|
Seizoenen
Gepubliceerd in het
Friesch Dagblad op vrijdag 17 december 2004
‘De
seizoenen komen terug, de jaren niet’. Steeds terugkerende regels in een
gedicht van Ivo de Wijs. Hij loopt het jaar en het mensenleven door, van de ‘zonnige
momenten’ van lente en jeugd, via zomer en herfst naar de winter: ‘je tijd
is om’. Daar zijn we nu beland, vlak voor de kortste dag. ‘Je verlangt met
hart en ziel naar nieuwe bloesem aan de bomen’.
Ook de geschiedenis kent golfbewegingen. De ouderen herinneren zich: de
zwarte oorlogsjaren, gevolgd door bevrijding en wederopbouw. Optimisme alom
over de toekomst. Toen de ‘koude oorlog’, na veertig jaar geëindigd met de
verwachting van eeuwige vrede. Nu islamitisch fundamentalisme contra het
westen. De schrijver Geert Mak voorspelt dat dit een eeuw van ellende wordt.
Voorbije eeuwen hebben vele godsdiensttwisten gekend. Is nu een strijd
gaande van islam tegen christendom? Ik geloof het niet. Ik zie, althans in
Nederland, vooral een strijd tegen religie. Menige schrijver en
televisiecolumnist veegt de vloer aan met elk geloof in God. VVD-Kamerlid Hirsi
Ali vindt godsdienst onverenigbaar met onze Grondwet. Theo van Gogh kwetste
joden, christenen en moslims even diep.
Christenen hebben zich daartegen
nauwelijks teweergesteld. Menige moslim doet dat wel. Het zou goed zijn als
christenen zich in de samenleving weer sterk maken voor de zin van godsdienst.
Samen zijn we sterker. Ik doe mee in een groep rooms-katholieken, protestanten
en moslims: Bekend maakt bemind.
„De seizoenen komen terug, de
jaren niet. Er zal bloesem komen die je niet meer ziet’. Het lijkt een somber
slot, maar ik zie het positief. Het wordt weer Kerstmis en daarna Pasen. In de
samenleving zullen weer mooie tijden aanbreken. Of ik dat
nu mag meemaken of niet, ik verheug me erop: voor m’n kleindochters.
Dit is de laatste column van de journalist Henk Glimmerveen (71) in
het Friesch Dagblad. Zijn eerste column verscheen in het FD op maandag 8 oktober 1990.
Terug naar het begin
van deze pagina
De
tuinman
Gepubliceerd in het
Friesch Dagblad op woensdag 24 november 2004
„De
tuinman en de dood". Die titel schiet me weer te binnen. U kent het
gedicht wel. Een tuinman, bezig met snoeien van rozen, ziet ineens de Dood. Hij
vraagt het paard van zijn baas en vlucht spoorslags naar Ispahaan, aan de
andere kant van Perzië. ’s Middags ontmoet de edelman de Dood en vraagt
waarom hij zijn werknemer de stuipen op het lijf heeft gejaagd. „Ik wilde hem
niet laten schrikken", zegt de Dood. „Ik was verrast toen ik ’s
morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan die ik ’s avonds halen moest in
Ispahaan".
In een wereld waarboven sinds
september 2001 de dreiging van terrorisme hangt, heerst in Nederland sinds
begin deze maand een crisissfeer. Vroeger leidde crisis tot eendracht. Denk aan
de tweede wereldoorlog, toen goede Nederlanders, van communisten tot
anti-revolutionairen, samengingen in hun verzet tegen de bezetter.
Nu is het andersom.
Bevolkingsgroepen zetten zich tegen elkaar af. Een solist in het parlement die
haat zaait tegen moslims, lijkt steun te verwerven van één op de zes
Nederlanders. Zelfs ministers zijn onderling niet solidair. Toppunt:
D66-Kamerlid Lousewies van der Laan ziet haar kans schoon om afkeer te tonen
van alles wat met godsdienst te maken heeft. Gelukkig verwierf haar motie geen
Kamermeerderheid. Maar zij kreeg in de media wel volop kans haar standpunt uit
te dragen. In tegenstelling tot de synode van de Protestantse Kerk in
Nederland, wier kanselboodschap, zondag in vele kerken voorgelezen, nauwelijks
aandacht kreeg in radio en televisie.
Soms wordt het me even te veel. Dan
denk ik eraan me aan te sluiten bij die mensen die nu besluiten naar Canada of
Nieuw-Zeeland te emigreren.
Maar nee. Gistermiddag heb ik weer
beraadslaagd met een groepje mensen uit een protestantse gemeente, een r.k.
parochie en een moskee. Kleinschalig, inderdaad, maar het helpt om de rozentuin
tot bloei te brengen. In Ispahaan is het heil ook niet.
Terug naar het begin
van deze pagina
Respect
Gepubliceerd in het
Friesch Dagblad op woensdag 10 november 2004
Mag
ik hier schrijven wat ik wil? Nee. In de discussie over ‘vrijheid van
meningsuiting’ leggen velen de grens bij de rechter. Als die een uitspraak
niet rangschikt onder smaad of belediging, mag deze gedaan worden (aldus onder
anderen eurocommissaris Bolkestein op tv). In een fragment van een
televisiegesprek, uitgezonden na zijn dood, hoorde ik Theo van Gogh zeggen: „Als
ik het christendom mag beledigen, dan toch ook de islam". Fout. Al heeft
een rechter over die uitlatingen geen oordeel geveld, toch horen ze niet thuis
in een ordentelijke samenleving. Als respect ontbreekt, belanden we in de bange
situatie waarin ons land nu lijkt te verkeren.
Een opbeurende ervaring deed ik
enkele dagen geleden op. De oecumenische werkgroep van de rooms-katholieke
parochie en de protestantse wijkgemeente had de leden van de Turkse moskee
uitgenodigd voor een ‘ramadan-iftar-maaltijd’. Als er veertig mensen komen,
is het een succes, was tevoren gezegd. Daags voor het gebeuren belde Fehime,
vooraanstaand in de moskee: zij zou met veertig vrouwen komen. De protestantse
kookploeg verdubbelde ijlings de hoeveelheid ingrediënten. Uiteindelijk waren
er meer dan 120 eters, vrouwen en mannen uit alle drie de
geloofsgemeenschappen.
Voor de maaltijd spraken een
predikant en een imam gebeden uit; de imam met het gezicht naar Mekka en met de
zangstem die geen autochtone Nederlander hem kan nadoen. Wonderlijke ervaring,
in de wijkzaal van een kerk.
