|
‘Ere
zij God’
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 19 december 2003
In de kerstnachtdienst in mijn
wijkgemeente in Hilversum zingen we ‘Ere zij God’. In het werkgroepje dat
deze viering voorbereidt, vertelde ik een medelid, programmamaker bij de
Evangelische Omroep, een herinnering.
In 1980 - ik was waarnemend
programmaleider - had de NCRV onafgebroken radiozendtijd van woensdag 24
december 18.00 uur tot donderdag 25 december 24.00 uur. We besloten alle
programma’s die we gewoonlijk op woensdag en donderdag uitzonden, te schrappen
en een speciaal kerstprogramma te ontwerpen.
Wat willen mensen horen als ze op
eerste kerstdag wakker worden en de radio aanzetten? vroeg ik me af. Alle
bekende kerstliederen. Dus vroeg ik de muziekafdeling zo’n programma voor te
bereiden. Toen ik het lijstje kreeg, schrok ik: prachtige muziek ongetwijfeld,
maar alles volslagen onbekend. „Ik dacht aan de bekende liederen", zei ik
tegen het hoofd van de muziekafdeling, „Stille nacht, Eere zij God en zo
meer". „Ere zij God"? antwoordde hij met verbazing. „Dat zenden we
nooit uit: een laag-bij-de-gronds soldatenwijsje, zei Geerink Bakker
altijd".
Mynko Geerink Bakker, universitair
afgestudeerd musicoloog, sinds 1946 werkzaam bij de NCRV, legde de lat hoog. Zo
weerde hij alle liederen van Johannes de Heer, hoewel die bij een groot deel van
het protestantse volk populair waren. Ook andere door christelijke koren
veelvuldig gezongen liederen konden niet door zijn beugel.
In de jaren ’60 kwamen veel
verzoeken binnen die muziek wel uit te zenden, maar Geerink Bakker - dit najaar
overleden - bleef halsstarrig. Een comité vroeg: Geef ons een half uur
radiozendtijd per week, dan vullen we dat zelf. De NCRV weigerde. Toen werd de
Evangelische Omroep opgericht.
Kerstmis 1980 heb ik drie keer ‘Ere
zij God’ via de NCRV uitgezonden; onder andere in de kerstnacht als eerste
lied na middernacht. Weinigen beseften dat dit een doorbraak was.
Protestantse kerken gaan fuseren. Nu
de omroepverenigingen nog.
Drs. H.
Glimmerveen was in de jaren ’60 en ’70 hoofd informatieve radioprogramma’s
bij de NCRV; omstreeks 1980 waarnemend hoofd van de NCRV-radiodienst.
Terug naar het begin van deze pagina
Pakjesavond
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 5 december 2003
Uit mijn actieve jaren herinner ik
me: één dag in het jaar vonden journalisten hun werk zinloos; op 5 december.
De abonnees hebben het druk met het uitpakken van cadeautjes, het voorlezen van
gedichten en het smullen van gevulde speculaas. Geen tijd voor de krant. Een
column op een sinterklaasavond in een landelijke krant is me bijgebleven. Daarin
legde de schrijver met heel veel woorden uit dat zijn bezigheid die dag
volstrekt nutteloos was: zijn verhaal zou wel gedrukt, maar niet gelezen worden,
veronderstelde hij.
Maar het klopt niet. In mijn jongste
jaren vierden wij thuis uitbundig sinterklaas. De goedheiligman kwam zelfs
langs. Pas later besefte ik dat wij kinderen toch al ruim voor acht uur in bed
lagen. Daarna hadden mijn ouders nog volop tijd om De Standaard te lezen.
Niemand hoeft vanavond naar de
koorrepetitie of een clubavond. Het is geen koopavond, er staat geen huiswerk
voor morgen in de agenda. Velen mogen vanmiddag van hun baas iets eerder naar
huis. Juist extra tijd voor de krant van vandaag dus.
Trouwens, niet iedereen viert
sinterklaas. Of het blijft simpel: een echtpaar waarvan de man aan zijn
vrouw en de vrouw aan haar man een cadeautje geeft - dat is betrekkelijk gauw
klaar.
Ik kan me voorstellen dat de niet- of
sobervierders toch wel een beetje in de sinterklaasstemming willen komen.
Televisie is daarvoor het medium bij uitstek. Het valt elk jaar tegen wat de
omroepen voor hen doen. Kijk maar in het programmablad: vrijwel elk programma na
Sesamstraat zou ook op iedere andere avond uitgezonden kunnen worden. Jammer.
Overigens: u bent het beste bewijs
dat ook het schrijven voor de krant van 5 december zinvol is. Immers, u hebt
deze column gelezen, tot en met de laatste zin.
Terug naar het begin van deze pagina
Verdeeld
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 7 november 2003
Nederland is verdeeld tot op het bot.
