Signalen uit de familie Glimmerveen

Colofon

Zeg nou zelf...

e-mail

Home

De veerkracht van de omroepverenigingen
na de bevrijding-1945

Het kwartaaltijdschrift Aether, een uitgave van de Vrienden van het Omroepmuseum, bracht in april 2005 een 'Bevrijdingsnummer', geheel gewijd aan omroepaangelegenheden tijdens de tweede wereldoorlog en bij de bevrijding, zestig jaar voor het verschijnen van dit blad.

Het openingsartikel, 'De veerkracht van de omroepverenigingen na de bevrijding', is op verzoek van de redactie van Aether geschreven door Henk Glimmerveen.
Het artikel staat hieronder.

door Henk Glimmerveen

T

oen op 5 mei 1945 heel Nederland bevrijd was van de Nazi-bezetting, waren de omroepverenigingen in Hilversum paraat. Terwijl Canadezen Hilversum binnenreden, bevestigden ze plakkaten in hun studio’s waarmee ze hun gebouwen weer in bezit namen. Maar ze slaagden er niet in door te dringen tot de microfoon en de zender. Pas een kleine twee jaar later, in februari 1947, konden ze weer in volle vrijheid de programma’s op de Nederlandse landelijke zenders verzorgen.

De omroepverenigingen (en een enkele omroepstichting), zo’n twintig jaar eerder opgericht, hadden de pech dat ze gevestigd waren in een regio die pas helemaal aan het eind van de oorlog werd bevrijd. Eindhoven zag bijna zeven maanden eerder de geallieerden binnentrekken. De ‘lampenfabriek’ in die stad kon alles leveren wat nodig is om radio-uitzendingen te verzorgen; inclusief een noodzender en een noodstudio in het Philips’ Ontspanningsgebouw. Radio Herrijzend Nederland, gestart op 3 oktober 1944, was dus een behoorlijk ingewerkt omroepbedrijf toen ‘Hilversum’ de vooroorlogse draad weer wilde oppakken.

De omroepverenigingen zat het in meer opzichten niet mee. Slechts één keer (in juni 1945) stelde het Militair Gezag papier beschikbaar voor de omroepbladen, maar de regering maakte prompt een eind aan die papiertoewijzing. Tot 19 januari 1946 hadden de omroeporganisaties geen gelegenheid zich op papier tot hun leden te wenden.

De omroepverenigingen konden ook niet aankloppen bij een parlement: dat functioneerde het eerste jaar na de bevrijding niet. Er was wel een kabinet, maar Kamerleden die de regering ter verantwoording konden roepen, ontbraken nog.

Luisteraars waren schaars. In mei 1943 moesten vrijwel alle Nederlanders hun radiotoestel bij de Duitse bezetter inleveren; een maatregel om het beluisteren van Radio Oranje uit Londen te verhinderen. Alleen NSB’ers mochten hun toestel houden. Ook de draadomroep (een soort kabelradio) bleef bestaan. De overheid kon immers precies bepalen welke programma’s wel en niet in de draad ingevoerd werden.

Wie stiekem zijn radiotoestel niet had ingeleverd maar verstopt, had daar tijdens de laatste oorlogswinter en ook de eerste tijd na de bevrijding weinig aan: bijna nergens was elektriciteit (en radio’s op batterijen bestonden nog niet).

De omroepverenigingen hoefden dus niet te rekenen op een massale roep van luisteraars die hun geliefde vooroorlogse programma’s terug wilden.

Maar misschien de zwaarste handicap voor de omroepverenigingen in 1945 was hun houding na de capitulatie van het Nederlandse leger op 15 mei 1940. De omroepen wilden toen niets liever dan op de oude voet voortgaan, ook al hield dit in dat er diep voor de Duitse bezetter gebogen moest worden.

De wens om na 15 mei 1940 zo gewoon mogelijk het leven voort te zetten leefde alom in Nederland. De treinen gingen weer rijden, de scholen en de winkels waren open, ambtenaren pakten hun werk op; kranten verschenen weer en de omroepen zonden weer uit; de AVRO (als enige)  al op woensdag 15 en donderdag 16 mei 1940.