Ineens schoot me te binnen hoe, nog
niet zo lang geleden, protestanten de r.k. mis officieel bestempelden als ‘vervloekte
afgoderij’. Daarmee konden Nederlanders toen leven. Maar zo kunnen we nu niet
meer met elkaar omgaan. Nu is wederzijds respect vereist. Bij die
ramadanmaaltijd waren de porties klein door het onverwacht grote aantal eters.
Maar er heerste een sfeer van vreugde: ook na de moord op Van Gogh kunnen we
vredig samenzijn, met respect voor elkaar en elkaars godsdienst. Misschien
heeft die moord de goedwillenden juist wel dichter bij elkaar gebracht.
Terug naar het begin
van deze pagina
Dagelijks
brood
Gepubliceerd in het
Friesch Dagblad op woensdag 27 oktober 2004
Aan
het eind van deze middag ga ik naar de boekwinkel. Ik kijk al lang uit naar de
nieuwe bijbelvertaling en wil het boek lezen zodra het beschikbaar is: om 17.00
uur. Eerder mag het niet verkocht worden want eerst moet de koningin een
exemplaar in handen hebben.
Bijbelteksten zijn voor velen een
vertrouwd, onwrikbaar gegeven. De publiciteit rondom de bijbelvertaling heeft
mijn ogen ervoor geopend dat vertalers uit talloze mogelijkheden de beste
moeten kiezen.
Christenen kijken verschillend tegen
de bijbel aan. Voor sommigen is het boek van de eerste tot de laatste letter
door God zelf gedicteerd. Anderen denken dat de bijbel verhalen bevat van
mensen die vertellen over hun omgang met God. Maar iedereen zou moeten erkennen
dat de vertaling van die Hebreeuwse en Griekse woorden feilbaar mensenwerk is.
Toch achten velen de vertaling van bijna vierhonderd jaar geleden heilig. Zelfs
een godloochenaar als de schrijver Maarten ’t Hart heeft de Statenvertaling
nodig om zich tegen af te zetten. Hij weet zich geen raad met een nieuwere
vertaling.
Mij verbaast het wat de nieuwe
vertaling losmaakt in Nederland dat zich steeds verder verwijdert van bijbel en
kerk. Voor het eerst hebben alle christelijk geïnspireerde omroepen
gezamenlijke televisieprojecten opgezet. Ook programma’s die niet veel van
christenen moeten hebben (zoals Buitenhof en Nova) hebben erop ingehaakt. In
VARA’s Jongerenlagerhuis spraken eergisteravond jonge mensen opvallend
positief over de bijbel: onmisbaar om onze samenleving te begrijpen. Hoewel ook
een jongeman de stelling verdedigde: ‘Als je wilt weten wat christelijke
feestdagen betekenen, heb je de bijbel niet nodig. Dat kun je ook op internet
vinden’.
Mijn wijkgemeente gaat de nieuwe
vertaling in kerkdiensten gebruiken. Bij het gezamenlijk gebeden ‘Onze vader’
zal papier wel nodig zijn, want vanaf vanmiddag is het ‘Geef ons heden ons
dagelijks brood’ uit de tijd. Ik ga vanavond lezen hoe deze bede in
hedendaags Nederlands luidt.
Terug naar het begin
van deze pagina
Opvattingen
Gepubliceerd in het
Friesch Dagblad op woensdag 13 oktober 2004
„Nee, ik heb niet overal een oordeel over", zei m’n vader eens
tegen me toen ik vroeg naar zijn mening over een actuele kwestie. Hij heeft
gelijk, dacht ik toen. Waarom zou je over alles een standpunt moeten hebben?
In m’n loopbaan als journalist moest ik vaak wel een mening hebben.
Jarenlang heb ik als eindredacteur bij de NCRV korte commentaren uitgesproken
in de toenmalige radio-actualiteitenrubriek Hier en Nu. Tegelijk moest
ik mild zijn: we moesten opvattingen van anderen onbevooroordeeld brengen.
Ik merk dat ik, nu ik wat ouder wordt, over van alles een uitgesproken
oordeel heb. Ik stem dan ook bijna dagelijks over de ‘stelling’ van
Stand.nl (NCRV-radio, nu ook op televisie). Nieuw en hinderlijk is dat ik me de
laatste tijd hevig kan opwinden over standpunten van anderen die naar mijn idee
niet te pruimen zijn. Ik geef drie voorbeelden.
i VVD, D66 en enkele kranten ergeren mij vreselijk met hun negatieve
commentaren over de publieke omroep, die volgens hen wel kan verdwijnen.
Terwijl dit volgens mij de enige vorm van omroep is waar kijkers en luisteraars
echt iets aan hebben.
i Kijkers hebben Pim Fortuyn gebombardeerd tot topkandidaat voor de
titel ‘De grootste Nederlander aller tijden’, terwijl deze man met zijn
bizarre optreden alleen heeft gezorgd voor veel onrust in onze samenleving.
i Hoewel ik zelf door merkwaardige omstandigheden al tientallen jaren
lid ben van zowel de FNV als het CNV, vind ik de manier waarop deze vakbonden
het kabinet-Balkenende II proberen onderuit te halen, ronduit verwerpelijk.
Volgens mij doet de regering wat onze samenleving nu nodig heeft.
Als morgen de treinen en bussen niet rijden, zal ik me
danig ergeren. Maar ik besef dat dit slecht is voor mijn hart. En ik wil graag
nog heel lang mijn opvattingen aan u en anderen doorgeven.
Terug naar het begin
van deze pagina
Taal van nu
Gepubliceerd in het
Friesch Dagblad op woensdag 29 september 2004
Nog een kleine maand. Ik kijk uit naar de nieuwe bijbelvertaling. Vaak zit
ik me op zondagmorgen te verbazen als een lector bijbelgedeelten voorleest. ‘Zo
zeg je dat toch niet’, denk ik dan. Ja, zo spraken onze voorouders
vierhonderd jaar geleden met elkaar. Maar taal verandert; vrij snel zelfs. Een
bandopname met de stem van wijlen mijn vader klinkt mijn zonen al een tikkeltje
ouderwets in de oren.
Mijn generatie is opgevoed met de Statenvertaling. Daardoor zijn veel
teksten ons vertrouwd. Maar ze wekken wel een verkeerde indruk. Jezus heeft
toch niet in zo’n verheven, plechtstatige taal gepraat met de mensen om hem
heen?
De teksten waren voor ons een gegeven. Maar zo simpel blijkt het niet te
zijn. De columns van medewerkers van het Nederlands Bijbelgenootschap, het
afgelopen jaar in het Friesch Dagblad, hebben mijn ogen geopend voor de
vele moeilijke keuzes die de vertalers moesten maken. Goed dat die columns
binnenkort gebundeld, onder de titel ‘Lucht en Leegte’, in de boekhandel
liggen.