Lijkt het. Vroeger was het naar mijn indruk anders. We waren eerst (bijna)
allemaal tegen nazi-Duitsland, later tegen het communisme. Iedereen was ervan
overtuigd dat Nederlands Indië ons toebehoorde; later vonden we allemaal dat
Indonesië terecht zelfstandig was. Elke Nederlander was voor sinterklaas;
iedereen geloofde in een leven na de dood.
Dat was vroeger. En nu? Sommige media
wekken de indruk dat bij elk denkbaar onderwerp de ene helft van de Nederlanders
lijnrecht tegenover de andere helft staat.
Dat komt door de werkwijze van
sommige omroeprubrieken. Als er een spraakmakende kwestie is, nodigen zij twee
mensen met tegengestelde meningen uit. Het streven is niet om tot een akkoord of
een compromis te komen. Integendeel, de presentator prikkelt de geïnterviewden
tot scherpe tegengestelde uitspraken. En dat is het dan.
Een stap verder gaat de formule van
het NCRV-radioprogramma Stand.nl. Dat lanceert elke werkdag een stelling. De
luisteraar kan (via sms, telefoon of internet) aangeven of zij/hij het ermee
eens is of niet. Voor nuances is geen plek. Aan het eind van het halfuur klinkt:
eens 59%, oneens 41% (of een ander percentage). Geen conclusie, slechts
het gevoel dat het Nederlandse volk ook op dit punt verdeeld is.
Dat Nederlanders op een flink aantal
punten verschillend denken, is niet erg, als we maar beseffen dat we het over
verreweg de meeste onderwerpen wel eens zijn. Anders zou onze samenleving in
elkaar klappen. En als de meningen uiteenlopen? Soms maakt dat niet uit. En als
er wel één standpunt moet komen, hebben we democratisch bedacht dat de
meerderheid gelijk krijgt. Zoals deze week bij het FNV-referendum.
Ik kijk uit naar een radio- of
televisierubriek waarin wekelijks een onderwerp aan de orde komt waarover
Nederlanders het in grote lijnen hartelijk eens zijn. Maar waarschijnlijk is dat
te saai.
Terug naar het begin van deze pagina
Publieke omroep onder druk
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 10 oktober 2003
De publieke omroep - nog altijd het
beste wat we op het gebied van radio en televisie hebben - staat onder grote
druk. De politiek heeft met de afschaffing van de omroepbijdrage het heft in
handen genomen, maar zwabbert. Symbolisch is het AKN-gebouw in Hilversum. AVRO,
KRO en NCRV moesten hun oude, vertrouwde studio’s verlaten om onder één dak
te werken aan een sterk Nederland 1. De verhuizing was nog niet achter de rug of
er kwam een ander beleid: alle omroepverenigingen moeten op alle zenders. Zo
worden soms twee NCRV-programma’s gelijktijdig, op Nederland 1 en 2,
uitgezonden. Dit versterkt allesbehalve de verbondenheid binnen de NCRV. Nu moet
het weer anders: EO en AVRO moeten van zender ruilen.
Het is ook onduidelijk waaraan
omroepverenigingen moeten voldoen. Soms moeten ze duidelijk hun ideële
achtergrond tonen, dan weer moeten alle programma’s op een zender homogeen
zijn.
Politici willen sturen maar ze weten
nauwelijks waarheen. De VVD ziet weinig in omroepverenigingen; heeft liever
omroepbedrijven die aandeelhouders bevredigen. D66 heeft niets op met
organisaties wier wortels liggen in de verzuiling, maar voelt ook weinig voor
commercie. De PvdA had vroeger
innige banden met de VARA, maar lijkt nu de commercie minstens even lief te
hebben als organisaties met leden en een ideologie. Alleen het CDA en de
ChristenUnie houden nog een beetje van de publieke omroep.
Intussen voeren enkele bladen - met
name NRC-Handelsblad en Elsevier - een hetze tegen de publieke omroep; vooral
ingegeven door het feit dat de STER bloeit terwijl de advertentie-inkomsten van
kranten en tijdschriften teruglopen.
We zullen het nog betreuren als
straks de publieke omroep is teruggedrongen tot een marginaal verschijnsel en
als we onze informatie en verstrooiing moeten halen uit veelvuldig door reclame
onderbroken programma’s van bedrijven wier wijsheid is dat uitzendingen die
inhaken op de laagste instincten, het beste verkopen.
Terug naar het begin van deze pagina
Na
veertig jaar
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
dinsdag 9 september 2003
Wat is er in die veertig jaar veel veranderd, zeiden mijn vrouw en ik zondag
tegen elkaar. We vierden met z’n tweeën een feestje in het land van onze
huwelijksreis. Het was heel traditioneel, die zaterdag, de 7e september 1963:
’s morgens het stadhuis, ’s middags de kerk. Die trouwdienst was bijna niet
doorgegaan - dat incident haalden we met een glimlach op.