Op 16 mei voerde een NCRV-functionaris, K. van Dijk, overleg met de Duitse autoriteiten Strohmeyer en Freudenberg, met als resultaat dat de NCRV op zaterdag 18 mei weer in de lucht was. Ook de andere omroeporganisaties bogen voor de Duitsers die van de omroepverenigingen ‘een loyale houding’ eisten. Het hielp niet: op 9 maart 1941 moesten de omroepverenigingen hun uitzendingen staken. Hun meegaande houding had hen intussen een slechte naam bezorgd. In de illegale pers werden ze afgemaakt.

Al leek dus alles hen tegen te zitten, de omroepfunctionarissen gingen bij de bevrijding onmiddellijk aan de slag. Goed voorbereid.

In het derde oorlogsjaar, toen een Duitse nederlaag in het vizier kwam, begonnen bestuurders van de formeel opgeheven omroeporganisaties zich klaar te maken voor hun terugkeer. Op 28 december 1943 kwam een groepje prominenten uit de omroepverenigingen bijeen ten huize van AVRO-directeur W. Vogt. Zij stichtten het Omroep-Comité, bedoeld om de organisatorische opzet van de omroep na de oorlog te regelen. In mei 1944 richtten zij de Federatie van Omroepverenigingen op, die de hervatting van de radio-uitzendingen direct na de bevrijding tot in de puntjes regelde. Zij accepteerden een plan van het ‘Vaderlands Comité’ om tijdelijk de eindverantwoordelijkheid voor hun uitzendingen in de handen van een regeringscommissaris te leggen. VU-hoogleraar mr. J. Oranje zou die functie krijgen.

Toen dit plan tot Londen doordrong, haalden de premier-in-ballingschap mr. P.S. Gerbrandy en de minister van algemene zaken H. van Boeyen (onder wie de radio zou vallen) er een streep door. De radio zou onder het Militair Gezag gaan ressorteren, zo werd in september 1944 bij Koninklijk Besluit bepaald. Majoor H. van den Broek, leider van Radio Oranje, in de oorlogsjaren uitzendend vanuit Londen, zou de sectie Radio van het MG gaan leiden.

Minister Van Boeyen bepaalde al in Londen dat het Militair Gezag geen contact mocht leggen met vertegenwoordigers van de omroeporganisaties. Eerst moest, van hoog tot laag, een ‘zuivering’ worden doorgevoerd.

Van dit Londense regeringsbesluit waren de omroepfunctionarissen in Hilversum niet op de hoogte. Op 5 mei 1945 konden de omroeporganisaties niet uitzenden, eenvoudigweg omdat er nog geen elektriciteit was. Op 7 mei stelde prof. Oranje de programma’s voor de eerste uitzenddag vast. Maar al de volgende dag arriveerde Van den Broek die namens het Militair Gezag alle omroepgebouwen vorderde en de omroepbestuurders verjoeg uit de AVRO-studio waar ze zekerheidshalve hadden willen overnachten.

Radio Herrijzend Nederland ging ongehinderd door met uitzenden. Even zag het ernaar uit dat die omroep op 30 juni 1945 zou stoppen. De omroeporganisaties zouden op die dag hun werk hervatten. Maar vlak voor die datum besloot het kabinet-Schermerhorn dat Herrijzend Nederland nog een tijdlang zou doorwerken. Mr. J.M. Landré, plaatsvervangend hoofd van de omroep, onderdeel van het Militair Gezag, legde in Gooische Klanken van 7 juli 1945 uit dat de maatregel genomen was om ‘de regering in staat te stellen tot een zoodanigen Nationalen Radio-Omroep te komen, als de groote meerderheid van het Nederlandsche volk dat wenscht’.

Er kwam na de bevrijding een discussie op gang of de Nederlandse samenleving wel terug moest naar de situatie van 1939. Koningin Wilhelmina vond de bevrijding een uitnemend startpunt voor een geheel andere opbouw van het land. In elk geval moest die verfoeide ‘verzuiling’ verdwijnen. Het gemeenschappelijke verzet tegen de Duitsers had immers aangetoond dat het Nederlandse volk een eenheid was.