Blijft het probleem dat de samenleving van de bijbelse eeuwen heel anders
was dan de huidige. Sinds er elektriciteit in huis is, wordt ‘Zijn licht
onder de korenmaat zetten’ een duistere uitdrukking, die vertalers niettemin
moeten handhaven. Ze kunnen er niet van maken: ‘Je zet je website niet alleen
op je eigen harde schijf, maar publiceert die op internet zodat iedereen er
kennis van kan nemen".
Het ergert me dat emerituspredikant Nico ter Linde (van
Het verhaal
gaat...) ruim voor de verschijning de nieuwe vertaling de grond in boort,
in het tijdschrift ‘Onze Taal’. Ik wacht af tot 27
oktober. De passages die ik al gelezen heb, geven me hoop dat er veel te
ontdekken valt: teksten die altijd met een vertrouwde smaak maar goeddeels
onbegrepen naar binnen gleden, worden eindelijk duidelijk.
Terug naar het begin
van deze pagina
Beeld
Gepubliceerd in het
Friesch Dagblad op woensdag 15 september 2004
Het is een probeersel. Ik ben er al
een tijdlang mee bezig. Vandaag of uiterlijk morgen moet ik er de laatste hand
aan leggen: een dvd-film die zondagmorgen de preek in mijn wijkkerk zal
begeleiden.
Een jaar geleden is in de
wijkgemeente een werkgroep ‘Beelden in de kerk’ opgericht. Helaas zijn er
nog maar twee leden over: de predikant en ik. Maar we hebben wel een beamer,
een dvd-speler en een projectiescherm. Het gebruik daarvan in kerkdiensten is
nogal revolutionair: sinds de ‘beeldenstorm’ van 1566 verwachten
protestanten het heil vooral van de stem van de voorganger en de gemeentezang.
Maar sinds film en televisie onze
samenleving hebben overmeesterd, kunnen we niet meer zonder beeld. Geen
congres, geen conferentie of er is een projectiescherm waarop teksten, foto’s,
films worden geprojecteerd. Hier en daar gebeurt dat nu ook in kerkdiensten,
maar experimenten zijn nog zeldzaam.
In mijn Hilversumse wijkkerk wordt
het ‘startzondag’. Omdat volgende maand de nieuwe bijbelvertaling
verschijnt die in het komende seizoen veel aandacht zal krijgen, staat Het
Woord centraal. Ik heb op me genomen dit onderwerp te
veraanschouwelijken. Dat is nog niet zo simpel: het is niet bepaald een visueel
thema.
Voor sommige (oudere) kerkleden
wordt het misschien een cultuurschok; voor jongeren die gelukkig ook nog in
groten getale in onze kerk komen, kan het een openbaring betekenen. Dat hoop ik
althans. Ik denk dat kerken ook de verworvenheden van deze tijd moeten
uitbuiten om hun boodschap over te brengen, ook aan mensen die niet meer zo
getroffen worden door de vormgeving van de vorige eeuw.
Maar het kan natuurlijk ook
mislukken. De film kan tegenvallen; de bediening van de beamer kan fout lopen.
Ik ben knap zenuwachtig. Maar dat moeten ze in Hilversum maar niet horen...
Terug naar het begin
van deze pagina
Slecht plan
Gepubliceerd in het
Friesch Dagblad op woensdag 25 augustus 2004
De
TROS commercieel? Ik zie het nog geen succes worden. Adverteerders lokken en
winst maximeren is iets anders dan deel uitmaken van een op kijkers gericht
bestel waar de inkomsten niet de eerste zorg zijn. Veronica - toch populair bij
jongeren, de ideale doelgroep van reclamemakers - is na vertrek uit de publieke
omroep in vergetelheid geraakt. De VARA heeft de overstap overwogen, schrok
terug voor de consequenties. De TROS zal, alles overziende, ook wel
terugdeinzen. Als ze de stap toch zet, wordt ze spoedig opgeslokt en
uitgeschakeld door een buitenlandse gigant.
Dat de TROS een weg zoekt om
zichzelf te redden, is wel begrijpelijk. Staatssecretaris Medy van der Laan
(D66) is bezig de publieke omroep om te vormen tot een (kleine) staatsomroep.
De omroepverenigingen worden daarbij naar de marge verdreven of mogelijk
volledig verwijderd. Die operatie wordt makkelijker als een belangrijke
publiekstrekker opstapt. Geen wonder dat de andere omroepverenigingen nogal
paniekerig reageren.
De omroepverenigingen wekken de
indruk dat ze zich gedwee naar de slachtbank laten leiden. Vroeger stippelde
‘Hilversum’ zelf het beleid uit. Dat zou nog zo zijn als omroepverenigingen
en NOS gezamenlijk een plan voor een gezonde toekomst van de publieke omroep
maakten; een plan waarin intensieve samenwerking per televisiezender een
belangrijk onderdeel moet zijn. De TROS had het voortouw kunnen nemen; de
andere omroepverenigingen hadden kunnen inhaken. Vervolgens hadden ze het
publiek warm kunnen maken voor het plan, waarna de politiek er niet meer omheen
kan.
Wat er ook van de TROS komt, ik ben
bang dat alleen al de aankondiging van een mogelijke commerciële toekomst
rampzalige gevolgen heeft. Het lijkt een zelfmoordaanslag: de TROS blaast
zichzelf op en sleept de hele publieke omroep mee in het
verderf.
Wie in Hilversum neemt het
initiatief tot een betere koers, in het belang van miljoenen kijkers?
Terug naar het begin
van deze pagina
Altijd Athene
Gepubliceerd in het
Friesch Dagblad op vrijdag 13 augustus 2004
Drie steden hebben sinds mijn jonge jaren voor mij een bijzondere betekenis:
Jeruzalem, Athene en Rome. Ik ben grootgebracht met de bijbel. Dit verklaart de
fascinatie voor de stad van vele heilsverhalen. Het gymnasium wekte
belangstelling voor die andere steden. Rome was in de ogen van mijn leraren
geweldig, maar heeft voor mij een bijklank van wreedheid: zwaardvechters die
volle stadions moesten vermaken met pogingen hun tegenstander te doden;
christenen die, ook voor een groot publiek, voor de leeuwen werden geworpen.
Griekenland had iets mystieks: filosofen, schrijvers, van wie velen nu nog
bekend zijn. Ook de Olympische Spelen, in 776 voor Christus begonnen en lang
volgehouden. In de derde eeuw schaften christelijke heersers ze af: te heidens.
Maar na een pauze van 1600 jaar waren ze in april 1896 terug: in Athene. Als de
spelen vanavond in diezelfde stad beginnen, is dat de tweede keer in de moderne
tijd. De 23 spelen van 1900 tot 2000 waren elders.