Ik moet eerst zeggen dat ik hervormd was (en ben, sinds in 1946 de
Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband opgingen in de Nederlandse Hervormde
Kerk) en mijn vrouw rooms-katholiek. Zij was bovendien officier bij de
Koninklijke marine. De Amsterdamse studentenpredikant G. van Leeuwen bij wie ik
belijdenis had gedaan, en vlootaalmoezenier pater Van Voorst tot Voorst
(jezuïet) bleken bereid samen onze trouwdienst te leiden.
De middag voor de trouwdag hadden we een laatste bespreking. De pater liep
ons tegemoet en zei: „De dienst kan niet doorgaan". Geschokt vroegen we
naar de reden.
Ik werkte als journalist bij een krant in Amsterdam. Op de trouwkaart stond
de bijzondere trouwdienst aangekondigd. Natuurlijk werd daarover in
journalistieke kringen gesproken. Een redacteur van De Volkskrant zag er
(terecht) nieuws in. Hij belde de pater om informatie en wilde op de ochtend van
onze trouwdag publiceren. „Als dit in de krant komt, doe ik het niet",
zei de pater, kennelijk kerkelijke tucht vrezend.
„Wacht maar even", zei ik en pakte de telefoon. „Als je dit morgen
publiceert, is het bericht onjuist", zei ik tegen m’n collega. Ik legde
de zaak uit en hij begreep het. De trouwdienst kon doorgaan.
Tegenwoordig zijn geestelijken al verheugd als paren in de kerk willen
trouwen; ook al is het in een gemengde dienst.
De zegen die ons toen is toegebeden, hebben we overvloedig ontvangen,
constateerden we zondag, terug in het hotel waar we de eerste dagen als
getrouwden hebben doorgebracht.
Terug naar het begin van deze pagina
Naar
school
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
woensdag 13 augustus 2003
De kinderen in onze omgeving zijn op
deze derde schooldag alweer een beetje gewend. Ik nog niet. Ik vind het nog
altijd vreemd op een augustusdag een moeder of vader te zien die het kroost naar
school brengt. Augustus is immers dé vakantiemaand. In mijn jeugd was op de
lagere school (het woord ‘basisschool’ kenden we niet) de zomervakantie
steevast van de laatste vrijdag in juli tot de eerste dinsdag in september. Zo
hoort het ook, ben ik geneigd te zeggen.
 |
|
Uit het Friesch
Dagblad, 13 augustus 2003 |
Waarom eigenlijk? Mensen in de
Middeleeuwen overleden in precies dezelfde wereld als waarin ze geboren waren.
Maar nu tuimelen de nieuwigheden over elkaar heen. De wereld van nu lijkt in
bijna niets op die van mijn jongste jaren. Mijn generatie heeft zich enorm
aangepast, in doen en denken. Maar soms blijken dingen die in de jeugd
ingeslepen zijn, niet makkelijk weg te poetsen. Augustus vakantiemaand,
bijvoorbeeld. Mijn weerzin tegen vloeken. De gulden mag dan al twintig maanden
uit de roulatie zijn, bij velen zit hij nog vooraan in de gedachten.
Bij oudere buitenkerkelijken blijkt
de herinnering aan kerkelijke elementen uit hun jeugd dikwijls heel levendig.
Vroeger leek het of ze zich daartegen afzetten; maar nu hoor je steeds vaker dat
die gevoelens nog heel warm zijn, ook al is het geloof in de boodschap
verdwenen.
Er zijn ouders die zweren bij de
uitspraak: „Ik laat mijn kinderen vrij. Als ze meerderjarig zijn, kunnen ze
zelf keuzes maken". Maar zo werkt het niet. De ervaringen en lessen uit de
eerste levensjaren vormen een basis waarop een leven lang verder gebouwd wordt.
Als ik die ouders zie die hun
kinderen trouw naar school brengen, denk ik wel eens: zouden ze beseffen dat het
stempel dat ze op jonge levens drukken, over een halve eeuw nog doorwerkt?
Terug naar het begin van deze pagina
Internet
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 18 juli 2003
In
één opzicht doet de ontwikkeling van internet nu denken aan televisie in de
jaren ’50 en ’60. Er waren toen (steeds meer) huishoudens met tv en (steeds
minder) zonder. Op de werkvloer en op verjaardagen voelde het slinkende aantal
tv-lozen zich buitengesloten: aan vele gesprekken konden zij niet deelnemen. Dat
eindigde pas toen omstreeks 1970 (vrijwel) iedereen tv had.
Enkele jaren geleden waren mensen met
internet nog uitzonderingen. Op recepties zochten ze elkaar op om ervaringen uit
te wisselen. Inmiddels heeft een meerderheid van de huishoudens in Nederland
internet, maar een aanzienlijke minderheid doet het nog zonder.