De vorstin stond niet alleen. Die geest leefde ook in het sinds juni 1945 optredende kabinet van premier ir. W. Schermerhorn en dat had direct gevolgen voor de omroep. Het kabinet wilde geen rechtsherstel voor de omroepverenigingen, maar een nationale omroep. Dr. H. Brugmans, de rechterhand van de minister-president, vergeleek in het weekblad Je Maintiendrai het vooroorlogse radiobestel met ‘een krottenwijk die door een bom is getroffen’. Niemand zal er toch over piekeren die krotten weer op te bouwen, betoogde hij.

Premier Schermerhorn zei in een radiopraatje: „Het omroepbestel van voor 1940 is een vorm waarvan wij gerust durven zeggen dat de overgrote meerderheid van het Nederlandse volk deze niet blijvend zoude wensen”.

De regering was niet eensgezind. De ministers W. Drees en dr. L.J.M. Beel voelden niet zo erg voor die Nationale Omroep. Minister Beel maakte op 1 juni 1945 in een communiqué bekend dat de ‘commissie-Oranje’ op 1 juli zou gaan functioneren. Dat viel verkeerd in het kabinet. Van den Broek kreeg opdracht nog minstens een maand door te gaan met Radio Herrijzend Nederland. Drie ministers reisden op 5 juli naar Hilversum voor een lang gesprek met prof. Oranje. „Ik ben weggeschopt”, zei hij later over dat onderhoud.

De omroeporganisaties organiseerden in 1945 wel verenigingsactiviteiten; vooral bestuursvergaderingen. En ze voerden een heftige lobby; aanvankelijk met weinig succes. Het jaarverslag-1946 van de NCRV bezigt krasse taal: „Nauwelijks was ons land bevrijd van de Duitsche tyrannie, of bij onze Regeering bleek een streven naar een gedwongen geestelijke eenheid van ons volk te bestaan, dat is naar een nieuwe tyrannie; en inzonderheid de radio-omroep heeft daarvan te lijden gehad”.

Een opmerkelijke rol in de omroepkwestie speelden de kerken. De Nederlandse Hervormde Kerk die een voortrekkersrol dacht te gaan spelen in de naoorlogse samenleving, wilde op omroepgebied niet langer afhankelijk zijn van de NCRV. De algemene synode van die kerk sprak zich in 1945 uit voor een Nationale Omroep. Natuurlijk moesten in de ogen van de hervormden de kerken wel present zijn in de radio. Ze bundelden hun krachten in het Interkerkelijk Overleg in Radioaangelegenheden (IKOR), vroegen en kregen eigen zendtijd.

IKOR-voorzitter mr. Van Walsum, tevens hoofdredacteur van het dagblad De Nieuwe Nederlander, meldde op 30 januari 1946 in zijn krant dat ook de rooms-katholieke kerk was uitgenodigd toe te treden tot het IKOR. Maar hij had de indruk ‘dat de Roomsch-Katholieken hun radiobelangen ook in de toekomst door den KRO wilden laten behartigen’. De gereformeerde kerken kregen geen uitnodiging van het IKOR, volgens mr. Van Walsum omdat men in gereformeerde kringen ‘een sterke sympathie heeft voor de NCRV en geporteerd is voor het z.g. rechtsherstel in de omroep’.

De rooms-katholieke kerk had inderdaad een geheel ander standpunt dan de hervormden. Kardinaal De Jong zette weliswaar pater J. Dito O.P. af die in 1940 KRO-voorzitter was geweest en verving hem door prof. dr. J. Kors, dominicaan en hoogleraar in Nijmegen. Maar de KRO zou ook in de toekomst de belangen van de r.k. kerk in de ether moeten vertegenwoordigen, meende de kardinaal. Dit standpunt werd aan het kabinet kenbaar gemaakt. KVP-ministers in het kabinet konden er niet aan voorbijgaan.