Landen vechten om de spelen binnen de grenzen te krijgen. Ze geven er
honderden miljoenen voor uit. Waar zoveel geld omgaat kunnen gesjoemel en
pogingen tot omkoperij van de leden van het beslissende Internationale
Olympische Comité niet uitblijven.
Dat zou niet nodig zijn. De Spelen stammen uit Griekenland, zijn daar elf
eeuwen lang elke vier jaar gehouden. Daar horen ze thuis. Wij houden de
elfstedentocht toch ook niet afwisselend in Zeeland, Utrecht en de Achterhoek?
Lange tijd was de indruk dat de Grieken niet in staat zouden zijn de moderne
spelen te organiseren. Ze bewijzen nu dat ze dit wel kunnen.
Het IOC zou een daad stellen als het besluit dat in de 21e eeuw de
Olympische Spelen elke vier jaar in Griekenland gehouden
worden, in de regio waar ze een kleine drieduizend jaar geleden zijn ontstaan
en 108 jaar geleden hervat.
Terug naar het begin
van deze pagina
Zet ’m op
Gepubliceerd in het
Friesch Dagblad op woensdag 28 juli 2004
Het
is akelig stil in Hilversum. Nee, ik doel niet op de programma’s. Zelfs nu de
zomer echt begonnen is, vind ik elke avond wel iets interessants bij de
publieke omroep. Maar van de omroepverenigingen die deze programma’s
verzorgen, merk ik weinig, terwijl hen een droevig lot boven het hoofd hangt.
Enkele dag- en weekbladen voeren al
maandenlang een campagne tegen de publieke omroep. Verdacht voor zover zij zelf
financiële belangen hebben in een commercieel omroepbedrijf. Twee van de drie
regeringspartijen lopen bepaald niet warm voor omroepverenigingen (behalve BNN
die er nu juist weinig van bakt).
Het CDA was altijd warm
pleitbezorger voor het ‘middenveld’ - georganiseerde burgers -, maar de
vakbonden en de omroepverenigingen, die daartoe behoren, liggen niet goed in
het kabinet onder een CDA-premier. De omroepverenigingen hebben een
uitzendvergunning tot 2010, maar staatssecretaris mr. Medy van der Laan wil de
termijn met twee jaar inkorten. Daarna - zo lijkt het plan - worden de
omroepverenigingen teruggebracht tot productiebedrijfjes. Ze mogen dan
programma’s maken, maar of die uitgezonden worden, moeten ze maar afwachten.
En over tijdstip van uitzending en zender hebben ze niets meer te zeggen: dat
beslist een staatsorgaan.
Hier en daar klinkt zacht gemurmel
uit een bestuursorgaan van een omroepvereniging. Maar dat haalt niets uit. Als
de omroepverenigingen hun bestaansrecht willen bewijzen moeten ze aantonen
breed gedragen te worden. Ze moeten elk hun achterland mobiliseren. Misschien
is het nu, hartje zomer, niet de tijd daarvoor. Maar binnenskamers moeten nu
wel de voorbereidingen getroffen worden om in het najaar een slag te slaan.
Daarvan merk ik niets. Het kan toch niet zo zijn dat de omroepverenigingen zich
erbij neerleggen dat hun lot bezegeld is, nota bene onder een kabinet waarvan voorzitter
Balkenende vice-voorzitter van de NCRV was voordat hij zijn huidige taak op
zich nam.
Terug naar het begin
van deze pagina
Komkommer
Gepubliceerd in het
Friesch Dagblad op donderdag 15 juli 2004
Op
mijn eerste werkdag op een krantenredactie - meer dan 45 jaar geleden - had een
oudere collega het over ‘de opening’. Ik begreep niet wat hij bedoelde.
Tegenwoordig kennen ook niet-journalisten deze vakterm, vooral door het Radio
1-Journaal dat in het krantenoverzicht regelmatig meldt: ‘Het Friesch Dagblad
opent vandaag met...’
Het woord ‘verhaal’ was voor mij
een meestal verzonnen vertelling. Totdat ik ontdekte dat journalisten er een
artikel mee aanduiden.
Nog zo’n vakterm: komkommertijd.
Dit begrip dankt zijn bestaan eraan dat verreweg het meeste nieuws de vrucht is
van menselijke initiatieven. De volksvertegenwoordiging vergadert op tevoren
vastgestelde tijdstippen over geagendeerde onderwerpen en daar komen
krantenverhalen uit voort. Een organisatie belegt een persconferentie, een
sportbond plant een serie wedstrijden, een rechter kondigt
aan op een bepaald tijdstip vonnis te wijzen. Het nieuws is niet dat er een
debat, een wedstrijd, een vonnis is, maar de uitkomst daarvan.
Tussen nu en eind augustus staat er
weinig op stapel (behalve in de sport). Gevolg: weinig nieuws. Sommige
journalisten zitten met de handen in het haar als hen weinig wordt aangereikt.
Ik vond het altijd een uitdaging: niet aan de leiband van de agenda, maar zelf
op onderzoek uit.
Volgens sommigen is er in de
zomertijd weinig aandacht voor nieuws. Dat klopt niet: zelfs in
topvakantieweken is nog altijd tachtig procent van de mensen gewoon thuis. Ze
hoeven niet naar een vergadering, koorrepetitie, sporttraining en de televisie
is minder aantrekkelijk. Alle tijd voor de krant dus.
Als het mijn taak was publiciteit
voor een bepaalde zaak te genereren, zou ik dat in de komkommertijd doen.
Weinig concurrentie, veel aandacht. Een enkel slim Kamerlid lanceert in deze
tijd zijn ideeën. Maar de meeste voorlichters nemen er even hun gemak van.
Geeft niet: vindingrijke journalisten komen toch wel met boeiende verhalen
waarmee ze de krant kunnen openen.
Terug naar het begin
van deze pagina
Brood en ...
Gepubliceerd in het
Friesch Dagblad op woensdag 30 juni 2004
‘Geef
het volk brood en spelen’. Tweeduizend jaar geleden was dit het devies van de
keizers van Rome om hun onderdanen koest te houden. Er is weinig veranderd.
Brood is niet meer het probleem in Rome en de rest van de Europese Unie. En
opwindende spelen zijn er in overvloed: deze zomer achtereenvolgens een
voetbalkampioenschap in Portugal, de fietsronde van Frankrijk en Olympische
Spelen in Athene.
Tot kort geleden dacht ik dat die
evenementen weliswaar tot veel emotie leiden, maar geen rimpeltje achterlaten
in de samenleving. Als de wedstrijden voorbij zijn, gaat het leven gewoon door.