Toen de radio opkwam, dacht men dat
de krant daaronder zou lijden. Bij de komst van televisie zag men het einde van
de radio naderen. Maar nee, krant, radio en televisie blijken naast elkaar te
kunnen bestaan.
En internet? Dat biedt een grote
verscheidenheid aan producten: directe concurrenten van het aanbod van krant,
radio en televisie en nog talloze eigen mogelijkheden (zoals e-mail).
Verrassend: terwijl u deze pagina van de gedrukte krant doorneemt, lees ik, ver
buiten Fryslân en buiten bereik van elke FD-bezorger, via internet het
commentaar dat u rechts ziet staan.
Eigenlijk vreemd dat deze krant en
talloze andere instellingen via internet gratis informatie weggeven die ze met
veel energie en voor veel geld hebben verworven. Dit kan op de duur alleen als
die informatie gecombineerd wordt met reclame. Dat zal internetinformatie
verlagen tot het niveau van commerciële televisie: ook ‘gratis’, ook
gedirigeerd door adverteerders.
Er moet dus een systeem komen waarmee
bezoekers van internetpagina’s kleine bedragen kunnen betalen.
Internetbezoekers rekenen er nu nog op alles voor niks op hun beeldscherm te
krijgen. Ze zullen eraan moeten wennen voor sommige pagina’s een bedragje te
moeten neertellen. Pas als dat technisch mogelijk is, kan
internet zich als informatieleverancier gezond ontwikkelen.
Terug naar het begin van deze pagina
Lot
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 20 juni 2003
Buitensporig
hoog vinden velen de bedragen die topfunctionarissen elk jaar en aan het eind
van hun carrière opstrijken. Zeker, het optreden van één vrouw of man kan het
verschil uitmaken tussen een florissante onderneming en een faillissement. Wie
het goed doet, mag best een flinke beloning krijgen, maar die hoeft niet extreem
hoog te zijn. Vreemd genoeg krijgen ook sommige captains of industry
miljoenen mee als ze moeten opstappen wegens abominabele prestaties.
De laatste tijd staan die topinkomens volop in de belangstelling; mede omdat
‘gewone’ inkomens nauwelijks mogen stijgen. Velen spreken hun afschuw erover
uit.
Maar vinden we het wel zo erg als sommigen schatrijk worden? Mijn indruk:
nee, zolang we maar het idee hebben dat we zelf ook eens tot de multimiljonairs
kunnen behoren.
Ik concludeer dit uit het succes van de staatsloterij en andere
gokinstellingen. Miljoenen stoppenvrijwillig elke maand tien, vijftien of
twintig euro in een heel grote pot waaruit uiteindelijk slechts enkelen een fors
bedrag toegeschoven krijgen. Precies het tegendeel van ‘eerlijk verdelen van
lusten en lasten’ waarvoor menige politicus en vakbondsfunctionaris pleit.
Een jongen in mijn omgeving antwoordde twintig jaar geleden steevast op de
vraag wat hij later wilde worden: „Rijk!". Hij had geen enkel bezwaar
tegen topinkomens zolang hij die binnen bereik zag. Nu hij hard moet ploeteren
om met een modaal salaris zijn gezin in stand te houden en geen hoop meer heeft
ooit de echte top te bereiken, denkt hij anders over het miljoeneninkomen van
zijn hoogste baas. Maar hij koopt wel maandelijks een staatslot.
Als ik politici met afschuw hoor spreken over ‘het grote graaien’ denk
ik: ze hebben gelijk. Maar waarom pleiten ze niet voor afschaffing van de
staatsloterij die velen armer maakt en enkelen heel rijk? (Ik
weet het antwoord wel: de hoofdprijs belandt elke maand in de schatkist.)
Terug naar het begin van deze pagina
Trend
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 23 mei 2003
Natuurlijk, elke omroepvereniging kijkt nog wel vanuit haar eigen blikrichting
naar de samenleving. NCRV en VPRO verschillen hemelsbreed, om twee tegenpolen te
noemen. Maar als het om Haagse politiek en politici gaat, is het op de televisie
één pot nat. De parlementaire redacties zullen geen afspraak gemaakt hebben,
maar ze volgen wel (bijna) allemaal dezelfde trends.
Dit is niet nieuw. Toen in 1980 het CDA tot stand kwam (door fusie van ARP,
CHU en KVP), klonk overal hetzelfde liedje: dit is de aanloop naar de ondergang
van de christelijk geïnspireerde politiek. Bij het aantreden van Lubbers in
1982 werd de jonge premier van CDA-huize alom schamper bejegend. Pas enkele
jaren later, toen zijn beleid een succes bleek en zijn partij triomfen vierde
bij verkiezingen, sloeg de stemming om.
