvloeien, sturen de bazen bij publieke en
commerciële omroepen die beslissen over het lot van programma’s. En ze
bepalen in welke zendtijd adverteerders hun budgetten (van soms meer dan honderd
miljoen per jaar) willen steken. Iedereen lijkt het volste vertrouwen te hebben in het systeem. Als die 1250
huishoudens een dwarsdoorsnede vormen van de samenleving (grote gezinnen,
stelletjes, alleenstaanden, jong, oud) dan moet het volgens de theorie kloppen.
Het klopt ook als iedereen argeloos kijkt alsof er geen kastje in de kamer
staat. Die argeloosheid wil er bij mij niet in. Die 2800 mensen kennen natuurlijk
hun macht. Als iemand vindt dat een programma op de buis moet blijven, zal zij
elke keer inschakelen, ook als zij onder normale omstandigheden wel eens zou
overslaan. Ook zal iemand een programma waaraan zij een hekel heeft, bewust
mijden. Alle kijkers zijn afhankelijk van dat handjevol anonieme kijkers. Kennelijk
bij gebrek aan een betere stuurmethode. We weten van verkiezingen hoe ernstig
onderzoekbureaus de plank kunnen misslaan. Maar op de kijkcijfermarkt is geen
concurrentie - er is dus ook niemand die zegt dat die kijkcijfers niet kloppen. Het zou een zegen zijn als de Hilversumse beleidsmakers programma’s
beoordelen op grond van hun kwaliteit en niet op grond van die stomme
kijkcijfers. Terug naar het begin van deze pagina Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 5 januari 2001 Het is er toch van gekomen. In
de aanloop naar het ‘jubeljaar’ rees de gedachte dat ik in 2000 Rome wilde
bezoeken, de stad vanwaar het christendom wereldwijd verspreid is. Het leek er niet in te zitten: twee schoondochters, twee zwangerschappen in
2000. Nadat op sinterklaasavond de tweede kleindochter was geboren besloten we
op de valreep naar de ‘heilige stad’ te reizen. Kerstmis in Rome. Dat betekent allereerst: de kerstnachtmis in de openlucht
op het Sint-Pietersplein. Ik vond een staanplaats met uitstekend zicht op het
altaar onder een baldakijn en op een groot televisiescherm. Zo zag ik om
middernacht de broze paus voor me verschijnen. Helaas, na twintig minuten stortte een plensbui neer op de tienduizenden.
Binnen twee seconden had iedereen een paraplu opgestoken. Weg zicht op altaar en
beeldscherm. Daar stond ik, als een blinde die alleen maar kan luisteren. Kerstmorgen. Op tijd voor de mis van half elf wandelden we naar de Sint
Pieter. Oponthoud van een half uur: iedere kerkganger moest in de rij voor een
detectiepoortje dat piepte bij elk stukje metaal in tas of zak. De vrees voor
een moordaanslag op de paus zit er diep in. De ‘heilige deur’ liet ons door. In de grootste christelijke kerk ter
wereld probeerde menigeen de viering mee te maken. Dat viel niet mee. De
duizenden die door de ruimte schuifelden, maakten concentratie onmogelijk. Grote
oude kerken zijn domweg ongeschikt voor meditatie en religieuze beleving. Naar het plein waar de paus op het middaguur zijn zegen voor de stad en de
wereld zou geven. We vonden een plaats vooraan zodat we goed konden volgen hoe
die fragiele bejaarde een klein half uur lang mompelend probeerde te overtuigen. Het was een happening: indrukwekkend, geweldig om meegemaakt te hebben. Maar
een kerstviering? De betekenis van het kerstevangelie was stellig beter tot me
doorgedrongen in mijn dorpskerk. Terug naar het begin van deze pagina |
|
- |