Het ligt anders, hoor ik nu.
Gewonnen wedstrijden stuwen de economie omhoog omdat mensen optimistischer naar
de toekomst kijken en dus hun geld laten rollen.
Als dit waar is, zijn die
sportevenementen verkeerd ingericht. Neem dat voetbal: in Portugal begonnen met
zestien landen, uiteindelijk is er één winnaar. Voor vijftien landen is er
dus vroeg of laat de teleurstelling van verlies en uitschakeling. Dat moet wel
slecht zijn voor de economie. Als de eindzege naar het bevolkingsrijkste
Europese land (Duitsland) ging, zouden mogelijk omliggende landen een beetje
kunnen mee profiteren van een opleving daar. Maar ook dat is deze zomer niet
het geval.
Er moet een ander systeem komen:
(bijna) iedereen moet winnen. Dat kan best. Het gebeurt bij eindexamens:
tachtig, negentig procent geslaagden. Of marathons: weliswaar één winnaar
maar ieder die binnen een afgesproken tijd de finish haalt, krijgt een
medaille. Sportbonden moeten nadenken over voetbaltoernooien, fietswedstrijden,
Olympische spelen waarbij nagenoeg iedereen zich winnaar mag noemen. De
economie zou met sprongen omhoog gaan en alle landen zouden op slag hun
problemen kunnen oplossen. Dat dit wondermiddel er nog niet is, komt doordat
sporters zich niet om economie bekommeren en economen neerkijken op sport.
Daarin moet verandering komen.
Terug naar het begin
van deze pagina
Fout gepeild
Gepubliceerd in het
Friesch Dagblad op vrijdag 18 juni 2004
Weer
sloegen opiniepeilers de plank mis. Dat gebeurt waarschijnlijk vaak; maar het
is zelden aantoonbaar. Vorige week wel. Een ochtendblad van donderdag, de dag
van de Europese verkiezingen, meldde op gezag van TNS Nipo (het grootste
onderzoekbureau van Nederland) dat PvdA en VVD zouden winnen en elk zes
eurozetels halen. Verliezer CDA zou vijf zetels krijgen. Dezelfde avond wisten
we dat PvdA en CDA elk genoeg stemmen hadden voor zeven zetels. De VVD bleef op
vier zetels steken. Deze week hoorde ik de directeur van TNS Nipo op de
EO-radio uitleggen hoe hij er zo naast had kunnen zitten. Waarna hij gewoon
doorging met z’n werk.
In onderzoek worden jaarlijks
miljoenen euro’s gestoken en bedrijven, politieke partijen, omroepen bouwen
hun beleid op de resultaten. Helaas: niemand weet of die kloppen. Soms doet dat
er ook niet toe. Als vandaag een onderzoeker beweert dat 31,3% van de
Nederlanders morgenavond een Tsjechische overwinning verwacht; 53,7% een
Nederlands succes en 15,0% gelijkspel, is dat grappig maar onbelangrijk. Anders
wordt dit als bedrijven miljoeneninvesteringen afstemmen op
onderzoekresultaten - die mogelijk niet kloppen, maar dat blijkt dan als het te
laat is.
De ‘politieke barometer’
beïnvloedt politici. Het televisieprogramma Nova laat regelmatig weten hoe de
verschillende partijen ervoor staan. Het baseert zich op onderzoekbureau
Interview NSS dat nauwkeurig is tot één cijfer achter de komma. Niemand kan
de gegevens controleren en dus neemt iedereen voetstoots aan dat de fictieve
zetelverdeling klopt en aangeeft in welke mate een partij in de gunst van de
kiezers staat.
Vorige week was bij uitzondering de
betrouwbaarheid van onderzoekresultaten wel te meten omdat er echte
verkiezingen waren. Ze bleken er faliekant naast te zitten. Ik vermoed dat
onderzoekresultaten zelden of nooit deugen. Alleen: niemand kan dat aantonen.
Sommigen zeggen: beter foute resultaten dan helemaal geen gegevens. Ja, zo lust
ik er nog wel een.
Terug naar het begin
van deze pagina
Barmhartig
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 4 juni 2004
Het
is echt gebeurd. Het deed mij denken aan een verhaal van een kleine tweeduizend
jaar geleden.
Mijn vrouw fietste door Hilversum.
Binnen onze woongemeente verplaatsen wij ons gewoonlijk per fiets, ook als het
weer wat minder is. En het weer was slecht. Het regende.
Ineens ging mijn vrouw onderuit. De
fiets gleed weg, zelf kletste ze tegen de grond.
Er liep een mevrouw langs. Ze keek
en ging verder.
Er kwam weer een mevrouw aan. Ze
zei: „Dat is mij onlangs ook overkomen" en ging verder. Intussen bleef
mijn vrouw versuft liggen.
Toen kwam er een jongeman aan. Hij
was zwart. Somalië misschien, dacht mijn vrouw achteraf, maar ze vroeg niet
naar z'n nationaliteit. „Kan ik u helpen, mevrouw?" vroeg hij in vrijwel
accentloos Nederlands. Hij wachtte het antwoord niet af, nam mijn vrouw bij de
arm en hielp haar op de been. Daarna zette hij de fiets overeind en keek of er
iets aan beschadigd was. Toen vroeg hij of m'n vrouw pijn had. Mijn vrouw en
hij groetten elkaar. Hij bleef nog even staan kijken of
mijn vrouw zonder problemen wegfietste.
In het verhaal van tweeduizend jaar
geleden was het ruwer toegegaan. Een reiziger was beroofd en bleef half dood op
een stille weg liggen. Twee landgenoten gingen met een boog om hem heen. Een
allochtoon uit een land waarmee de betrekkingen niet vriendschappelijk waren,
verzorgde de wonden, zette het slachtoffer in zijn eigen vervoermiddel en
bracht hem naar de 'eerste hulp' waar hij ook nog de rekening voor voedsel en
medicijnen betaalde. Jezus, die in Jeruzalem dit verhaal bedacht, stelde de
laatste tot voorbeeld aan zijn toehoorders.
Die twee Nederlandse mevrouwen die
aan mijn vrouw voorbijgingen, hadden dit bijbelverhaal waarschijnlijk wel eens
gehoord. Die zwarte jongen wellicht niet, maar hij handelde er wel naar.
Terug naar het begin
van deze pagina
Na zestig jaar
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
woensdag 26 mei 2004
Ineens
drong tot me door: ik word een zeldzaamheid. Mensen die de tweede wereldoorlog
van de eerste tot de laatste minuut bewust hebben geleefd, zijn een minderheid
geworden. Maandagavond bracht het t.v.-programma Netwerk een ontmoeting van een
- nu tachtigjarige - Duitser die op 6 juni 1944 op het strand van Normandië
met zijn mitrailleur duizenden Amerikanen heeft gedood; en een Amerikaan die de
uiteindelijk succesvolle invasie heeft overleefd.