Lubbers’ opvolger Kok verging het heel anders. Hij had weliswaar een
ernstig verlies geleden bij de verkiezingen van 1994, maar toen hij desondanks
minister-president werd, overlaadde de parlementaire pers hem met warme
gevoelens. Die heeft hij tot zijn laatste politieke dagen behouden. Een
PvdA-politicus heeft kennelijk bij voorbaat de sympathie op Haagse
redactiebureaus.
Nu CDA-voorman Balkenende op de voorste rij staat, slaat de scepsis weer toe.
Toen Kok in 1994 met de liberale VVD ging regeren, was dat een staaltje van
moed. Nu Balkenende hetzelfde doet, levert het hem vooral hoon op. Sommigen zien
het einde voor oudejaarsdag - de wens is kennelijk de vader van de gedachte.
Na al het tumult van de afgelopen anderhalf jaar is het te hopen dat
Balkenende II minstens de vier jaren uitzit en in die tijd met krachtige hand
regeert. Als dit lukt zullen al die sceptische redacties hun houding moeten
bijstellen. Misschien met tegenzin, maar ze zullen er niet aan ontkomen.
Het zou trouwens mooi zijn als de pluriformiteit terugkeert op het Binnenhof.
Terug naar het begin van deze pagina
Zondag
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
dinsdag 6 mei 2003
Mijn eerste kopje koffie, op een zondag gedronken in een restaurant, kreeg ik
aangeboden door een ouderling. Ik studeerde in Amsterdam. De wijkpredikant uit
mijn geboorteplaats had een beroep naar de hoofdstad aangenomen. Natuurlijk ging
ik naar de bevestigingsdienst in de Nieuwe Kerk - toen nog in gebruik bij de
kerkelijke gemeente. Daar was ook de rector van ‘mijn’ lyceum, afgevaardigd
door de kerkenraad. Hij vond het leuk een oud-leerling te ontmoeten en noodde me
na de dienst mee te gaan naar een restaurant op het Damrak.
Ik was grootgebracht met de leer dat je op zondag geen andere mensen voor je
laat werken: geen openbaar vervoer, geen dierentuin, geen ijsje. Het was dus
heel wat om de uitnodiging van die rector/ouderling te aanvaarden.
De dingen zijn veranderd. Ik heb later voor christelijke media (Trouw, NCRV)
op honderden zondagen gewerkt.
Intussen weet ik dat het woord uit de Tien Geboden slaat op de zevende dag,
de zaterdag (Sabbat). Christenen hebben die rustdag laten schieten omdat ze op
de eerste dag (zondag) wekelijks de opstanding van Christus herdenken. De zondag
is dus typisch een herdenkingsdag. Het was zinvol geweest als na 1945 besloten
was de dodenherdenking altijd op zondag te houden; bijvoorbeeld op de eerste
zondag van mei.
Ik begrijp niets van christenen die dit jaar op 3 mei de gevallenen
herdachten omdat dit op zondag 4 mei niet passend zou zijn. Met verbazing zag ik
zaterdagavond in het NOS-journaal mensen uit Genemuiden optrekken naar een
monument.
Dat moeten ze zelf weten. De donkere kant: vele niet-kerkelijken denken dat
die ‘zwarte-kousen-kerk’ de christenheid is. Terwijl de overgrote
meerderheid der christenen andere leefregels kent.
Soms denk ik dat wij dezelfde fout maken met aanhangers van de islam.
Fundamentalisten trekken aandacht en wij zijn geneigd te denken dat zo de
moslims zijn. Terwijl ook daar de extremisten een minderheid vormen.
Terug naar het begin van deze pagina
Nova
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 25 april 2003
„Morgen
is er weer een nieuwe Nova". Trouwe actualiteitenkijkers horen die kreet
(vrijwel) elke avond voor bedtijd. De grootste verdienste van de rubriek van NPS
en VARA is dat hij inderdaad elke avond terugkwam ondanks bloedbaden achter de
coulissen. Het is onvoorstelbaar dat directies van serieuze omroepen zoveel
fouten konden opstapelen.
Wie dagelijks nieuws wil brengen,
moet stabiel en betrouwbaar zijn. Natuurlijk, ook media moeten met hun tijd
meegaan. Maar het is wijs veranderingen geleidelijk door te voeren. Zeer zelden
besluit een hoofdredactie tot een drastische wijziging in één klap. Die heeft
alleen kans van slagen als een hecht redactieteam er volledig achter staat.