Radio Herrijzend Nederland staakte pas op 19 januari 1946 zijn uitzendingen; maar niet om plaats te maken voor de omroepverenigingen. Vanaf zondag 20 januari 1946 werden de programma’s verzorgd door de Stichting Radio-Omroep in Overgangstijd. In het bestuur waren de omroeporganisaties wel vertegenwoordigd, maar zij hadden er een minderheid. De omroepen mochten wel een beperkt aantal programma’s verzorgen, maar ze hadden hun vooroorlogse positie nog lang niet terug.

De kentering kwam na de eerste naoorlogse Tweede-Kamerverkiezingen, ruim een jaar na de bevrijding, op 17 mei 1946. De hervormden en anderen die een ‘doorbraak’ verwachtten naar nieuwe verhoudingen, koesterden hoge verwachtingen. De nieuwe Partij van de Arbeid, opgericht door socialisten, progressieve christenen en liberalen, die als brede progressieve volkspartij zou moeten afrekenen met de ‘hokjesgeest’, moest aan de ommekeer leiding geven. De CHU, gedomineerd door hervormden, zou van de kaart worden geveegd, dachten ze. ‘Vermoedelijk blijft alleen de heer Tilanus nog over’, aldus de Leeuwarder Courant.

Maar het pakte anders uit. De CHU, voorstander van rechtsherstel van de omroepverenigingen, kwam zonder kleerscheuren uit de stembusstrijd. De confessionele CHU, ARP en KVP haalden een meerderheid. En de PvdA ontpopte zich als een voortzetting van de vooroorlogse sociaal-democratie. De oude socialisten in die partij kwamen tot het besef dat het dwaas zou zijn de eigen spreekbuis, de VARA, op te offeren voor een ‘nationale omroep’.

In de Tweede Kamer pleitte alleen de Partij van de Vrijheid (de latere VVD) nog voor een nationale omroep. Steun voor een dergelijke omroep kwam ook van de 750 omroepmedewerkers die na de oorlog verantwoordelijk waren geweest voor de uitzendingen; en van IKOR-dominee F.R.A. Henkels die in een boek stelde: „De BBC is een omroep; wat wij hebben zijn kermistentjes”.

Uiteindelijk dolven de voorstanders van de nationale omroep het onderspit. De minister van Onderwijs dr. Jos Gielen zette een streep door het omroepbeleid van het kabinet-Schermerhorn.

Het had even geduurd. Pas in het voorjaar van 1947 eindigde de omroepstrijd waaruit de omroepverenigingen als grote winnaars te voorschijn kwamen. In een voorlopige regeling - de definitieve regeling kwam pas in 1965 - kregen zij hun rechten terug, inclusief zendtijd en studio’s. Tegelijk werd het preventieve overheidstoezicht op de programma’s, zoals dat voor (en in) de oorlog bestond, afgeschaft. Ook werd formeel de opheffing van de omroeporganisaties in 1941 ongeldig verklaard, zodat ze geacht worden sinds hun oprichting onafgebroken te hebben bestaan (en zodat ze nu dus ook eerlijk hun tachtigjarige bestaan kunnen vieren).

In de jaren daarna is vaak aan de toekomst van de omroepverenigingen getwijfeld. Toen ik in 1967 bij de omroep in dienst trad, hoorde ik overal om me heen: ‘Nog vijf jaar en dan is het afgelopen met dit bestel en de omroepverenigingen’. Tot mijn pensionering is die toekomstvoorspelling ongewijzigd gebleven. Maar recent heeft staatssecretaris Medy van der Laan de termijn ingekort tot drie jaar.

Bronnen:

Dr. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog, deel 12, Epiloog, eerste helft, blz. 221 e.v.

Vrij en Gebonden, 50 jaar NCRV, deel 1, H. Algra, De Vereniging.

A.F. Manning,Zestig jaar KRO, uit de geschiedenis van een omroep (1985).

Omroep in Nederland, deel 2, Huub Wijfjes, Het radiotijdperk, 1919 - 1960.

Jaarboek Mediageschiedenis, uitgave 6, 1995, hoofdstuk Abraham van der Deure, De eerste voorzitter van de NCRV, door Henk Glimmerveen.

Terug naar het begin van deze pagina

Terugblik op
omroepen in
en na 1940/'45