Ik herinner me nog levendig de
opwinding, thuis en op school, toen het nieuws uit Normandië ons bereikte. En
alles wat daarop volgde, tot de bevrijding op 17 april 1945 in Koudum. Veel uit
die oorlog staat me nog helder voor de geest. In die eerste jaren na 1945
gold dat voor iedereen. Ik besefte dat er eerst kinderen, daarna ook
volwassenen kwamen die deze herinneringen niet deelden en die er soms ook blijk
van geven niet te begrijpen hoe het toeging in die oorlogsjaren; hoe wij
dachten, voelden, handelden. Soms hadden ze heel vreemde ideeën over 1940-’45.
Het leek wel eens of ze het vooral een spannend jongensavontuur vonden dat ze
helaas hadden gemist.
Intussen - zo besef ik - zijn het
alleen AOW’ers die uit eigen herinnering weten hoe het was. Eigenlijk is het
voor iemand van nu absoluut onbegrijpelijk dat een Duitser op bezet Frans
grondgebied in koelen bloede iedereen neerschoot die vanuit Engeland het
Europese vasteland probeerde te bereiken.
Het is goed dat de strijd tegen de
Nazi’s over anderhalve week aan de kust van Normandië herdacht wordt. Het is
nog belangrijker dat Europeanen in 25 landen een week later naar de stembus
gaan voor de verkiezing van een nieuw europarlement. Alleen een democratisch
Europa kan herhaling van gebeurtenissen van zestig jaar geleden voorkomen en
zich met succes verdedigen tegen de Osama bin Ladens uit andere werelddelen.
Terug naar het begin
van deze pagina
Vreugdetranen
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
donderdag 13 mei 2004
Tranen biggelden over de wangen van de Syrische, zondagmorgen.
Maar laat ik bij het begin beginnen. Het Syrische gezin, gevlucht toen
marteling en dood dreigden, woont in asielzoekerscentrum Crailo. De vrouw en
haar kinderen komen iedere zondagmorgen naar de Hilversumse Behlehemkerk. Een
vrijwilliger haalt ze af. Als hij niet kan, vraagt hij mij de drie te rijden.
De eerste keer nodigde de vrouw me voor een kopje koffie in hun 'woning': één
kamer, bedden, een bankje, een tafeltje, vier stoelen, een kookhoek, een tv’tje.
Elke keer als ik ze zag, vroeg ik voorzichtig 'of ze al iets wisten'. Nee.
Eind april leek de klap te komen. Minister Verdonk bestemde Crailo tot
uitzetcentrum. Dit betekende evacuatie van alle bewoners.
Vorige week zondag deed de diaconie een oproep: vrijwilligers gevraagd voor
de verhuizing van asielzoekers. Dit verbaasde me: als de overheid wil dat deze
mensen naar elders gaan, zal zij toch wel zorgen dat ze, met hun spulletjes,
overgebracht worden, dacht ik. Nee, zei de diaken me, de overheid geeft alleen
een treinkaartje. Asielzoekers zijn weliswaar de armste mensen in Nederland,
maar ze hebben wel enkele potten en pannen, een stoel, een tafel, kleding -
meer dan past in een koffer. De kerken hadden het initiatief genomen om te
helpen, zodat deze mensen hun eigendommen konden behouden.
Vorige week kwam onverwacht de omkeer. Minister Verdonk zag af van Crailo
als uitzetcentrum. En het Syrische gezin hoorde dat het een verblijfsvergunning
krijgt. Het viertal kan nu echt gaan werken aan een toekomst in dit land.
In de kerkdienst deelde een diaken dit zondag mee. De gemeente reageerde met
een lang en warm applaus. Na de dienst spraken enkele gemeenteleden de vrouw
aan. Toen werd het haar te machtig. Tranen liepen over haar gezicht.
Vreugdetranen. "Er zijn vele gebeden verhoord", zei een vrouw tegen
me.
Terug naar het begin
van deze pagina
Geen haast
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
woensdag 28 april 2004
Over wachttijden in de medische wereld hoor ik van tijd tot tijd. Maar ik
was toch geschokt toen ik er zelf mee te maken kreeg. Kwaal aan een oog? De
oogarts wil er wel naar kijken... later. Of het dan nog zin heeft?
Laat ik m'n verhaal vertellen, in het besef dat u het waarschijnlijk erger
heb meegemaakt.
De laatste tijd had ik het idee dat mijn bril oud en slecht werd. U denkt nu
dat het wel anders zal zijn: dat ik oud en slecht word. Ook mogelijk.
Ik besloot de opticien te raadplegen. Op donderdag 22 april stapte ik
binnen, zonder afspraak. Hij had onmiddellijk tijd voor een oogtest. Resultaat:
andere brillenglazen en een voorzichtige suggestie naar een oogarts te gaan, in
verband met aftakeling van het linkeroog.
Ik belde de oogarts die me eerder heeft behandeld; kreeg een assistente.
Nee, de patiëntengegevens stonden niet in de computer. "Die gooien we na
een tijdje weg".
"Een afspraak? Ja hoor, even kijken" en na een korte pauze:
"Dinsdag 2 november, tien over negen".
Misschien kan de behandeling best een half jaar wachten. Maar hoe weet die
assistente dat? Ze heeft niet gevraagd wat de kwaal is.
Ik vertelde dit iemand die het sterker heeft meegemaakt. Zij belde een
gynaecoloog. "Over zes weken kunt u komen, mevrouw". Vijf weken later
lag ze in het ziekenhuis: een operatie redde haar leven. Als ze de afspraak met
de gynaecoloog had afgewacht, was ze voordien gestorven.
Je zou denken: de medicus bekijkt direct de medische situatie; beslist dan
over de urgentie; ergens tussen 'direct behandelen' en 'over
een jaar terugkomen'. Maar nee.
Zoals gezegd: mijn geval is licht. Maar het geeft wel een somber beeld van
gebruiken in de medische wereld. Die zou eigenlijk eerst zichzelf eens gezond
moeten maken.
Terug naar het begin
van deze pagina
Aan de lijn
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
woensdag 24 maart 2004
Terwijl ik dit stukje schrijf, klinkt aangename licht-klassieke muziek uit
de luidsprekers van mijn computer: Classic FM. Radio via internet is niet nieuw
voor me. Vorig jaar toen Radio 1 na de herverdeling van FM-frequenties op mijn
draagbare toestel niet meer te ontvangen was, heb ik die zender vaak via m’n
computer beluisterd. Ik heb inmiddels een nieuw, duurder radiotoestel gekocht.