Bij Nova trokken de directies een
nieuwe hoofdredacteur, Rik Rensen, aan die direct voor vergaande veranderingen
moest zorgen. Dat was niet slim: een nieuwe journalistieke baas moet eerst de
sfeer op de redactie proeven en het vertrouwen winnen van de medewerkers. Rensen
deed dat niet. Voordat hij goed en wel aan de slag was stonden de presentatoren
Margriet Vroomans, Rob Trip en Kees Driehuis als oud vuil aan de straat. Zijn
aanwinsten, Felix Rottenberg en Matthijs van Nieuwkerk, overleefden de
nieuwlichterij ook niet. Tenslotte is ook Rensen verdwenen.
Wat houdt de kijker ervan over? Twee
nieuwe presentatoren, Clairy Polak en Jeroen Pauw die het niet beter, maar ook
niet slechter doen dan hun overboord gekieperde voorgangers. Een decor dat
getuigt van grootheidswaanzin. Een programma dat een kwartier te lang duurt, met
te veel studiogesprekken die vaak te lang worden uitgesponnen. Maar ook goede
reportages en soms onthullend eigen nieuws.
Dit is niet het resultaat van
wijsheid van directies. Er moet een degelijk journalistiek team achter zitten
dat zich niet van de wijs laat brengen, zelfs niet door stommiteiten van de
hoogste bazen.
Terug naar het begin van deze pagina
Virussen
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
vrijdag 4 april 2003
Berichten
over Sars, die geheimzinnige dodelijke longziekte, doen me denken van een studie
van m’n zus de biologe. „Bacteriën en parasieten hebben meer invloed gehad
op de loop der geschiedenis dan keizers en politici", betoogde zij. „Vooral
ziekten hebben ervoor gezorgd dat de samenleving is zoals ze nu is."
In vroegere eeuwen doken regelmatig
nieuwe ziekteverwekkers op, met dramatische gevolgen. Mazelen, nu een
onschuldige ziekte, richtte een zo grote slachting aan dat daardoor het Romeinse
rijk ten val kwam. De pest, ‘de zwarte dood’, kostte in de veertiende eeuw
de helft van de Europeanen het leven.
De wereldbevolking verdubbelde van
het jaar 1 tot 1600, daarna in 200 jaar en vervolgens steeds sneller, nu in 35
jaar. Toch kregen echtparen vroeger meestal veel kinderen. Nieuwe ziekten
brachten het inwonertal ver terug.
Dat de Spanjaarden in de 16e eeuw
Zuid-Amerika veroverden, dankten zij niet aan grotere slimheid of betere wapens,
maar aan de pokken. Europese soldaten waren ervoor in hun jeugd immuun geworden,
maar de Azteken bezweken er in groten getale aan en moesten zich wel overgeven
aan Cortez en zijn indringers.
Wij denken dat we besmettelijke
ziekten de baas zijn. Maar nee, er duiken nog steeds nieuwe aanvallers op: aids,
gekke-koeienziekte en nu sars. Aids heeft vooral in Afrika grote
bevolkingsgroepen geveld. Hoe zal het gaan met sars? We zijn geneigd te denken
dat medici dit varkentje wel zullen wassen. Maar of dat zal gebeuren, valt nog
niet te zeggen.
Sommigen leggen nu een verband tussen
sars en de Apocalyps, las ik. Niemand kent dag en uur, maar ook in de tijd van
de ‘zwarte dood’ en tijdens andere epidemieën dachten velen dat het eind
der tijden gekomen was. Toen was dat een foute veronderstelling.
P.S. De studie waarop deze
column is gebaseerd, staat ook op deze website. Klik hier.
Terug naar het begin van deze pagina
Bommen
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
dinsdag 25 maart 2003
Gewoonlijk komen na enige tijd de alledaagse dingen terug in onze hoofden
nadat we een tijdlang van slag waren door een schokkende gebeurtenis. Al is de
oorlog in Irak bijna een week oud, ik ben nog niet zover dat ik me weer op
andere dingen kan concentreren (misschien met uitzondering van Meintje, onze
kleindochter, zojuist geboren).
Tegelijk besef ik dat ik niets zinnigs over die oorlog kan zeggen. Als straks
alles achter de rug is, zal blijken dat het heel anders is geweest dan ons nu
wordt voorgehouden.
Hoe zinloos ook, ik kan het niet laten om urenlang naar die beelden uit Irak
te kijken. De grootste schok kreeg ik toen ik, in m’n makkelijke stoel, live
de bommenregen zag neerkomen op Bagdad. In een soort visioen zag ik weer de
bommen voor mijn ogen vallen, op zondagmorgen 17 september 1944. Tientallen
vliegtuigen cirkelden laag over, goed zichtbaar tegen de straalblauwe lucht. Als
nieuwsgierige tienjarige was ik buiten om het schouwspel te bekijken. Ineens zag
ik hoe een vliegtuig bommen liet vallen. Ze kwamen als zwarte strepen naar
beneden, ontploften. Ik liet me plat op de grond vallen. Dichte stofwolken
stegen op. Achteraf bleken 49 burgers uit onze wijk omgekomen te zijn. De bom
die drie meter van mij af was neergekomen, had onze buurvrouw op slag gedood.