Ik las dat nu ook radiostations ontstaan waarvan de programma’s alleen via
internet verspreid worden. De VPRO heeft een hele reeks opgericht. Daar heb ik
ook even naar geluisterd; maar die wilde popmuziek ligt me niet.
Soms zie ik ook televisie via internet. Het geluid is uitstekend, het beeld
nog niet (al wordt dit steeds beter). Het aardige is dat vele gemiste programma’s
alsnog te zien zijn. Als ik gisteravond het NOS-journaal had gemist, zou ik dit
nu alsnog kunnen bekijken.
Het is allemaal in de beginfase, maar biedt fantastische mogelijkheden.
Zoals de VPRO doet, zouden ook NCRV en EO 24 uur per dag radio- en
televisieprogramma’s via internet kunnen verspreiden voor de eigen doelgroep.
Interessant ook: internet kent geen grenzen. Nederlanders in Nieuw-Zeeland en
Canada kunnen dus net zo goed de herdenkingsprogramma’s rondom koningin
Juliana ontvangen als wij in Nederland. En prinses Máxima hoeft in Wassenaar
geen Argentijns programma te missen.
Er is ook een minpunt: de versnippering. Na het overlijden van koningin
Wilhelmina keek heel Nederland naar hetzelfde herdenkingsprogramma. Na de dood
van Juliana was de aandacht verdeeld over een reeks publieke en commerciële
zenders - zoals trouwens op elke dag van het jaar. De keuze wordt dankzij
internet nog veel groter. Alleen: er komt nauwelijks meer geld voor programma’s
en die moeten dus steeds goedkoper gemaakt. Naarmate het aanbod groeit, neemt
de kwaliteit af. Zo heeft deze vooruitgang ook zijn negatieve kant, helaas.
Terug naar het begin
van deze pagina
Zwakke schakel
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 12 maart 2004
De publieke omroep ligt onder vuur. Enkele kranten en tijdschriften schieten
er voortdurend hun pijlen op af en de meeste politieke partijen voelen er
weinig voor de omroep van ons allemaal in bescherming te nemen. Integendeel, ze
maken ‘Hilversum’ het leven behoorlijk zuur.
Je zou verwachten dat de omroepen in die omstandigheden alles op alles
zetten om hun bestaansrecht te bewijzen. Dat gebeurt ook op Nederland 1 en
Nederland 2; maar Nederland 3 laat het bijna volledig afweten. Op het ‘thuisnet’
van VARA, NPS, VPRO en RVU komt alleen de voormalige sociaal-democratische
omroep af en toe met een uitzending die in de smaak valt bij een flink aantal
kijkers (Kassa, Kopspijkers), maar de meeste VARA-programma’s scoren slecht.
De VPRO lijkt helemaal het spoor bijster: zelfs VPRO-leden kijken nauwelijks
naar haar programma’s. Het ‘marktaandeel’ van Nederland 3 loopt
zienderogen terug (tot ruim 6 nu), terwijl Nederland 1 bijna het dubbele en
Nederland 2 (vooral dankzij sportreportages) haast het drievoudige haalt.
De taak van de publieke omroep staat voortdurend ter discussie. Nederland 1,
2 en 3 horen het totale Nederlandse publiek te bedienen met programma’s uit
elk genre. Maar sommige politici zien het anders: de ‘publieken’ moeten
alleen doen wat de ‘commerciëlen’ nalaten. Dat is wel erg mager.
Als Nederland 3 op de huidige toer doorgaat, komt binnenkort de vraag aan de
orde of die zender nog bestaansrecht heeft. Het schrappen ervan kon wel eens
het begin van het einde van de publieke omroep zijn. Het is onbegrijpelijk dat
de managers van Nederland 3 zich niet inspannen om hun
zender, met behoud van zijn progressief-culturele invalshoek, omhoog te stuwen.
Het klinkt vreemd, maar ook NCRV, EO en KRO zouden daarvan profiteren: het
huidige bestaan naast kneusjes is niet stimulerend. De publieke omroep kan
alleen winnen als het hele team uit sterke spelers bestaat.
Terug naar het begin
van deze pagina
Aan de grond
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
woensdag 18 februari 2004
Is dit de boodschap die negen protestantse kerkgenootschappen aan het Nederlandse volk willen meegeven aan
het begin van de eerste dag van de week? Dat vraag ik me elke zondagmorgen af
als ik, voor het nieuws van acht uur, de column ‘Aan de grond’ hoor. André
Manuel is een chagrijnige man die in vulgaire taal klappen uitdeelt. Een
citaat: „Mochten er binnenkort dan ook vele mysterieuze verdwijningen in uw
omgeving plaats vinden, dan weet u dat Jan Peter de zegeningen van de
martelkamer heeft ontdekt".
Job de Haan, hoofd radio van de
Interkerkelijke Omroep Nederland (IKON), verantwoordelijk voor de ‘satirische
column’, vergelijkt Manuel met oudtestamentische profeten. Als ik dus zeg dat
Manuel mijn zondagochtend verzuurt totdat de kerkgang me weer op de been helpt,
zal De Haan tegenwerpen dat die profeten er ook niet op uit waren om hun
hoorders op te vrolijken. Mijn weerwoord: bij Manuel proef ik niets van
goddelijke inspiratie.
In Nederland hebben kerken eigen
zendtijd. Het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap (RKK) heeft de vulling ervan
opgedragen aan de KRO. Negen protestantse kerken hebben daarvoor de stichting
IKON opgericht; enkele andere vullen ‘Zendtijd voor Kerken’ (ZVK). Heel
beperkt worden nog kerkdiensten en andere verkondigende programma’s
uitgezonden. Terwijl in kerkgebouwen eeuwenoude tradities heersen zoeken radio-
en televisiemakers nieuwe invalshoeken. Wie op de IKON-website het ‘profiel’
leest, raakt onder de indruk. En de uitzendingen? RKK’s Kruispunt is een
uitstekend programma, maar wat is er kerkelijk aan een bezoek aan een goed
functionerend verpleeghuis en een terugblik op een oorlogsfoto uit 1945
(afgelopen zondagavond)? Welke christelijke ondertoon ontdekken we als
ex-politicus Paul Rosenmöller optrekt met Irene van Lippe-Biesterfeld (IKON-tv)?
De
kerkgenootschappen zouden er goed aan doen de presentatie in honderden
kerkgebouwen in het land en op radio en televisie meer op één lijn te
brengen.
Terug naar het begin
van deze pagina
Ongewenst
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
woensdag 4 februari 2004
Wie een forse tuin laat aanleggen en onderhouden, neemt daarvoor één
tuinman en niet tien die ieder een hoekje voor hun rekening nemen. Zo is het ook
bij televisiezenders. Publieke omroepen, staatsomroepen, commerciële omroepen,
altijd en overal ter wereld is één organisatie verantwoordelijk voor alle
programma’s op een zender. Behalve bij de Nederlandse publieke omroep. Daar
zijn voor drie zenders negen grote en enkele tientallen kleine organisaties die
elk hun portie krijgen. Dat is frustrerend en slecht voor de kwaliteit.
Momenteel kloppen aan de voordeur van de publieke omroep negen nieuwe
gegadigden die azen op brokjes zendtijd en omroepgeld. Het is daar nu de tijd
voor: de aanmeldingstermijn sluit op 1 maart en dan is de deur voor vijf jaar op
slot. Nieuwelingen moeten minstens 50.000 betalende aanhangers hebben en
aantonen dat ze echt iets nieuws in petto hebben. Het laatste woord heeft de
staatssecretaris. Aad Nuis maakte van zijn bevoegdheid gebruik om BNN van Bart
de Graaff in 1998 toe te laten, hoewel diens initiatief nauwelijks serieus leek.
Een volgende staatssecretaris, Rick van der Ploeg, wees De Nieuwe Omroep af:
niet vernieuwend genoeg.
De gegadigden van nu denken de samenleving een plezier te doen met een
programma-aanbod van, voor en over ouderen (Max), dieren (Nútopia, Dienamo),
jonge honden (DNO), volkszangers (MON), kinderen (Kter), nieuwe Nederlanders (SME),
homo’s en vrienden van wijlen Pim Fortuyn.
Ze hebben nauwelijks nieuwe programma-ideeën. Bovendien: er komt geen
zendtijd bij, dus als een nieuwe omroep wordt toegelaten, moeten bestaande
omroepen programma’s schrappen. Belangrijkste argument tegen al die
gegadigden: de versnippering en daarmee de chaos op de zenders wordt groter - en
daarmee boeten de zenders aan aantrekkelijkheid voor kijkers en luisteraars in.
Dus: laten we hopen dat de huidige staatssecretaris, Medy
van der Laan, alle nieuwelingen afwijst.
Terug naar het begin
van deze pagina
Benauwd
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
donderdag 22 januari 2004
Een telefoontje van m’n oudste zus.
Een zin uit de krant had bij haar pijnlijke herinneringen naar boven gehaald.
„Denk je eens in wat het betekent als een paar leerlingen elke zaterdagochtend
tegenover je huis gaan staan en bedreigingen uiten" zei het Kamerlid J.
Tichelaar, voortgekomen uit de onderwijswereld, naar aanleiding van de moord op
een Haagse leraar.
Het gezin was in 1969 gaan wonen in
een dorp, zeven kilometer van de stad waar mijn zwager
leraar was aan wat nu een vmbo-school zou zijn. Ze waren de eerste bewoners in
een wijk-in-aanbouw. M’n zwager gaf regelmatig ook ’s avonds les.
Op een avond stond een groep
opgeschoten knullen voor de deur. Ze schreeuwden vulgaire teksten en
bedreigingen, gooiden stenen. M’n zus, thuis met een baby en enkele andere
kleine kinderen, kreeg het knap benauwd. De woning ernaast was nog onbewoond; er
was geen telefoon.
Het voorval herhaalde zich, vele
malen. Totdat mijn zwager in de schooladministratie opzocht welke leerlingen uit
zijn dorp kwamen. Hij riep ze ieder apart bij zich in een klaslokaal, sprak ze
streng toe en gaf ze een draai om de oren.
„Dat mag tegenwoordig niet
meer", zei ik toen m’n zus dit vertelde. „Toen ook niet. Maar het
werkte wel. De jongens zijn nooit meer teruggekomen en op school spraken ze met
respect over m’n man: ‘Die leraar kan hard slaan’."
M’n zwager is overleden; de
kinderen zijn de deur uit. M’n zus woont nog in hetzelfde huis. Jarenlang had
ze niet meer aan die benauwende avonden gedacht; de herinnering kwam boven bij
het nieuws van de afgelopen week. Haar conclusie: we moeten niet denken dat
wangedrag van schooljongens pas in deze tijd is opgekomen en dat het alleen
voorkomt bij allochtonen. Sommige Nederlandse dorpsjongens van 35 jaar geleden
waren geen haar beter.
Terug naar het begin
van deze pagina
Rooklucht
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 2 januari 2004
Nieuwjaarsmorgen
2004. Een indringende rooklucht in huis. Dat verbaasde me: de dampen van rotjes
en vuurpijlen waren kennelijk acht uur in het nieuwe jaar nog niet verdwenen.
Maar nee: de buurman, wakker geworden van de rook, kwam vertellen dat verderop
in de laan een villa brandde. Nog altijd leeft in mij iets voort van de
nieuwsjager die ik vroeger was. Voor zonsopgang stond ik bij de woning waaruit
vlammen hoog oplaaiden. Dikke rookwolken stegen op.
Dat bracht een grapjas onder de
weinige toeschouwers tot de opmerking: „Ik dacht dat het rookverbod vandaag
was ingegaan..."
Een vreemde overgang. Ik had
inderdaad in mijn overpeinzingen bij de jaarwisseling bedacht dat de enige
zekerheid van het nieuwe jaar de controverse tussen rokers en niet-rokers is; de
laatsten gesteund door de wetgever. De afgelopen jaren was er steeds iets
spannends. Het begin van een nieuw millennium. Op 1 januari 2002 kregen we niet
alleen de euro, maar ook het vooruitzicht van verkiezingen waarvoor een nog
tamelijk onbekende Pim Fortuyn warm liep. Op 1 januari 2003 stonden weer
verkiezingen voor de deur en was er de dreiging van de oorlog in Irak. En nu?
Lopende zaken worden afgewikkeld, met onzekere uitkomsten. Zien de VS kans rust
en veiligheid terug te brengen in Irak? Ontpopt Balkenende zich als een groot
staatsman?
Eén ding is wel zeker: rokers moeten
in de vrieskou van dit jaarbegin de straat op of het fietsenhok in als ze hun
verslaving niet onder de knie krijgen. De wet die opkomt voor de gezondheid van
niet-rokers, is van kracht en dat zal heel wat discussies, commentaar en zelfs
strijd opleveren. Ons land zou van een kwaal verlost zijn als aan het eind van
dit jaar niemand meer rookwaar opsteekt. Ik maak graag één uitzondering: voor
de vredespijp.
Terug naar het begin
van deze pagina
|