Die middag begonnen de luchtlandingen, inleiding tot de Slag om Arnhem.
Ik denk daar niet vaak meer aan. Maar toen de bommen op Bagdad vielen, kwam
het boven alsof ik het op dat moment opnieuw meemaakte.
De oorlog zal over een tijdje voorbij zijn; maar de Iraakse kinderen van nu
zullen over zestig jaar nog het schrikbeeld van geweld voor ogen krijgen - als
ze tenminste de strijd overleven.
Terug naar het begin van deze pagina
Kleintjes
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op
woensdag 26 februari 2003
Om
de betekenis van een kundige bedrijfsleiding te onderstrepen, vertel ik wel eens
het volgende verhaal.
In mijn jeugd had je drie kruideniers
die in het straatbeeld even sterk aanwezig waren: Simon de Wit, P. de Gruyter en
Albert Heijn. Twee daarvan zijn verdwenen (hun namen zeggen jongeren niets
meer), de derde is kampioen in de gruttersbranche. Niet doordat Heijn betere
koffie had dan De Wit en De Gruyter of doordat de caissières in de ene
winkelketen aardiger waren dan in de andere. Nee, dat kwam doordat de
bedrijfsleiding van Heijn goed inspeelde op de behoeften van klanten en de
anderen de plank missloegen.
De conclusie blijft staan, ook al
blijkt nu dat de leiding van Heijn de laatste jaren grotere fouten heeft gemaakt
dan de directies van De Wit en De Gruyter ooit hebben gedaan. Of liever: de
fouten van nu hebben veel verder strekkende gevolgen dan die van veertig jaren
geleden. Dat komt omdat kruidenier Albert Heijn een wereldgigant wilde worden.
Het lijkt me al een kunst om vanuit
Zaandam filialen in Leeuwarden, Sneek, Hilversum en honderd andere plaatsen aan
te sturen. De bedrijfstop wilde verder reiken en kreeg ook miljardenbedrijven in
de V.S., Argentinië en andere landen duizenden kilometers van Zaandam in zijn
greep. Dat ging boven zijn macht.
Het is het streven van deze tijd:
bedrijven en organisaties worden samengevoegd omdat dit efficiënter en
profijtelijker zou zijn. Je ziet het overal: van scholen en ziekenhuizen tot
kranten- en olieconcerns. De managers worden steeds machtiger. Maar als ze de
giganten niet meer in de hand hebben, slepen ze ontelbare onschuldigen mee in
hun val.
De samenleving moet weer op de
kleintjes gaan letten. Die zijn beter te besturen en als er iets fout gaat,
heeft dat niet zulke verreikende gevolgen.
Terug naar het begin van deze pagina
Zonder nazorg
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op vrijdag 31 januari 2003
Herdenken
is in bij de media. Een jaar na ‘11 september’ werden we overvoerd met
herdenkingsprogramma’s en -artikelen. Vandaag staat de geboorte van ‘een
prinsesje’ centraal, 65 jaar geleden. Maar dit feestelijke feit wordt
overschaduwd door ‘de ramp’. „Niemand had voorzien dat de vlaggen die zo
vrolijk gewapperd hadden op de vijftiende verjaardag van Beatrix, de volgende
dag weer gehesen moesten worden: halfstok", schreef een krant op maandag 2
februari 1953.
Anders dan bij de herdenking van ‘11
september’ heeft slechts een betrekkelijk kleine minderheid van de
Nederlanders van nu persoonlijke herinneringen aan die februarimaand van 1953.
Wie het nog weet, vallen de verschillen in de samenleving van toen en nu op: in
1953 slechte communicatie met het rampgebied, trage hulpverlening, late
berichtgeving, de eerste beelden pas na een week in de ‘cineac’ (een soort
journaal-bioscoop).
Nederland en de halve wereld heeft
zich ingespannen om de overlevenden materiële hulp te verlenen. De inspanning
om herhaling te voorkomen is groot geweest. Maar opvallend: psychische nazorg
bestond niet. Nu staat bij elk ernstig ongeluk een team klaar om getroffenen en
nabestaanden te helpen bij de verwerking van de schok. Niets daarvan een halve
eeuw geleden.
Dat was ook zo na de oorlog met al
zijn ellende. Sprekend voorbeeld: een oom die vanaf 1942 als onderduiker de
vreselijkste dingen meemaakte. Na de bevrijding werd hij niet opgevangen, maar
naar ‘Nederlands Indië’ gestuurd waar hij tijdens ‘politionele acties’
betrokken was bij gruwelijke moordpartijen. Na thuiskomst in 1949 (geen vak
geleerd) moest hij zich maar zien te redden.
In televisie-interviews met
overlevenden van de watersnoodramp zie je in deze dagen dat sommigen na een
halve eeuw de schok nog niet te boven zijn. De nazorg van deze tijd is een
verworvenheid waarvoor we dankbaar mogen zijn.
Terug naar het begin van deze pagina
Te laat
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op dinsdag 13 januari 2003.
De verkiezingen komen een week te laat, lijkt het. De stoomcursus hedendaagse
politiek van de omroep hebben we naar mijn gevoel met het lijsttrekkersdebat van
zondagmiddag wel afgerond. Ik ben niet afkerig van politieke programma’s. Maar
overdaad schaadt. Sinds nieuwjaarsdag denkt elke rubriek er goed aan te doen
politici uit te nodigen, met alle mogelijke invalshoeken. Je kunt radio en
televisie niet aanzetten op daar zijn ze: Femke Halsema, Jan Marijnissen, Wouter
Bos, Jan Peter Balkenende en de rest van het selectieteam. We kennen hun
voornamen beter dan die van onze buurvrouw.
Wat moet de omroep er nog aan toevoegen? We hebben alles
wel gehad. De politici moeten alleen oppassen geen blunders te begaan. Wat is
tegenwoordig een blunder? In de nabesprekingen praten ‘deskundigen’ over
vragen als: hebben de discussiedeelnemers alert genoeg gereageerd en spreken ze
de r goed uit?
We hebben een dozijn omroepen. Toch lijkt het één pot nat. De tijd dat de
VARA spreekbuis was van de sociaal-democraten en de NCRV vooral
christen-politici aan het woord liet, is voorbij. Alle programmamakers lijken
dezelfde afwegingen te maken. Daarmee bepalen ze wie in beeld komt en in welke
opstelling. Daarvan hangt de verkiezingsuitslag in belangrijke mate af.
Op de avond voor de verkiezingen sluit een niet-politicus op tv de reeks af:
cabaretier Freek de Jonge, die onlangs zei te weifelen tussen PvdA en SP. De
keuze voor hem als campagnesluiter heeft onbetwistbaar de bedoeling de
verkiezingsuitslag te beïnvloeden.
Was het maar vast de 22e. Het meest hoop ik dat de kiezers de basis leggen
voor een stevig kabinet, want dat heeft Nederland na de Fortuyn-malaise van 2002
hard nodig. Als de omroepen de stembusgangers de komende week daarvan weten te
overtuigen, komt het wel goed.
Terug naar het begin van deze pagina
Sterke omroep
Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op vrijdag 3 januari 2003
Het AKN-gebouw in Hilversum
is hét symbool van het gezwabber met de publieke
omroep. Toen er nog geen commerciële zenders waren, konden omroepverenigingen
hun kwaliteiten tonen op twee of drie avonden in de week. Tegenwoordig moeten
hele zenders zich onderscheiden. Het was dus verstandig dat omroepclusters
profiel gingen geven aan zenders. AVRO, KRO en NCRV (AKN) maakten Nederland 1
sterk en gingen zo ver dat ze hun vooroorlogse studio’s verkochten en samen
een nieuw gebouw optrokken.
Al voordat het pand betrokken was, bedacht ‘de politiek’ iets anders: de
NOS zou voortaan beslissen wat er op de drie publieke zenders wordt uitgezonden.
Konden eerder de AKN-programmamakers zich eendrachtig inspannen voor een
ijzersterk Nederland 1, nu moeten ze veelvuldig tegen elkaar concurreren als
bijvoorbeeld een NCRV-programma op Nederland 2 tegenover een NCRV-programma op
Nederland 1 staat. Veelvuldig ook vertoont die laatste zender TROS-programma’s
die helemaal niet passen in die omgeving.
Terwijl zo de publieke omroep als gevolg van het beleid van paarse kabinetten
ernstig is verzwakt, kondigen VVD- en LPF-politici in hun verkiezingsprogramma’s
aan verder te willen met de afbraak. Merkwaardigerwijs doen ze dit terwijl ze
zich er goed van bewust zijn dat hun resultaat op 22 januari in hoge mate
afhangt van de aandacht die de publieke omroepen de komende (bijna) drie weken
aan hen besteden.
PvdA en CDA waren vroeger voorvechters van de publieke omroep. De
sociaal-democraten zijn onder de kabinetten-Kok een eind meegegaan met de VVD
die alle heil van commerciële omroepen verwacht.
CDA-lijsttrekker Balkenende was een jaar geleden nog vice-voorzitter van de
NCRV en weet dus wat er gaande is. Van de kracht van zijn partij en de
ChristenUnie hangt het af of er na de aangekondigde herijking van de
omroepverenigingen in 2004 nog een solide publieke omroep bestaat.
Terug naar het begin van deze pagina
|